zaterdag 16 december 2017

Joris van Casterens 'Een botsing op het spoor': De lichaamsdelen waren vastgevroren aan de rails (Athenaeum.nl)

Er houden meer mensen een trauma over aan iemand die voor een trein springt dan je geneigd bent te denken. Dankzij Van Casterens indrukwekkende reportage Een botsing op het spoor is er eindelijk openheid over een veelvoorkomend maar verzwegen probleem.

De trein heeft vertraging 'wegens aanrijding met een persoon'. Iedere reiziger weet wat dat betekent: een springer. Maar weet hij het werkelijk? Hij leest er daarna nooit iets over – zelfs niet in het plaatselijke sufferdje waar gouden bruiloften en verbredingen van de stoep doorgaans wél tot nieuwsberichten leiden. Dat komt, blijkt uit 'the making of' bij Joris van Casterens Een botsing op het spoor, omdat de NS zwijgt over treinzelfmoorden. Altijd, in alle toonaarden. De organisatie hoopt zo kopieergedrag te vermijden.
Wie echt wil weten hoe groot de impact van een treinbotsing is, moet daarom deze reportage van de veelvuldig geprezen journalist (Lelystad, Mensen op Mars) lezen. Een botsing op het spoor is een flinterdun werkje: nog geen zeventig kleine bladzijden, maar het is Van Casteren op zijn best. In zijn uitgebeende stijl vertelt hij het verhaal van alle mogelijke betrokkenen: de machinist, maar ook de passagiers, de lijkopruimers, de politie en de nabestaanden. Stuk voor stuk was het voor hen een zeer ingrijpende gebeurtenis. Juist omdat het zonder poespas wordt verteld, maakt dat zo'n indruk.
Uitgangspunt is de dubbele zelfmoord van Gerda en Mirella – moeder en dochter – en hun vijf honden. Op maandagochtend 28 november 2016 wachtten zij bij de spoorwegovergang Sionsweg-Scheidingsweg, even onder Nijmegen, de sprinter naar Roermond op. Een hondje overleeft de aanrijding. Het is dat detail dat Van Casteren triggerde om juist deze van de 220 treinzelfmoorden die jaarlijks in Nederland plaatsvinden te onderzoeken. Stel dat hij die hond kon terugvinden, dacht hij. Hoewel hem dat lukt, staat hij daar terecht uiteindelijk niet echt bij stil.
Want de meeste impact heeft het ongeluk op degenen die er dichtst bij betrokken zijn. De machinist in de eerste plaats. Het is in zijn kille eenvoud gruwelijk om de opsomming van de springers te lezen die hij in zijn tienjarige carrière op de trein heeft meegemaakt. De eerste keer had hij een vrouw onthoofd. Een andere keer was het lichaam nauwelijks als zodanig herkenbaar. De laatste keer had het slachtoffer, omdat hij helemaal niet zo hard reed, hem aangestaard. En altijd was het de machinist zelf die, eenmaal uitgestapt, het lijk in al zijn rauwheid als eerste zag.
En wat te denken van de omstanders die, wachtend bij de gesloten spoorbomen, moeder en dochter eronderdoor zagen lopen, hun dood tegemoet? Maar ook voor wie een treinzelfmoord feitelijk gewoon werk is, is het iedere keer buitengewoon traumatisch. De twee medewerkers van het uitvaartcentrum die in de regio het lijk verwijderen, moesten in dit geval op deze koude morgen de uiteengereten lichaamsdelen loswrikken van de rails waaraan ze waren vastgevroren. 'Als je er te veel bij stilstaat ga je er zelf aan onderdoor', zegt een van hen.
Lezing van Een botsing op het spoor overtuigt je zo zonder meer van maatregelen om het zelfmoordenaars moeilijker te maken. Van hoge boetes voor lopen op het spoor tot waarschuwingsborden die mogelijke daders hulp beloven. En natuurlijk moeten onbewaakte spoorwegovergangen dicht, zoals onlangs bij Winsum is gebeurd na een aantal opzienbarende ongelukken. Het is bewonderenswaardig hoe Van Casteren het beleid van de NS logenstraft, die hierdoor hopelijk inziet dat zwijgen in dit geval problemen eerder verergert dan voorkomt.
Het enige wat je de auteur eventueel kan verwijten is dat hij niet nóg verder heeft gegraven. Als Van Casteren op een gegeven moment over de vloer komt bij de nabestaanden, daar stuit op moeizame familieverhoudingen en je je afvraagt wat er precies is voorgevallen (incest?), doet Van Casteren geen moeite meer dat te ontrafelen. Zo sla je Een botsing op het spoor dicht met een gevoel van onbevredigde nieuwsgierigheid. Maar dát verhaal viel natuurlijk buiten de scope van deze schitterende reportage die het verdient de reputatie van een klassieker te krijgen.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)

Zie ook:

donderdag 14 december 2017

Interview Gideon Samson over vakbonden en agenten (Boekblad)

Op de Dag van de Belletrie, georganiseerd door de Auteursbond, gaven schrijvers een kijkje in hun eigen keuken. De veelvuldig bekroonde kinderboekenschrijver Gideon Samson was een van hen. Het is goed dat de Auteursbond er is, vindt hij. 'Het idee dat er bij alle zakelijke dingen tóch een instantie is waar je terecht kunt.'

Waarom heb je de uitnodiging voor deze Dag aangenomen?
'Toen Marcel van Driel mij vroeg om te praten over mijn innerlijke drive, zei hij dat meerdere mensen onafhankelijk van elkaar mijn naam voor dit onderwerp hadden genoemd. Ik kan me dat best voorstellen. Ik denk dat ik iets kan vertellen waar mensen naar willen luisteren.'

Wat dan?
'De Israëlische schrijver Etgar Keret zei ooit dat hij het idee heeft dat veel schrijvers schrijven om controle over het leven te krijgen, terwijl dat bij hem precies andersom is. Dat herken ik. Ik ben een controlfreak in het dagelijkse leven, maar tijdens het schrijven wil ik juist de controle verliezen. Ik schrijf niet met een schema, maar intuïtief. Ik weet 's ochtends niet wat er aan het einde van de middag op papier zal staan. Dat verklaart ook mijn innerlijke drive. Ik heb die manier van schrijven nodig, bijna als een soort therapie.'

Voor het publiek, dat vrijwel uitsluitend uit schrijvers bestaat, is dat anders?
'Dat weet ik niet. Er zullen zeker schrijvers zijn om half negen gaan zitten, koffie op, en er vijfduizend woorden uitrammen volgens een van tevoren opgesteld schema. En dat kan ook een goed boek opleveren. Het is interessant om daar met elkaar over te praten.'

Is het daarom belangrijk dat de Auteursbond een Dag organiseert om met elkaar van gedachten te wisselen over de schrijfpraktijk?
'O ja. Schrijven is een eenzaam beroep. Misschien is dat voor velen de reden om te schrijven. Ik vind het ook heerlijk om me voor maanden af te zonderen om iets moois te maken. En toch is het fijn om af en toe bij elkaar te komen en te weten dat je niet de enige bent die voor zo'n leven kiest. Daarnaast zijn schrijvers gewoon leuke, sympathieke mensen – zeker in de kinderboekenwereld, waar iedereen elkaar met je en jij aanspreekt en elkaar fantastisch vindt.'

Ben je al lang lid van de Auteursbond?
'Pas een jaar of twee. Daarvoor was ik gewoon laks. Dacht ik niet over dit soort dingen na. Ik wil ook het liefst zo veel mogelijk van mijn energie gebruiken voor het maken van zo mooi mogelijke boeken. Daarnaast is het idee van een vakbond voor iemand van mijn leeftijd – 32 jaar – vreemd. Iets van vroeger. Iemand van mijn generatie denkt eerder, als ik een geschil met mijn uitgeverij Leopold zou hebben: dat kan ik zelf wel oplossen.'

