woensdag 30 maart 2016

Joël Dicker, 'Het boek van de Baltimores'

Inderdaad, Joël Dicker lees je niet om een shot literair genot. De Zwitserse auteur gaat clichés niet uit de weg. In Het boek van de Baltimores kwam ik al snel een zin tegen als: 'Je moet wel onder een rots hebben geleefd, wil je niet weten wie Alexandra Neville is' (of zoiets, ik citeer uit het hoofd). Toen wist ik genoeg.
Toch heeft de stijl wel iets opgeruimds dat ik prettig vind om te lezen: met al die grote woorden die Dickers ook nog eens onderstreept door nooit te beweren dat een personage iets is, maar altijd 'heel erg' iets is. Bijvoorbeeld: 'Woody was heel erg goed in American football, een echte ster, waar tegenstanders verschrikkelijk veel ontzag voor hadden' (ik citeer weer uit het hoofd).
De belangrijkste reden om Dicker te lezen is – het is al vaak gezegd – zijn fantastisch vermogen om een ingewikkeld plot met perfect gevoel voor timing uit de doeken te doen. Hij geeft precies op het juiste moment nieuwe brokje informatie. Hij laat alle personages van belang zijn. In Het boek van de Baltimores werken heden en verleden daarbij mooi op elkaar in. En tot op het laatst wordt de lezer verrast terwijl de gebeurtenissen toch volkomen logisch zijn.
Maar wat ik vooral goed vind is de manier waarop hij de, noodzakelijkerwijs lange, voorgeschiedenis relevant maakt. Ik heb spannende boeken gelezen die lange tijd voortkabbelen – en dan valt er een lijk en komt de handeling eindelijk op gang. Ik denk aan een Saskia Noort die ik ooit las, de titel is me ontschoten. Wat Dicker daarentegen vertelt over Marcus' verhouding met zijn neven, de onderlinge relatie tussen die neven, de grote zorgzaamheid waarmee hun vader Saul zich over hen ontfermt et cetera. Je vóélt meteen dat Het Drama, waar je dan nog niets van weet, daarmee te maken heeft. Wat ook het geval bleek.
Daarom heb ik Het boek van de Baltimores met veel plezier gelezen.

maandag 28 maart 2016

Jim wie is dood? (Jim Harrison dus)

Groot nieuws eerste Paasdag op Teletekst, waar ik het als eerste las, en ook op andere media die sterk leunen op persbureaus: de Amerikaanse bestsellerschrijver Jim Harrison is op 78-jarige leeftijd overleden. Bekend van het verfilmde Legends of the Fall, zeer succesvol, vertaald in meer dan 25 landen, vergeleken met Faulkner en Hemingway. Aldus pagina 128 op Teletekst.
Jim Harrison dus. Waarom deed die naam bij mij geen belletje rinkelen? Alleen de genoemde titel riep associaties op – aan de film inderdaad, die ik niet heb gezien maar waarvan ik meen dat Brad Pitt er de hoofdrol in speelt. Als hij werkelijk zo’n grootheid was, moet ik Harrison kennen. Het leek me echter waarschijnlijker dat het belang van deze dode schromelijk werd overdreven.
Ik heb eens wat gesurft. Wat blijkt uit de catalogus van de KB. In 1981 is van zijn hand Wraak en andere novellen bij De Arbeiderspers verschenen. Dat is alles wat er ooit van Harrison in het Nederland is vertaald. Via Boekwinkeltjes.nl is een exemplaar van het boek voor 4 euro te koop.
Natuurlijk telt deze obscure Nederlandse uitgave mee bij ‘vertaald in meer dan 25 landen’. Toch kan hij internationaal nooit zo’n succes zijn geweest. Op Wikipedia is er in slechts vier talen een pagina aan Harrison gewijd: Engels, Duits, Frans en Spaans. Ook in het Duits, krijg je dan de indruk, zijn maar weinig titels vertaald. In het Frans wel. Dat is een behoorlijke opsomming.
En die vergelijking met Faulkner en Hemingway? Die staat ook op Wikipedia. Met als bron een biografie van Harrison elders op internet. Daar valt de naam Faulkner in het geheel niet. En de relatie met Hemingway is zeker niet alleen positief. ‘Harrison’s first three novels resulted in many attacks by critics who saw him as a stereotype of the Hemingway myth: a writer obsessed with the macho male activities of hunting, drinking, and manly sex.’
Dus waarom was zijn dood in godsnaam groot nieuws op Eerste Paasdag? Eigenlijk schreef ik het al: een te grote afhankelijkheid van Amerikaanse persbureaus als Reuters en Associated Press. Die brachten het als groot nieuws. En redacteuren van Teletekst, Nu.nl maar ook van bekendere media hebben onvoldoende kennis van literatuur om daar de vraag bij te stellen of Harrisons dood ook voor Nederland groot nieuws is.