Waarom ben je toch lid geworden?
'Ik moest een keer in een uithoek van Nederland optreden. De avond ervoor at ik daar met Martine Letterie en Annemarie Bon. Zij zeiden allebei – eigenlijk terecht – dat het een schande was dat ik nog geen lid was. Ze hielden een vurig pleidooi. Een dag later was ik lid. Een Auteursbond is natuurlijk ook belangrijk, al ben ik tot nu toe altijd een slapend lid geweest.'

Waarin schuilt het belang van de Auteursbond?
'Het idee dat er bij alle zakelijke dingen tóch een instantie is waar je terecht kunt. Ik moet alles zelf doen: mails beantwoorden, afspraken maken, onderhandelen over geld. Het liefst zou ik iemand hebben die dat allemaal overneemt. Dat kan de Auteursbond natuurlijk niet doen, daar zou ik eerder een agent voor moeten hebben. Maar dat zij zich hard maken voor bijvoorbeeld het auteursrecht, leenrecht en modelcontracten is al heel fijn. Daar profiteren veel schrijvers van.'

Wordt de Auteursbond in het licht van de veranderingen in het boekenvak ook steeds belangrijker?
'Dat vind ik in het algemeen moeilijk om te zeggen. Voor mezelf ben ik eerder geneigd dat te ontkennen, maar dat komt door mijn persoonlijke ontwikkeling. Toen ik debuteerde dacht ik: wat fijn dat ze me willen uitgeven. Nu is het eerder andersom: ik denk dat Leopold blij is dat ze mij kunnen uitgeven. Ik ben geen verlegen mannetje meer, ik weet beter wat ik wil. Iets wat de uitgeverij volgens mij prettig vindt, omdat dat een gelijkwaardiger gesprek mogelijk maakt.'

Maar de opkomst van het digitaal lezen dan? De Auteursbond zet zich ook in voor een fatsoenlijke royalty voor schrijvers.
'Ik kan me goed voorstellen dat dat belangrijk is, maar kan er moeilijk over oordelen. In mijn geval is digitaal lezen maar een heel klein onderdeel van mijn inkomsten.'

Liever dan een vakbond zou je dus een agent willen?
'Ja. Alle zakelijke aspecten kosten me zoveel energie. Ik kan niet even snel in drie regels een antwoord op een mail geven. Ik stel het dus uit. En terwijl de mails blijven binnenkomen, sleep ik ze als een steen om mijn nek mee. Dan zou een agent een uitkomst zijn. Eentje die begrijpt wat ik doe én die zichzelf kan terugverdienen. Dat laatste zal niet meevallen. In de kinderboekenwereld gaan geen bakken met geld om.'

Maar het is voor een agent wel mogelijk om zichzelf terug te verdienen?
'Dat denk ik wel. Hoewel de scheidslijn minder strak wordt getrokken dan vroeger is er in de kinderboekenwereld nog altijd een tweedeling tussen literaire en commerciële kinderboeken. Mijn werk wordt ingedeeld in de literaire hoek. Niet onterecht, maar ik denk wel – als ik praat met kinderen in het land – dat ik mede daardoor niet het volledige potentieel aan lezers bereik. Daar moet winst te behalen zijn.'

Is dat niet eerder een taak van de uitgeverij?
'Oók. Ik praat hier veel over met Leopold. Zij doen ook veel voor mij. Maar ik ben niet de enige schrijver in hun stal. De uitgeverij heeft een groot fonds, ik begrijp dat ze zich voor alle auteurs moeten inspannen.'
(Lichtelijk bewerkte versie van interview voor Boekblad.nl, 7 dec)

dinsdag 12 december 2017

Nieuwe directeur Peter Hendriks: 'Malmberg moet zijn horizon verbreden' (Boekblad)

De cultuur opener maken, zoeken naar groeimogelijkheden en de uitrol van het nieuwe business modellen. Peter Hendriks, de nieuwe directeur van Malmberg, vertelt over zijn eerste maanden bij de educatieve uitgeverij.

Wat gaat het toch eigenlijk traag met die digitalisering in het onderwijs, dacht Peter Hendriks altijd. In de wetenschappelijke uitgeverij, waar hij zelf werkte, was de content allang verrijkt elektronisch toegankelijk via databases, terwijl zijn kinderen nog met vijf kilo papier in hun rugtas naar school gingen. Docenten en leerlingen hadden toch zo snel mogelijk efficiëntere leermiddelen moeten kunnen krijgen?
'Als je eenmaal in die wereld stapt, blijkt het uiteraard genuanceerder te liggen', zegt de nieuwe directeur van Malmberg nu. 'Leraren zijn vaak terughoudend om de digitale slag te maken. Zij houden – heel begrijpelijk – vast aan een bewezen manier van werken. Maar ook leerlingen geven nog steeds aan hoe prettig ze het vinden om vanuit een boek te werken. En de iPad is niet de oplossing voor alles, zoals je als buitenstaander geneigd bent te denken. Je moet blended concepten aanbieden, omdat je sommige leerelementen het beste via folio en andere, zoals verwerken, oefenen en toetsen het beste via digitale oplossingen leert. Je moet daarbij aansluiting houden met de transitie van het onderwijs, anders slaan je producten domweg niet aan.'
En dan is Malmberg, vindt Hendriks, allesbehalve een achterblijver naast de grootste educatieve spelers in Nederland: ThiemeMeulenhoff, Noordhoff en Zwijssen. 'Malmberg is op tijd op de digitale trein gesprongen. Kijk naar de bezetting op ons kantoor: meer dan een de helft van onze mensen is continu bezig met digitale ontwikkeling en serviceverlening – en dat terwijl het een grote uitdaging is om goede it-mensen te krijgen, omdat iedereen aan hen trekt. Malmberg heeft gelukkig ook de omvang om de vaak serieuze investeringen hierin op te kunnen brengen.'

Bijna dertig jaar werkt Hendriks in de uitgeverijsector. Tot twee jaar geleden altijd bij de opvolgers van het bedrijf waar hij in 1988 als trainee begon: Wolters Kluwer. Nadat Kluwer de wetenschappelijke tak had verzelfstandigd en deze vervolgens fuseerde met de eveneens afgestoten wetenschappelijke divisie van Bertelsmann tot Springer, belandde Hendriks in de directie van deze uitgeverij. Daar bleef hij tot Springer fuseerde met Nature, de laatste vijf jaar als chief publishing officer.
Na zijn vertrek bij Springer Nature zat hij daarna al snel in het circuit van start-ups en commissariaten. 'Maar toen ik werd gebeld voor deze functie kon ik de verleiding niet weerstaan en ging ik in gesprek met moederbedrijf Sanoma. Malmberg is zo'n prachtig bedrijf, dat echt impact heeft op het aanbod van educatie in Nederland.' Hendriks' voornaamste taak werd het om de uitgeverij 'de volgende stap te laten maken in de transitie naar een uitgeverij met een integraal aanbod van folio en digitaal. Want dat je de beste bent, wil nog niet zeggen dat je het goed doet.'
Hij trof een 'redelijk verzuilde organisatie' aan. Malmberg is nog altijd primair georganiseerd rond wat hij 'deelmarkten' noemt: basisonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo. 'Malmberg is een verzameling mini-bedrijven compleet met winst- en verliesrekening. Maar een digitale uitgeverij draait om het ontwikkelingen en exploiteren van digitale concepten en platformen die marktoverstijgend zijn. Dat vereist een geïntegreerde klantgerichte organisatie.'
Hendriks formuleert het scherper dan het in werkelijkheid is om zijn punt duidelijk te maken. 'Er is al veel te winnen door een cultuur van openheid te bevorderen. Dat begint bij mij. Ik heb na mijn aantreden op 1 mei ook mijn managementteam gevraagd als Malmberg-executive naar de hele onderneming te kijken. Die mindset straalt door naar de kernteams en zo naar het hele bedrijf.'
En dan zie je dat er in vijf maanden al veel gewonnen is. 'Ja, dat gaat heel snel. Medewerkers – over het algemeen hoogopgeleid en zeer gemotiveerd – kijken meer over de grens van hun unit heen naar wat goed is voor onze klanten. Dat zie je terug in samenwerkingsverbanden tussen units en in investeringsbeslissingen die worden genomen. De “concurrentie” is tenslotte buiten en niet binnen.'

Hendriks kan deze beweging naar een nieuwe organisatie beheerst en doordacht uitvoeren omdat Malmberg opereert in een stabiele, cyclische markt. 'Wel is marktwerking er na de invoering van de wet op de gratis schoolboeken niet op vooruit gegaan, door de consolidatie aan de kant van de distributie en de verplichte aanbesteding. Traditionele boekenfondsen met verhuurmodellen belemmeren de snelheid van innovatie.'
Dat ziet Hendriks bijvoorbeeld terug in de problemen met digitale leveringen die er dit jaar waren. 'Dat is mij echt een doorn in het oog. Docenten en leerlingen willen eenvoudig toegang krijgen via één handeling, maar het is nu onnodig complex georganiseerd. Dat maakt digitale levering voor scholen bovendien duurder dan het kan zijn. Eigenlijk geldt dat ook voor de levering van fysieke boeken. Als je bedenkt hoe vaak een boek wordt verplaatst voor het van de Chinese drukker bij de leerling belandt. Dat moet beter kunnen.'
Toch treden vanuit met name de IT-wereld nieuwe spelers toe op deze markt, die totaaloplossingen bieden aan basisscholen: leermiddelen, software én hardware. 'Gelukkig hebben wij fantastische content, dat blijft ook in de toekomst de basis voor Malmberg. Als wij echter willen groeien, moeten we wel nog meer veranderen van een methode-ontwikkelaar in een aanbieder van oplossingen voor scholen, docenten en leerlingen. Dat betekent dat ook wij onze horizon moeten verbreden.'

Welke kant Malmberg precies op beweegt, kan Hendriks niet zeggen. Hij werkt de komende maanden nog aan zijn strategisch plan. 'Er zijn opties genoeg om te groeien. Denk aan de thuismarkt. Ouders zijn steeds meer bereid te investeren in hun kind. Huiswerkbegeleidingsinstituten schieten als paddenstoelen uit de grond. Een andere optie is de groeiende educatieve corporate markt. Sanoma is daarmee met Sam al gestart: een apart bedrijf dat zich specifiek richt op safety-trainingen en wordt geleid door mijn voorganger Harold Rimmelzwaan.'
Sanoma heeft eerder dit jaar haar belang in de Nederlandse tv-branche verkocht, daarmee ontstaat meer focus op learning; 'Sanoma heeft een prachtige positie in Noord-Europa met vijf marktleiders. Daarbij wordt de digitale transitie door samenwerking met de uitgeverijen in andere landen, zoals het Belgische Van In, versneld. Methodes waren vaak specifiek aan een land gebonden. Maar voor het creëren en uitrollen van digitale oplossingen geldt dat niet. Van Ins Bingel-platform voor het basisonderwijs, is al uiterst succesvol in Zweden en Finland.'
Dat vereist ook op dit niveau een open houding. 'Niet denken dat je zelf de beste van de klas bent, maar van elkaar leren. Als ik naar het succes van Bingel kijk, denk ik: petje af, wat kunnen wij daar mee?'

Wat wel zeker is: op de lokale markt draait het in de toekomst om the battle of the platforms. En dan moet je wel een platform hebben om mee te battelen. Hendriks is daarom 'erg gecharmeerd' van het MAX-model dat Malmberg dit jaar heeft gelanceerd. Het platform, bij de start voor twaalf methodes in het voortgezet onderwijs, biedt alle leerstof digitaal, aangevuld met jaarlijks een eigen boek voor iedere leerling. De technologie is bovendien adaptief en verrijkt met toetsen en tools voor docenten.
'Max is echt een gepaste stap voorruit', zegt Hendriks. En het slaat behoorlijk goed aan, zonder aantallen te willen noemen. 'Het eerste jaar was duidelijk boven verwachting, hoe vaak gebeurt dat? Met Max wordt bovendien het traditionele concept van een methode voor vier tot zes jaar – en in het basisonderwijs nog langer – definitief vervangen door een jaarlijks releasemodel, waarbij leerlingen altijd de meest actuele en bijgewerkte versie hebben. En dat voor een vergelijkbare prijs als een traditionele methode. Niet voor niets hebben Europese collega's al veel belangstelling voor Max.'
Dus ook al heeft Hendriks zijn strategisch plan nog niet klaar, 'de lijnen zijn helder'. Malmberg 'gaat dergelijke modellen verder uitrollen'. En er komt natuurlijk een versie voor het basisonderwijs, al dan niet in samenwerking met onze Belgische collega’s. En dan komt het – uiteindelijk toch zo snel mogelijk, weet Hendriks nu – wel goed met de transitie van het onderwijs.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, nov 2017)

Zie ook:

woensdag 6 december 2017

Interview Onno Wesseling over de prijs die hij van zijn voormalige uitgevers kreeg (Boekblad)

Annemie Jans en Eric Visser, oud-eigenaren van De Geus, geven vijf jaar lang elk jaar 5.000 euro aan een Nederlandstalige auteur uit hun fonds. Eerste winnaar van De Pluim is Onno Wesseling, die twee romans bij De Geus heeft gepubliceerd. Er zijn ook andere manieren dan een zo hoog mogelijk voorschot om een schrijver te laten merken dat je zijn werk graag uitgeeft, vindt hij.

Dat moet een aangename verrassing zijn geweest.
'Héél aangenaam. Annemie en Eric hadden deze prijs een jaar geleden bij hun afscheid aangekondigd, maar ik had er geen rekening mee gehouden dat ik hem zou kunnen krijgen. Toen ze mij en mijn vrouw uitnodigden voor een etentje in een goed restaurant in mijn woonplaats Amstelveen was ik hem eerlijk gezegd alweer vergeten. Ik snapte daarom niet dat er voor nóg twee mensen was gedekt. Na een minuut of tien kwamen uitgever Nele Hendrickx en mijn redacteur Ad van den Kieboom binnen. Waarom? Annemie verloste me gelukkig snel uit mijn lijden: "Herinner je die prijs nog?" Ja, het is echt een heel grote erkenning, ook vanwege de reden waarom ik hem kreeg.'

Want?
'Eric vertelde dat hij bij de oprichting van De Geus vooral verhalenvertellers in zijn fonds wilde opnemen. Zo zie ik mezelf ook: als een verhalenverteller.'