Zie ook:

zondag 27 maart 2016

Ging Knausgards voetbalcorrespondentie maar wat minder over voetbal (Athenaeum.nl)

Karl Ove Knausgard en Frederik Ekelund hielden een briefwisseling bij tijdens het WK voetbal van 2014. Uit & thuis gaat gelukkig ook over ‘vriendschap en andere zaken van levensbelang’, zoals het in de ondertitel luidt. Het WK is al te lang geleden om hun verhalen daarover net zo boeiend te vinden als wat ze over hun eigen leven hebben op te merken. Lees de recensie van Maarten Dessing.

Zo denken ze dus in de rest van de wereld over het Nederlandse voetbalelftal van de laatste jaren – nog voor de beschamend eerloze wijze waarop Nederland afhaakte voor het EK van deze zomer. Dit schrijft de Noorse schrijver Karl Ove Knausgard, wereldberoemd geworden met zijn roman-in-zes-boeken Mijn strijd, aan zijn vriend Fredrik Ekelund na afloop van Mexico-Nederland op het laatste WK:

‘Het is inderdaad eigenaardig dat er zo veel negatiefs aan Nederland kleeft – die verschrikkelijke finale van het WK van 2010, toen ze te hard speelden (er moet heel wat gebeuren voor ik dat schrijf) en nu die schwalbes van Robben – juist dát kunnen we hem niet vergeven, het maakt niet uit hoe fantastisch hij heeft gespeeld – terwijl het eigenlijk van oudsher die goede ploeg is die iedereen wil zien winnen (…). Al die fantastische spelers die ze hebben gehad. (…) En nu Van Persie, Robben – maar het maakt me niet meer uit, ik wil dat ze er in de kwartfinale uit vliegen, of in de halve finale totaal vernederd worden door Argentinië.’

Wij waren achter onze tv’s opgetogen over de magistrale 5-1 tegen Spanje waarmee het WK werd geopend. Wij aanvaardden Robbens uitleg dat zijn valpartij tegen Mexico géén schwalbe was. Wij kregen steeds meer vertrouwen in de meesterzetten van bondscoach van Louis van Gaal, die een hecht team smeedde en iedere tegenstander tactisch de baas leek. Waarom hadden we geen wereldkampioen kunnen worden? We waren er zo dichtbij in de halve finale tegen Argentinië. De klinkende 3-0 tegen Brazilië om het brons leek niet meer dan een terechte bekroning. En vervolgens schrijft de Zweedse auteur Ekelund, wiens werk nooit in het Nederlands is vertaald, doodleuk:

‘Nederland heeft tijdens de WK-finale in Zuid-Afrika in 2010 zijn eigen handelsmerk vermoord door heel grof te spelen, en een bezoedeld handelsmerk in ere herstellen, is bijzonder moeilijk.’