Bent u daarom in 2013 bij De Geus gedebuteerd met De eeuw van Carlos Moreno Amador?
'Ik heb vooral voor De Geus gekozen om hun kritische houding. Toen Sebes & Bisseling mijn boek uitzette, waren uiteindelijk twee uitgeverijen heel enthousiast. De eerste – ik noem geen naam – beloofde al die mooie dingen die je als debutant wil horen, zoals: "we gaan je boek uitgeven als hardcover". De Geus was net zo enthousiast, maar Ad zei óók: "er moet nog wel het een en ander aan je manuscript worden gedaan". Hij gaf daar gelijk concrete voorbeelden van. Dus toen er een veiling kwam en beide ongeveer evenveel boden voor een two book-deal, dacht ik: bij De Geus zullen ze minder snel tevreden zijn en langer met de redactie doorgaan.'

En dat bleek?
'Jazeker. De Geus had een duidelijk idee van wat ze met het boek wilde. Sander van Vlerken, die toen nog uitgever was, besloot toch geen hardcover te maken om de prijs laag te houden. Dat vond ik vervelend om te horen, maar hij kon goed uitleggen waarom.'

Wat gaat u met het prijzengeld van 5.000 euro doen?
'Dat gaat vooral op aan publiciteit. Dat is ook de reden van De Pluim: auteurs ondersteunen die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Dat maakt het ook een prijs van deze tijd, waarin het zo moeilijk is geworden om zonder bestseller toch aandacht te krijgen. Ik ben niet veel besproken in landelijke dagbladen. Dat wil zeggen: een keer, in het Algemeen Dagblad. Daarnaast gebruik ik een deel gewoon om te leven. Schrijven is zoals bekend geen vetpot.'

Wat voor campagne gaat u precies voeren?
'We hebben er wel over gesproken tijdens het etentje, maar dat moet ik nog allemaal uitwerken met Nele, Ad en de andere mensen van Singel Uitgeverijen, die De Geus heeft overgenomen. Ook wil ik de ideeën bespreken met Remco Houtepen van Venstra – de winkel waar ik al mijn hele leven, vanaf het moment dat ik er mijn schoolboeken haalde, vaste klant ben. In de boekhandel weten ze toch het beste wat werkt en wat niet. '

Toch heeft het ook iets geks: hadden Jans en Visser – met alle respect uiteraard – dat geld destijds niet al kunnen investeren in publiciteit voor uw werk?
'Dat vind ik moeilijk om te beantwoorden. Ik ken het beschikbare budget niet. Ik weet ook dat de lezersmarkt erg onder druk staat en alle boeken illegaal kunnen worden gedownload, waardoor het uitgeven van een boek – toch al een gok – nog onzekerder is geworden. Er zijn in het verleden boeken uitgegeven waar behoorlijk op is toegelegd. Niet per se door De Geus, maar door uitgeverijen in het algemeen. Dan kan ik me voorstellen dat een uitgeverij niet te veel risico wil nemen. Tegen die achtergrond kan ik De Geus alleen maar prijzen voor de manier waarop ze mijn boeken in de markt hebben gezet. Er is echt nagedacht over hoe dat het beste kan. Er werd ook serieus geluisterd naar voorstellen van mijn kant.'

Hoe ging dat met Suiker uit 2016?
'Publiciteitsmedewerker Fran van den Bogaert heeft daarvoor fantastisch werk verricht. Dankzij haar zat ik bijvoorbeeld op de radio bij Kunststof en Opium. En alle journalisten die zeiden te reageren, belde ze net zo lang na tot ze inderdaad reageerden. Helaas werkt zij niet meer voor De Geus.'

Geldt dezelfde redenering voor voorschotten en royalty’s? Die hadden niet hoger hoeven te zijn?
'Er zijn ook andere manieren om te laten blijken dat je een schrijver graag wilt uitgeven. Dat ik een two book-deal kreeg bijvoorbeeld, terwijl ik van Suiker nog niet meer dan een concept had.'

Toch zijn er steeds meer uitgeverijen die auteurs hogere royalty’s geven. Steeds meer auteurs exploiteren hun werk zelf om er meer aan over te houden.
'Ik heb het geluk dat mijn vrouw, die operazangeres en -regisseur is, de kostwinnaar is. Ik hoef niet uitsluitend van het schrijven te leven. Dan vind ik het belangrijkste dat ik een uitgeverij heb die probeert zo veel mogelijk lezers voor mijn boek te vinden. Dat doet De Geus. En misschien klinkt hogere royalty’s aanlokkelijk, maar ik weet helemaal niet of dat realistisch is. Of wat voor consequenties dat heeft. Daarvoor weet ik te weinig van de economische aspecten van het uitgeven.'

Tot slot: hoe is het bij De Geus nu Jans en Visser weg zijn?
'Dat ga ik komend jaar merken. Omdat ik sinds de overname druk bezig was met het schrijven van mijn derde boek, heb ik nog weinig te maken gehad met Singel Uitgeverijen. Ik heb het manuscript een paar weken geleden ingeleverd. De fase waarin je echt contact hebt met een uitgeverij begint nu.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 29 nov)

maandag 4 december 2017

Graeme Macrae Burnet, 'Zijn bloedig plan'

Toen ik Zijn bloedig plan van Graeme Macrae Burnet uit had, zocht ik op de websites van de kranten die ik tegenwoordig volg naar recensies. NRC Handelsblad en The Guardian bleken het boek allebei te hebben laten bespreken door de thrillercriticus. Waarom? Uitsluitend omdat de kleine Schotse uitgever van de roman het heeft ondergebracht bij diens imprint voor crime fiction? Een strategie die de Nederlandse uitgever van de vertaling heeft gevolgd door een blurb van een andere thrillerschrijver op de achterflap te zetten. Toch is dit allerminst een thriller.
Zeker, Zijn bloedig plan draait om de drievoudige moord die Roderick Macrae in 1869 heeft gepleegd. Het boek bundelt getuigenverslagen, de geschreven herinneringen van de dader, passages uit de memoires van een criminoloog die zich over de zaak heeft gebogen, medische rapporten, en een verslag van de rechtszaak, gebaseerd op de krantenverslagen van destijds (alles verzonnen, uiteraard). Het gaat dus om een misdaad en de zoektocht naar de juiste loop van de gebeurtenissen, de motieven en de passende straf. Maar dat maakt het toch geen thriller? Als dat het criterium zou zijn, moet je de halve wereldliteratuur als thriller uitgeven en bespreken.
Macrae Burnets roman, die vorig jaar óók op de shortlist van de Booker Prize stond, is absoluut geen ontspanningslectuur, hoe vlot je het boek ook kunt lezen. Het biedt een verontrustende waarheid, zoals literatuur dat doet, door de haarscherpe manier waarop het de menselijke neiging blootlegt te redeneren vanuit zijn eigen vooroordelen. Het plot doet er daarbij totaal niet toe. Ik voelde althans niet een keer de urgente vraag opkomen: hoe loopt dit af? En het slot is – zeer ongebruikelijk voor een thriller – in feite een open einde, omdat de lezer de finale waarheid wordt onthouden.
Anders gezegd. Als dit een whodunnit was, weet je al op de eerste pagina wie het heeft gedaan. Daarna wordt dat ook nooit in twijfel getrokken. En als dit een whydunnit was, zoals veel 'literaire thrillers' heten te zijn, blijf je met de vraag zitten: wáárom dan? De auteur geeft wel aanwijzingen, maar het is aan de lezer zelf om daar het antwoord op te formuleren. Er juist dat maakt dit boek zo confronterend.
Hoe doet Macrae Burnet dat? Door zijn verhaal 150 jaar geleden te situeren stuit je voortdurend op de algemeen aanvaarde waarheden van destijds die nu worden gezien als hemeltergende vooroordelen. Waarheden als: wat jammer dat de arme klasse zo lui is en niets van hun leven weet te maken – terwijl iedere lezer ziet hoe hard ze moeten werken om, onder druk van willekeurige machtsuitoefening van de boven hen gestelden, maar net hun hoofd boven water kunnen houden. Door de gekozen vorm dient de auteur deze waarheden bovendien ongefilterd op, waardoor ze des te stuitender zijn.
Zelfs de man van de wetenschap, die op de hoogte is van de laatste inzichten in het gloednieuwe vakgebied van de criminologie, is tenenkrommend in zijn afkeer van iedereen die niet zo hooggeleerd en verfijnd is als hij. Zijn van hautaine eigendunk doordrenkte memoires zijn walgelijk: al die onzin over de criminele klasse, waarin het uiterlijk verraadt hoe groot de neiging tot moord is. Hoe modern hij ook zegt te zijn, hij lijkt het achterlijkst en inhumaanst van allemaal te zijn.
Maar wat blijkt? Juist deze man zou weleens de waarheid over Roderick Macrae's motieven bloot hebben kunnen leggen – waardoor deze heel wat minder een slachtoffer van de omstandigheden is dan je een heel boek lang geneigd bent te denken. Dat doet je beseffen dat je anno 2017 wel kunt menen dat je zoveel geciviliseerder en genuanceerder bent dan die domme negentiende-eeuwers die zich door hun religieus geïnspireerde waanbeelden laten leiden, maar dat ook jij je door een gekleurde bril kijkt – door te oordelen op basis van de sympathie of antipathie die iemand opwekt. Heel knap.
(Ondertussen heb ik toch geprobeerd niets weg te geven. In een recensie hou je het plot geheim. Zeker van een thriller.)

zondag 3 december 2017

Interview: uitgever Otto Venema (Noordhoff) over 'De bosatlas van het Nederlandse voetbal' (Boekblad)

De De Bosatlas van het Nederlandse voetbal kwam niet zo hoog binnen in de Bestseller 60 als uitgever Otto Venema van Noordhoff had gehoopt. Hij besloot de marketing en communicatie te intensiveren.

Hoe was uw week?
'Na de hectiek rond het verschijnen van De Bosatlas van het Nederlandse voetbal heb ik me weer gericht op nieuwe producties. De Bosatlas van de veiligheid bijvoorbeeld, die we hebben gemaakt in opdracht van onder meer de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid, Schiphol, de gemeente Den Haag en GGD GHOR, en die volgende week verschijnt. Ook zijn we al bezig met de voorbereidingen voor atlassen voor 2018.'

Heeft u ook uitgekeken naar de Bestseller 60 van deze week?
'Natuurlijk. De Bosatlas van het Nederlandse voetbal is een nieuw soort atlas voor ons, waarmee we ons voor het eerst begeven op de sportmarkt. Hij is gemaakt voor de dwarsdoorsnede van atlasliefhebbers én voetballiefhebbers. Hoe groot is die dwarsdoorsnede? Dat is voor ons ook spannend.'

De uitgave kwam binnen op 47. Wat zegt dat dan?
'Moeilijk om te zeggen. Ik ben zelf in februari begonnen in deze functie, het is mijn eerste atlas voor de algemene markt. In gesprekken met mijn voorganger en collega's van marketing ga je wel vergelijken met eerdere uitgaven. Hoe deed bijvoorbeeld De Bosatlas van Amsterdam het in de eerste week? Maar misschien moet je dat helemaal niet doen.'

Ging er gejuich op bij die notering of nam u een golf van teleurstelling waar?
'Toch eerder het laatste. Het mocht wel iets hoger. We hebben deze week dan ook gesproken over de mogelijke oorzaken. Eerdere publieksatlassen verschenen begin oktober, nu een maand later. Wat voor verschil maakt dat? Of heeft deze atlas meer aanlooptijd nodig? De Bosatlas van het Nederlandse voetbal was in ieder geval goed in het nieuws. Daar lag het zeker niet aan.'

Heeft Noordhoff gelijk nieuwe marketingplannen gesmeed?
'Daar hebben we beslissingen over genomen, ja. De vraag is vooral: ligt het boek wel overal bij de boekhandel? En als het niet zo is, waar niet? We richten ons opnieuw tot de boekhandel. Ook gaan we de amateurverenigingen benaderen. Het laatste deel van de atlas is een kaart van Nederland waarop alle voetbalclubs staan, verdeeld over de zes districten. We willen graag dat clubs die in hun kantine hangen – ook als promotie voor de atlas – zodat ze kunnen zien waar hun tegenstanders liggen.'

Dit zijn allemaal vervolgplannen. Waarom wilde Noordhoff aanvankelijk een atlas over voetbal uitgeven?
'Omdat voetbal zo enorm leeft in Nederland. Er zijn wel acht tot negen miljoen mensen die er iets mee hebben. En je kunt er geografisch veel mee. Niet alleen: waar zijn de stadions gevestigd? Ook: hoe groot is het verzorgingsgebied? Ofwel: waar zitten de seizoenkaarthouders? En: hoe ver woont iedereen van een voetbalclub? Deze atlas is uniek in de wereld. Alleen in Italië vonden we een voetbalatlas, maar dat is niets meer en niets minder dan: waar zitten de voetbalclubs. Wij gaan véél verder.'

Toch ervaar ik deze atlas als specifieker dan eerdere atlassen over geschiedenis of klimaat.
'Dat vind ik niet. Voetbal is niet specifieker, maar eigenlijk veel breder. Je kan met voetbal zo veel kanten op. Je kunt inzoomen op clubs, maar ook op thema's als commercie, maatschappij, het spel zelf. En steeds zoek je daarbij verbinding met de kaart, dat wil zeggen het geografisch relevante. Als er een groot verschil is met eerdere thematische atlassen, is het juist dat we veel langer hebben gesproken over de inhoud, juist omdat je zoveel kanten op kan. Bij een atlas over voedsel weet je wat daarin hoort. Bij een atlas over energie is het nog duidelijker. In dit geval hebben we aardig wat discussie gevoerd.'

Heeft Noordhoff dan ook langer aan deze thema-atlas gewerkt?
'Dat niet. Toen ik begon als atlasuitgever lag er nog niet veel. Ik kon er vanaf het begin mijn bijdrage aan leveren. De projectleider heeft trouwens niet zo veel met voetbal. Zij dacht: dat is toch niet meer dan een leuk spelletje? Maar ook zij ontdekte gaandeweg hoezeer voetbal een spiegel van de maatschappij is, zoals ik dat in het voorwoord van de atlas heb genoemd. Zij werd daardoor steeds enthousiaster.'

Kan het zijn dat juist de atlasliefhebbers op wie jullie je met deze uitgave óók richten hetzelfde beeld hebben en hem daarom niet meteen massaal aanschaffen?
'Ja. Dat zou kunnen. Daarom heeft deze atlas iets meer tijd nodig om zijn publiek te bereiken. Maar als ze hem lezen, zullen ze heel enthousiast zijn. We krijgen sinds verschijnen echt heel veel positieve reacties. Daarom is het ook zo belangrijk dat deze atlas goed in de boekhandel ligt.'

Hoe hoog staat De Bosatlas van het Nederlandse voetbal volgende week in de Bestseller 60?
'Een voorspelling! Dat hoort natuurlijk bij voetbal, laat ik me er daarom aan wagen. Ik denk dat deze uitgave in de top tien komt, maar nog niet volgende week. Dus: 25.' [UPDATE: Hij zat er niet ver naast, het boek steeg naar 22.]