Pijnlijk om te lezen.
Of is het, in het voorjaar van 2016, vooral vervelend? Het WK in Brazilië ligt inmiddels bijna twee jaar achter ons. Het doet vreemd aan om nu te lezen wat twee schrijvers van de wedstrijden en de atmosfeer vinden en hoe ze verwachten dat de rest van het toernooi verloopt. Dit is immers geen reconstructie van het WK, waarin bijvoorbeeld wordt geanalyseerd waarom Duitsland voorbestemd was de titel mee naar huis te nemen. Dit zijn reacties op gebeurtenissen, fris van de lever geuit, op het moment dat ze plaatsvinden. Dit zijn stukken die je in de krant verwacht. Of, zoals in Noorwegen is gebeurd, die zo snel mogelijk na afloop van het WK in de boekhandel moet liggen.
Een Nederlandse lezer moet het WK wel heel nauwgezet hebben gevolgd, wil hij het leuk vinden om het verloop van het toernooi herbeleven. Alleen dan is het ook interessant om bijvoorbeeld je alsnog af te vragen of Nederland-Argentinië nou een saaie pot afbraakvoetbal was of een spannend gevecht op het scherpst van de snede. De levenslustige Ekelund met zijn voorliefde voor het Braziliaanse sambavoetbal vindt het eerste, de huismus Knausgard met zijn voorkeur voor lijden stelt zich op het tweede standpunt. Een fascinerend verschil tussen die twee.
Uit & thuis is dan ook interessanter als het niet over voetbal gaat. Simpelweg omdat het tijdlozer is. Bij Knausgard komt daar nog bij dat de beschreven herinneringen en belevenissen direct aansluiten op zijn autobiografische roman. Hij beschrijft hoe hij zijn dochters dagelijks wegbrengt naar repetities voor een musical. Hij vertelt over een promotietour naar Warschau. Hij herinnert zich een vreemde ontmoeting die het begin van een roman zou kunnen zijn. En al die dingen meer. De meeste lezers van deze correspondentie zullen lezers zijn die méér Knausgard willen. Die worden op hun wenken bediend.
Maar ook de bijdrage van Ekelund is de moeite waard – al zie je meteen dat hij de mindere is van de twee auteurs. Hij beschrijft met gevoel voor detail hoe hij in Brazilië de wedstrijden ondergaat: een volksfeest op het strand bij Copacabana, de eeuwige voetbalwedstrijdjes met vrienden tussendoor, de onbeschrijfelijke tristeza na de vernederende uitschakeling van de thuisploeg. Tussendoor heeft ook hij ontmoetingen, herinneringen en filosofische opmerkingen. En alles beschreven met die ontwapenende bejahung van het leven. Ook het contrast in karakter geeft de briefwisseling sjeu.

Toch zou je eigenlijk willen dat er een goedkope herdruk van Uit & thuis kwam waarin alle passages over voetbal zijn geschrapt. Het aanzienlijk dunnere restant is dan een mooie voetnoot bij Mijn strijd – net als al die andere Knausgard-uitgaven die de komende jaren in Nederlandse vertaling zullen verschijnen, zoals een dagboek die de Noor bijhield bij de geboorte van zijn vierde kind. Helaas zal dat niet gebeuren. Lees deze correspondentie dus zo snel mogelijk, voor de herinnering aan het WK verder vervaagt.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 21 mrt)

Zie ook:

zaterdag 26 maart 2016

Robot genomineerd voor Japanse literaire prijs (overdreef hij schromelijk)

De Shinichi Hoshi Award laat ook verhalen geschreven door robots toe, schreef ik anderhalf jaar geleden. Dit jaar stond een inzending van een robot op de shortlist. De hoofdprijs ging nog wel naar een sf-verhaal geschreven door een mens, werd eerder deze week in Tokyo bekend gemaakt. Welke van de genomineerde verhalen door een robot is geschreven werd niet gezegd.
Hoera dus voor artificiële intelligentie? Het nieuws is minder spectaculair dan het lijkt. Het verhaal van de robot werd voor ‘tachtig procent’ door mensen geschreven, schat Hitoshi Matsubara van de Future University Hakodate in de Engelstalige editie van the Asahi Shimbun.
Het schrijven van het verhaal begon met een team van wetenschappers dat uit een roman geschreven door een mens zo veel mogelijk aparte woorden en uitdrukkingen heeft geselecteerd. Vervolgens bedachten de wetenschappers een nieuw plot. De computer heeft tot slot, met een speciaal gemaakt ‘keuzeprogramma’, dit plot alleen uitgewerkt door te kiezen uit alle ingevoerde losse taalelementen.
Meer dan dat is het niet.
Volgens Matsubara streeft de universiteit ernaar de computer ook zelf een plot te laten bedenken. Maar hoe hij dat denkt te bereiken? En wanneer? Dat meldt de krant niet. Matsubara zegt alleen dat een computer makkelijker een haiku of waka kan schrijven omdat die genres aan veel regels zijn gebonden.

vrijdag 25 maart 2016

Boek.be stelt uitreiking kinder- en jeugdboekenprijzen uit wegens geldgebrek (Boekblad)

Boek.be reikt de Boekenleeuw en Boekenpauw dit jaar rond de Boekenbeurs in november uit. De Vlaamse brancheorganisatie er niet in geslaagd op tijd een nieuwe sponsor te vinden. De bank Fintro haakte na drie jaar af.

De Boekenleeuw en Boekenpauw, voor respectievelijk het best geschreven en best geïllustreerde jeugdboek, wordt normaal uitgereikt tijdens de Jeugdboekenweek in maart. Dit jaar profiteert hét pr-evenement voor het kinder- en jeugdboek in Vlaanderen echter niet van de prijs, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1962. Omdat er toch al nauwelijks prijzen voor jeugdboeken zijn was de commotie vorige week groot toen dit bericht naar buiten kwam. De Standaard sprak vrijdag van 'ontgoocheling alom in de jeugdboekenwereld.'
'Gelukkig voor de Vlaamse kinder- en jeugdauteurs én illustratoren loopt het niet zo een vaart', aldus Boek.be-directeur André Vandorpe. Fintro maakte 'midden vorig jaar plots bekend haar marketingstrategie te wijzigen'. Sponsoring van de prijzen was niet langer de manier om de jeugd te bereiken. 'Sindsdien zijn wij volop op zoek naar nieuwe sponsors. Maar dat is een moeizaam proces, dat meer tijd vergt dan gehoopt. Er is in ieder geval geen sprake van dat we de prijzen annuleren. De Boekenleeuw en Boekenpauw worden dit najaar hoe dan ook uitgereikt. We weten alleen nog niet in welke vorm en welk bedrag we aan de prijs kunnen verbinden. Wel zijn gesprekken met een aantal partijen in een afrondende fase.'
Het prijzengeld bedraagt twee keer 10.000 euro. Dat lijkt een bescheiden bedrag. Toch is het 'geen eenvoudige zaak' een bedrijf of privépersoon over de streep te trekken, aldus Vandorpe. Zou het dan kunnen dat Boekenleeuw en Boekenpauw niet aantrekkelijk genoeg zijn? In De Standaard kraakt onderzoekster jeugdliteratuur Vanessa Joossen een aantal harde noten. Omdat alleen Vlaamse auteurs in aanmerking komen, vissen jury's in een te kleine vijver. Dat er vier leeftijdscategorieën zijn, die allemaal winnaars moeten hebben, is de gemiddelde kwaliteit van winnaars te laag.
Vandorpe bevestigt: 'Ik denk dat bijsturing van de selectiecriteria én van de campagne zich opdringen. We bekijken van heel dichtbij hoe we Boekenleeuw en Boekenpauw beter in de markt kunnen zetten. Veranderingen zijn onderdeel van de gesprekken die wij voeren met potentiële sponsors. Het is nu te vroeg daar iets over te zeggen.'
Behalve de twee jeugdboekenprijzen is ook de externe financiering voor de Herman De Coninck-prijzen voor beste gedichtenbundel en beste gedicht weggevallen. Boek.be kreeg daarvoor subsidie van de provincie Antwerpen. Vandorpe: 'Door de laatste staatshervorming verliezen de provincies een belangrijk deel van hun culturele bevoegdheden en bijbehorende budgetten. De provinciale middelen voor literatuur en leesbevordering met een regionaal overschrijdend karakter gaan in principe naar Cultuur op Vlaams niveau. De intentie bestaat om deze middelen over te hevelen naar het Vlaams Fonds der Letteren, maar het is momenteel onduidelijk wat dit concreet betekent voor de Herman De Coninckprijs.'
Vandorpe kan daarom niet met dezelfde stelligheid die hij hanteert over Boekenleeuw en Boekenpauw beweren dat de Herman De Coninck-prijs in januari 2017 hoe dan ook weer wordt uitgereikt. 'Als ik geen finaal uitzicht heb op hoe de prijs wordt gefinancierd moet ik voorbehoud aantekenen. Ik heb er wel vertrouwen in dat het goed komt. Ik merk dat verschillende organisaties en partners bereid zijn om ons daadwerkelijk te steunen in het continueren van deze belangrijke prijs.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 22 mrt)

woensdag 23 maart 2016

Interview Ilja Leonard Pfeijffer over Brieven uit Genua: 'De wending in mijn leven is te ongeloofwaardig' (Tzum)