En vandaag gaat u zelf ook voetballen?
'Nee, dat niet. Ik tennis dit weekend. Binnen. Maar ik ben zeker een voetballiefhebber. Ik volg het nieuws over voetbal en kijk vanavond Studio Sport.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 26 nov) 

Zie ook:

vrijdag 1 december 2017

Onno Blom is in biografie loyaal aan Wolkers – niet aan de lezer (Athenaeum Boekhandel)

Onno Blom heeft er in zijn biografie van Jan Wolkers voor gekozen om diens levensverhaal van binnenuit te vertellen. Omdat hij die keuze zo radicaal doorvoert is Het litteken van de dood, hoe vaardig ook geschreven, onbevredigend.

De geest van Jan Wolkers is nog springlevend. De biografie van Onno Blom was na verschijnen niet aan te slepen, zo graag wilde het publiek nog eenmaal in de nabijheid van de unieke persoonlijkheid van de schrijver vertoeven. Na een herdruk waren binnen tien dagen 30.000 exemplaren van Het litteken van de dood in druk. Opmerkelijk veel voor een biografie van duizend pagina's dik. Er ontstond zelfs een schandaal – toepasselijk voor een biografie van een auteur om wie voortdurend rumoer ontstond. Bloms biografie was aanvankelijk unaniem afgekeurd door de promotiecommissie, waarna ongebruikelijk snel een nieuwe commissie de herziene versie alsnog goedkeurde. Ook unaniem trouwens.
Het schandaal – toegegeven, een groot woord – deed opnieuw de discussie over de criteria van een goede biografie ontbranden. Vertel je een levensverhaal? Of plaats je dat in de context van zijn tijd, de literatuurgeschiedenis of een bepaalde groep? Blom koos voor het eerste. Er stond hem zo'n compleet archief tot zijn beschikking dat hij het leven van Wolkers van binnenuit wilde vertellen. En Wolkers dacht nu eenmaal niet over zichzelf als bijvoorbeeld een exponent van de jaren zestig, ook al demonstreerde hij in die tijd actief tegen de Vietnamoorlog en het politieoptreden tegen de provo's. Het ging hem alleen om het maken van kunst, omdat hij daarin de vrijheid vond die zijn tirannieke vader en zijn dwingend geloof hem ontzegde.

Blom werkt dat levensverhaal vaardig uit. De literair journalist (sinds kort verbonden aan de Volkskrant) schrijft vlot en helder, terwijl hij zelf op gepaste afstand blijft. Hij vestigt nooit de aandacht op zichzelf met pedante terzijdes of nodeloze taalbloempjes. Hij gunt zijn hoofdpersoon alle ruimte. Blom staat, ondanks de lengte van de biografie, bovendien nooit te lang stil bij de passages in Wolkers' leven. Sommige schrijversbiografieën bespreken bijvoorbeeld alle recensies van alle boeken. Blom beperkt zich tot een paar uitschieters of typerende oordelen. Zo blijft van geboorte in 1925 tot het overlijden in 2007 voortdurend de vaart erin, waarna de indruk overblijft dat alles aan de orde is gekomen wat besproken had moeten worden.
De biograaf is zeker niet kritiekloos. Hij verlaat zich nooit alleen op Wolkers' archief. Als hij op tegengeluiden stuit, meldt hij die óók. Terwijl de auteur van Turks fruit zelf zich erop voor liet staan dat in zijn veelal autobiografische verhalen alles precies zo is gebeurd als hij beweert, is er ook een zekere Jan de Heer. Met hem had Wolkers na de bevrijding 'het tillenbeest' gestolen uit Kasteel Oud-Poelgeest, waarover hij zijn debuutverhaal schreef. Volgens De Heer 'was [Jan] geniaal in het vertellen van verhalen die niet altijd de gehele waarheid weergaven'. Zo had Wolkers de tweede sfinx niet in een verlaten latrine gegooid, zoals hij schreef, maar gewoon op het terrein achtergelaten. En trouwens, De Heer was helemaal geen angstige, bleke jongen.

Toch is Het litteken van de dood onbevredigend. Dat komt omdat Blom de keuze om het levensverhaal te vertellen zo radicaal heeft doorgevoerd. Hij geeft geen enkel expliciet oordeel, biedt amper context en beperkt zich tot hooguit een korte analyse. Hij laat het volledig aan de lezer om conclusies te trekken. Maar de lezer van een biografie is daar bijna per definitie niet toe in staat. Hij heeft daarvoor te weinig kennis – niet van het tijdperk waarin Wolkers furore maakte, niet van zijn oeuvre, niet van de netwerken waarbinnen de schrijver opereerde. Misschien heeft hij op een enkel gebied, al dan niet beroepshalve, voldoende achtergrondinformatie paraat, maar absoluut niet op alle terreinen die deze biografie beslaat.
Neem het oeuvre van Wolkers. Blom behandelt alle verhalen, romans en toneelstukken: van 'Het tillenbeest' en andere verhalen uit zijn debuutbundel Serpentina's petticoat uit 1961 tot het boekenweekgeschenk Zomerhitte uit 2005 en enkele onafgemaakte fragmenten uit de nalatenschap. Maar hij bespreekt ze geheel los van elkaar. De ontwikkeling in het oeuvre? Hoe het zich verhield met de literaire stromingen van zijn tijd? Je krijgt geen idee. Daardoor weet je niet wat al die boeken betekenden. Ook niet voor Wolkers zelf, behalve dan dat hij altijd een noodzaak voelde om deze verhalen te schrijven. En dan weet ik nog iets van de literatuurgeschiedenis. Over de betekenis en waarde van Wolkers werk als beeldend kunstenaar, tast ik nog steeds in het duister.
Daar komt bij dat Blom te veel meegaat met Wolkers. Hij heeft niet alleen vaak het verhaal verteld in diens woorden 'om hem nabij te brengen'. Hij kiest ook vaak zijn kant. Een mooi voorbeeld is de 'geheime Liebe' die Wolkers in 1954 beleefde met een model van de Sommerakademie in Salzberg, die hij volgde bij Giacomo Manzù. Hij zou in de bioscoop met haar hebben gevreeën – waarna ze met Manzù trouwde. Maar enig bewijs ontbreekt, anders dan het vele jaren later opgeschreven verhaal. Het circumstantial evidence dat Wolkers elders zo vaak de exacte werkelijkheid beschreef, is in dit geval onvoldoende. In de geschiedenis van Wolkers' seksuele bevrijding, die Blom zo goed zichtbaar maakt, is dit avontuurtje op dat moment ongeloofwaardig.

Zo groeit langzaam het gevoel dat Bloms loyaliteit niet lag bij de lezer, bij wie hij had moeten liggen, maar bij zijn hoofdpersoon. Dat blijkt ook uit kleine passages waarin zijn oordeel wel degelijk doorschemert. Zo schrijft hij na publicatie van De onverbiddelijke tijd in 1984 dat Wolkers' werk na de unanieme lof bij de aanvang zijn carrière steeds meer plaatsmaakte voor kritiek. 'Mede vanwege zijn succes bij de massa', staat er dan, 'was het onder literaire critici bon ton geworden om zijn werk te minachten.' Dat is te kort door de bocht. Even later meent Blom dat Wolkers daarna geen romans meer schreef vanwege zijn jonge tweeling. Terwijl hij in de eerste, vermoeiendste jaren drie romans had voltooid! Daar was een diepere analyse op zijn plaats.
Het litteken van de dood biedt daarom niet meer dan het genoegen om tijdens vele uren leesplezier in de nabijheid van Wolkers' persoonlijkheid te vertoeven. Ik had toch op iets meer gehoopt.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl)

Zie ook:

woensdag 29 november 2017

Iemand die zich in dezelfde stroom bevindt als jij. Over 'De mensengenezer' van Koen Peeters (Ons Erfdeel)