De Nederlandstalige literatuur heeft zijn eigen Knausgård. Ilja Leonard Pfeijffer spaart zichzelf allerminst in het meedogenloze zelfonderzoek dat Brieven in Genua is. Het leven bleek hem wel een happy end te gunnen.

Hij staat op de top van de Olympus. Ilja Leonard Pfeijffer won de Libris Literatuurprijs voor zijn laatste roman La Superba. Hij kreeg de VSB Poëzieprijs voor zijn laatste poëziebundel Idyllen. Twee keer de hoogste eer in het genre. En hij wordt gelezen. Drie jaar na verschijnen van zijn grote Genuese roman over migratie loopt La Superba nog altijd door. 'Bepaald niet vanzelfsprekend', merkt hij op in zijn voormalig stamcafé Burgerzaken in Leiden, even over uit Genua. 'De precieze verkoopaantallen weet ik niet. Zestigduizend, zeventigduizend, zoiets. Als ik me niet vergis zitten we in de 17e druk.'
Wie zou daarom niet Pfeijffers nieuwe boek willen lezen? En dan is Brieven uit Genua nog een even schitterend geschreven zelfonderzoek als meeslepende spannende roman ook. In de zevenhonderd pagina's tellende autobiografie legt de 48-jarige schrijver even genadeloos als Jean-Jacques Rousseau en Karl Ove Knausgård verantwoording af over de keuzes die hij in het leven heeft gemaakt. Maar omdat hij dat doet in de vorm van brieven – daadwerkelijk verstuurd, maar speciaal voor het boek geschreven – maak je ook de ontwikkeling van de zelfanalyse mee, die spectaculair eindigt met de vondst van de ware liefde, het afzweren van de drank en de noodzaak om een nieuwe identiteit aan te nemen. Brieven uit Genua is zo een formele afsluiting van de eerste helft van zijn leven.
Zelf geeft Pfeijffer blijk van twijfel. Wie kan in godsnaam geïnteresseerd zijn in zijn autobiografie? 'Ik vind dat moeilijk in te schatten. Ik denk dat lezers die een La Superba-deel 2 verwachten, omdat de naam Genua in de titel staat, onherroepelijk teleurgesteld zullen zijn. Dit is een heel ander boek. Het is het uiteindelijk veel saaiere verhaal van mijn leven. Ik zie wel wat er van komt. Ik had misschien tientallen redenen kunnen verzinnen waarom dit een onverstandig project is, maar ik voelde een innerlijke noodzaak om het te doen. De eerste geluiden zijn gelukkig hoopgevend.'
Daarbij: Knausgård verkoopt ook goed. Wereldwijd nog wel. 'Ik heb Mijn strijd niet gelezen', bekent hij. 'Rousseau trouwens ook niet, ik had niet echt een voorbeeld voor mijn autobiografie. Maar tijdens het schrijven en door de eerste reacties die ik heb gekregen op Brieven uit Genua ben ik er steeds benieuwder naar geworden. Ik krijg het idee dat er echt parallellen zijn tussen Knausgårds boek en dat van mij. Dat hij toch zo goed verkoopt, maakt het helemaal fascinerend. Ik moet er maar eens aan beginnen.'

Het is niet mijn gewoonte naar het intieme zielenleven van auteurs te vragen. Maar in dit geval voelt het onvermijdelijk: sta je nog droog? Gaat het goed?
'Het gaat goed, dank je. Het gaat alleen iets minder goed met brouwerij La Chouffe. De laatste keer dat ik de koers van hun aandeel bekeek zat die in een flinke dip. (grinnikt) Ik weet niet precies wanneer ik ben gestopt, maar ik hou het nu al een maand of tien vol. Ik weet wel dat de tweede etappe van de Giro vorig jaar finishte in Genua. Ik ben gaan kijken. Ik wist niet wat ik daar kon drinken. Omdat er overal reclame werd gemaakt voor Estathé, een van de sponsors van de Giro, heb ik dat die dag voor het eerst gedronken. Dat herinner ik me als het begin.'