Zoals zo veel andere auteurs besluit Koen Peeters zijn roman De mensengenezer met het bedanken van de personen die hem behulpzaam zijn geweest bij het schrijven, het verantwoorden van de bronnen die hem ten dienste stonden en het noteren van enkele slotopmerkingen. Alleen: dit noemt de auteur geen ‘dankwoord’ of ‘nawoord’, dat volgt op de vertelling. Nee, deze tweeëneenhalve pagina vormen hoofdstuk veertig. Het maakt integraal onderdeel uit van de roman.
Peeters onderstreept hiermee dat De mensengenezer draait om de bemiddelaar. Alleen via anderen kun je de kluwen van gedachten en gevoelens in jezelf ontwarren en zo jezelf en je bestemming vinden. Dat geldt voor de hoofdpersoon Remi die zijn lange zoektocht van de Vlaamse Westhoek naar een kleine nederzetting in de Congolese brousse uit de doeken doet. Dat geldt voor de verteller van De mensengenezer voor wie Remi zo’n bemiddelaar is. En dat geldt voor Peeters zelf, die zonder de hulp van mensen en boeken nooit tot de kern van deze roman had kunnen komen. Die ook hij heeft geschreven om zichzelf en zijn bestemming dichter proberen te naderen.
‘Voor iedereen die deze Congoroman goed wil begrijpen,’ waarschuwt hij in het laatste hoofdstuk, ‘ik wil met dit verhaal geenszins het zogenaamd zwarte, het primitieve, het hart van de duisternis in hen, in Afrika aanduiden, maar veeleer wil ik het scherp aanwijzen in ons. Dat betekent: in de lezer en in de schrijver. Want eenieder zoekt op elk moment van de tijd, op elke plaats ter wereld, zijn eigen duistere raadsels uit.’

Wat het duistere geheim van Remi’s leven is en wie hem op welke manier helpt om het richting te geven, maakt Peeters niet expliciet duidelijk. Een mens en zijn levenswandel zijn daar te ongrijpbaar voor. Niet voor niets benadrukt de verteller, die Remi’s verhaal optekent terwijl hij tegelijkertijd na veertig jaar alsnog de scriptie schrijft voor de man die ooit zijn professor was, herhaaldelijk dat hij de vinger niet achter de abstracte ‘grote gedachten’ krijgt die zijn leermeester op apodictische toon kan vertellen.
Het enige materiaal waar je betekenis aan kunt ontlenen – als lezer van deze roman, maar ook wanneer je andere mensen probeert te begrijpen – is zoals altijd de opsomming van kale feiten. Peeters beschrijft hoe boerenzoon Remi opgroeit in de Westhoek, intreedt bij de jezuïeten, zijn vorming ontvangt in de abdij van Drongen en het seminarium van Heverlee, als missionaris naar Congo vertrekt en eindigt in een dorp van de Yaka, waar hij de enige blanke is. Daar weet hij dat zijn zoektocht ten einde is. Hij kan terug naar België, uittreden en zijn werkelijke roeping volgen – als antropoloog en psychoanalist.
Wat hem heeft weggejaagd was een stem die hem aanspoorde mensen te gaan genezen. Hij groeide op in een zwijgzaam gezin, waar geheimen onbesproken bleven om zich te kunnen concentreren op het werk, te midden van de restanten van de Grote Oorlog: de bommen die werden opgegraven, de kerkhoven, de verhalen daarover. Hij voelde zich omringd door verwonde mensen, ook al waren die die al enkele decennia geleden gestorven. Aan zo’n stem moet een mens gehoorzamen. Maar hoe? Door het kader van katholiek Vlaanderen waarin Remi opgroeit kon hij de roeping om mensen te genezen maar op een manier invullen: als dienaar van god.
In werkelijkheid was er veel dieper in hem een ander zaadje geplant die hij moest laten ontkiemen om zijn leven nut en betekenis te geven. Dat zaadje kreeg hij van zijn oom Marcel, toen die hem vertelde over de Congolese soldaat Pius die hij had leren kennen tijdens de oorlog. Als Remi last had van kwade dromen, moest hij het geheime woord uitspreken dat Marcel van Pius had geleerd: carabouya. Het was een bezwering die hem genas: de eerstvolgende nacht had hij nergens last van. Korte tijd later wijst Marcel hem op de globe aan waar Pius vandaan komt.
Het is dit spoor dat Remi uiteindelijk volgt. Het begint met een zoektocht naar het onvindbare graf van Pius, het eindigt met een reis naar diens wortels. Hoe ouder Remi wordt, hoe meer hij te weten komt over Congo, de inwoners, hun in zijn ogen zo mysterieuze gewoonten. Pas als hij bij de Yaka is en tegelijk met de dood van zijn moeder een crisis doormaakt waarvan hij zelf moet worden genezen doordat de medicijnmannen in het dorp contact leggen met het onzichtbare en onzegbare, begrijpt hij op een even onzegbaar niveau de kracht van de bezwering.

Zoals in al zijn werk schuwt Peeters in De mensengenezer heldere richtingaanwijzers om het verhaal te duiden. Maar het verhaal zit vol spiegelingen, parallellen en verwijzingen die minstens zo veel aanleiding geven om te interpreteren als de beroemdste roman over een reis naar de binnenlanden van Congo: Joseph Conrads Heart of Darkness. Wat is bijvoorbeeld de verhouding tussen de zogenaamd troebele magie van Afrikaanse waarzeggers en de schijnbaar onwrikbare zekerheden van westerse priesters?
Peeters legt Remi ook meerdere fraaie theorieën in de mond waarmee je je eigen afkomst kunt begrijpen. Die over de geest, genius en daimon bijvoorbeeld. De geest is ‘de familiegeest die jou je leven beïnvloedt, genetisch maar ook door gesprekken en oude familiehistories.’ De genius is de plaatsgeest: de plek waar je vandaan komt en die je pas begrijpt als je ervan wegtrekt. En de daimon is natuurlijk de bemiddelaar die je op weg helpt. Iemand die, zoals Remi zegt, zich in dezelfde stroom bevindt als jij en je daarom kan aanraken.
De rijkdom van de gebeurtenissen en grote gedachten maakt De mensengenezer tot een wijs boek over afkomst en bestemming, dat zonder twijfel een hoogtepunt is in het oeuvre van Peeters. Het is de roman die daarom zélf de rol van bemiddelaar kan spelen. Want is niet iedere geslaagde roman – of werk van non-fictie, zoals blijkt uit Remi’s levensverhaal – een middel waarmee de lezer zijn eigen duistere raadsels onderzoekt? De mensengenezer deed dat in ieder geval voor mij.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2017/4)

Zie ook:

zaterdag 25 november 2017

Honger naar andermans leven - Waarom de (auto)biografie zo succesvol is

Kijk naar Mijn verhaal van Johan Cruijff – nr. 4 in de top 100 van best verkochte boeken in 2016. Of naar de verkoopcijfers Born to Run van Bruce Springsteen, Thomas Dekkers Mijn gevecht of de herziende editie van Diana. Haar verhaal. En hoe gretig wordt er niet uitgekeken naar de autobiografieën van de Obama's? De Amerikaanse uitgeverij Penguin Random House had maar liefst 65 miljoen dollar over voor de wereldrechten op beide boeken. En dat nadat Barack Obama's Dromen van mijn vader al zo'n hit was.
Levensverhalen worden steeds populairder. Voor een deel komt dat door een groeiende behoefte aan ‘echt gebeurd’ die je alle media terugziet, denkt Eric Palmen, hoofdredacteur van Biografieportaal.nl. “Het loopt gelijk op met de opkomst van bijvoorbeeld reality-tv. Er is een cultuur ontstaan waarin waargebeurde verhalen waardevoller lijken dan verzonnen verhalen. Hoewel dat eigenlijk onzin is: ook een biografie is geschreven vanuit een bepaalde visie en daarom een gefabriceerd verhaal.”
Tel daar de opkomst van een celebrity-cultuur bij op en je begrijpt waarom biografieën en autobiografieën zo'n succesvol genre zijn. Palmen: “Het is vanzelfsprekend geworden om beroemde mensen via sociale media te volgen. En de definitie van wie beroemd is, wordt steeds verder opgerekt. Sluit een groep mensen op in een huis, zet er een camera op en je hebt weer nieuwe beroemdheden naar wie velen nieuwsgierig zijn. De eerste Big Brother-deelnemers schreven trouwens al autobiografieën.”

Voetnoot in de geschiedenis
Ook op een andere manier profiteert de biografie van de toegenomen belangstelling voor non-fictie, zoals geschiedenisboeken. De lotgevallen van een enkel leven is een ideaal prisma om het verleden te begrijpen. Lees over Churchill – zoals het succesvolle De Churchill factor van Boris Johnson – en je snapt meer van de cultuur en veranderingen van het Groot-Brittannië in de eerste helft van de twintigste eeuw, dan welke analytisch boek over politieke afwegingen en maatschappelijke ontwikkelingen je zou kunnen leren.
Er worden dan ook steeds meer biografieën geschreven. Monica Soeting, bestuurslid van de International Auto/Biography Association en biografe van de meisjesboeken-schrijfster Cissy van Marxveldt, herinnert het zich nog goed. “Toen ik begin deze eeuw hoofdredacteur van Biografie Bulletin was, publiceerde dat tijdschrift achterin een lijst van verschenen en te verschijnen biografieën. Daar zijn we op een gegeven moment mee opgehouden. Het viel niet meer bij te benen.”
Vroeger, vertelt Soeting, bestond het idee dat iemand een biografie moest verdienen. Alleen wie echt beroemd of belangrijk was, kreeg een biografie. Dat is helemaal voorbij. Van iedereen over wie een interessant verhaal is te vertellen, wordt het leven geboekstaafd. Ook als die persoon niet meer dan voetnoot in de geschiedenis was. Een mooi voorbeeld is Allene Tew – hoofdpersoon van De Amerikaanse prinses van Annejet van der Zijl. Wie had voor dit boek ooit van deze peettante van prinses Beatrix gehoord?
Er heerst een vrolijke, maar uiterst creatieve anarchie in de wereld van biografen. Soeting: “Alles kan. Biografieën van een stad of familie, zoals de familie-Six. Biografieën die niet het hele leven van begin tot eind beschrijven.” Denk weer aan Annejet van der Zijl: haar biografie van Prins Bernhard houdt op na de Tweede Wereldoorlog. “Ook het idee dat iemand al is geweest, is passé. Over een al gebiografeerd leven kun je een heel ander, maar even interessant verhaal vertellen.”

Het waardevaste medium
Wie liever zijn eigen verhaal vertelt, doet dat steeds makkelijker. In een tijdperk waarin iedereen zich via Twitter en Facebook van zijn beste kant laat zien, wordt een autobiografie niet meer als ijdelheid gezien (al zijn er genoeg beroemdheden die om die reden een biografie afslaan). Gestimuleerd door uitgevers die willen profiteren van het succes van het genre, is het maar kleine stap om naar de pen te grijpen. Bovendien: juist in de kakofonie van sociale media wil iedereen zijn eigen verhaal voor eeuwig vastleggen. Dan is een boek hét waardevaste medium.
Lezers kunnen steeds vaker kiezen uit een biografie of autobiografie over dezelfde persoon, zoals bijvoorbeeld Johan Cruijff. Ze hebben allebei hun voordeel. Een autobiografie geeft de sensatie van nabijheid: de beroemdheid vertelt van binnenuit hoe hij het heeft gedaan of beleefd – al dan niet via een ghostwriter, vaak in het colofon aangeduid als de persoon die de 'redactie' verzorgde. Maar een biograaf kan mythe en waarheid scheiden door ook andere bronnen aan te halen.
Hetzelfde geldt voor geautoriseerde en niet-geautoriseerde biografieën. De eerste heeft als voordeel dat de biograaf beschikking krijgt tot uniek bronnenmateriaal. Hoe goed zou Cees Fasseurs biografie van Koningin Wilhelmina zijn geweest zonder toegang tot het Koninklijk Archief? Maar een niet-geautoriseerde biograaf kan zich makkelijker onafhankelijk opstellen. En die smeuïge biografie schrijven vol gruwelijke waarheden die de gebiografeerde het liefst geheim had gehouden. Zie Eva Roovers recente biografie van Boudewijn Büch, waarin ze de schrijver/presentator haarfijn ontmaskert.

Nooit te dik
Uiteindelijk maakt het niet uit wat voor soort (auto)biografie je het beste open kunt slaan, vinden Palmen en Soeting. In elk type geeft iemand een visie op het leven zelf. “Eigenlijk zijn er alleen goede en slechte biografieën”, zegt Palmen. “In een slechte biografie presenteert iemand alleen de bronnen of de feiten zonder die in een context te plaatsen. In een goede biografie doet de schrijver dat wél – of hij dat nu over zijn eigen leven of dat van een ander doet. Hij laat zien waarom Harry Mulisch een mythe van zichzelf maakte. Of hoe een tijdperk of locatie een leven heeft gevormd. Elke visie is goed, zolang de biograaf maar een verhaal wil vertellen.”
Daarom kan een biografie nooit te dik zijn – dé klacht die altijd terugkeert over biografieën, dit najaar ongetwijfeld ook over de langverwachte Wolkers-biografie van Onno Blom (1168 pagina's!). Soeting: “Over een roman zeg je toch ook nooit dat hij te dik is? Als er maar een heldere visie is, die doordacht wordt uitgewerkt. Alleen als je de feiten krijgt zonder enige interpretatie is een tekst al snel te lang. Niet voor niets leest niemand een Wikipedia-lemma van a tot z.”

De favoriete biografie van Eric Palmen
Andreas Burnier. Metselaar van de wereld van Elizabeth Lockhorn. “Het is geschreven uit bewondering voor deze schrijfster/criminologe, maar absoluut geen hagiografie. Je krijgt een fantastisch perspectief op een joods meisje dat de oorlog overleeft via zestien onderduikadressen om te ontdekken dat ze in een verkeerd lichaam zit, de jaren vijftig in kroegen verprutst om daarna een boegbeeld van de homo-emancipatie te worden.”

De favoriete biografie van Monica Soeting
De drie tegelijk verschenen biografieën van koningen Willem I, Willem II en Willem III. “Deze drie biografen plaatsen hun levens zo goed in een context dat het als een eyeopener werkt. Zo begrijp je heel goed dat de Nassau's functioneerde als Europese adellijke familie voor wie het niets uitmaakt wélk land ze hebben, Polen of Nederland, maar in de loop van de 19e eeuw gedwongen steeds nationaler worden. En alle drie geweldig geschreven.”

De bestverkochte (auto)biografieën van 2016
1. Mijn verhaal - Johan Cruijff
3. De Amerikaanse prinses - Annejet van der Zijl
4. Thomas Dekker. Mijn gevecht - Thijs Zonneveld
5. Juliana - Jolande Withuis
(Eerder verschenen in Present, het krantenmagazine van boekhandel Paagman in Den Haag)