Gaat het je makkelijk af de La Chouffe af te slaan?
'Meestal wel. In het begin was het heel erg moeilijk, nu af en toe. Het hangt van de context af. In Genua heb ik mijn ritme en gewoontes aangepast. Het komt niet snel meer in me op drank te bestellen. Maar de eerste keer dat ik naar Nederland vloog en met vrienden afsprak was ik weer in een context waarin ik vroeger veel dronk. Dat was moeilijk. Maar de drank is niet meer sterker dan ik.'

En je bent nog steeds met Stella, zonder wie je wellicht terugvalt?
'We zijn nog samen. Ik kan me niet voorstellen dat het niet meer zo zal zijn. Ik weiger me dat voor te stellen, ik wil daar niet over nadenken.'

Toch is juist de relatie met haar het enige in Brieven uit Genua waarvan ik me afvroeg of dat wel waar was. Eerst kondig je, in een brief aan je uitgever, aan dat je leven een wending nodig heeft om het boek mooi af te ronden, vervolgens ontmoet je de vrouw van je leven. En dan met die naam: Stella, ofwel ster in het Italiaans.
'Ik weet het. Als ik de wending in mijn leven had moeten verzinnen, was het nooit dít geweest. Te ongeloofwaardig. In de brief aan mijn uitgever schrijf ik te overwegen verder naar het Zuiden te trekken en naar Istanbul of Malta te verhuizen. Maar dat overwoog ik niet echt serieus. Ik bleef even kansloos als altijd onder mijn parasol zitten. En toen gebeurde dit. Een veel grotere wending dan me voor ogen stond: ik kreeg een nieuwe identiteit.'

Is het een vorm van schrijversgeluk dat je een boek over je leven schrijft terwijl dat leven een ontknoping krijgt?
'Eerder een vorm van persoonlijk geluk. Ik had de verandering nodig als mens. Als schrijver had ik de compositie heus wel recht gekregen. Ik had me weliswaar de plicht opgelegd om niets te verzinnen, maar dan nog kun je de waarheid op duizend manieren opschrijven. Er zit veel denkwerk in de compositie van Brieven uit Genua. Ik bladerde tijdens het schrijven wel in de brieven van Gustave Flaubert. Die zijn nooit geschreven voor publicatie. Ze zijn ook lang niet allemaal goed, sommige brieven hebben alleen curiositeitswaarde. Maar de beste brieven zijn zo goed geschreven – rijk aan detail en achtergrond – dat de stijl alleen al een bewijs is voor Flauberts oprechtheid. Wat nu, dacht ik, als je daar compositie aan toevoegt? Dat heb ik geprobeerd.'

Flaubert gaf je het idee voor Brieven aan Genua?
'Nee, nee. Ik had verschillende overwegingen om het te maken. De belangrijkste ligt besloten in mijn grote thema: de relatie fantasie en werkelijkheid, feit en fictie. Dat fascineert me enorm. En als dat zo is, ontkom je er niet aan dat eens vanuit de werkelijkheid te onderzoeken. Ik heb het vanuit de fantasie behandeld, vanuit mengvormen tussen fantasie en werkelijkheid, maar nu wilde ik een poging wagen het vanuit de werkelijkheid te proberen. Het voelde bijna als een plicht. Ik was heel benieuwd of me dat zou lukken en welke obstakels ik dan zou tegenkomen. En dan zijn er natuurlijk allerlei toevallige factoren.'

Zoals?
'Dit boek begon als een reeks in HP/De Tijd. Toen het weekblad een maandblad werd kreeg ik de ruimte om iedere maand een brief te schrijven. "Post uit Genua", noemden zij dat, 1500 tot 1700 woorden. Dat heb ik een jaar gedaan, tot een nieuwe hoofdredacteur mij eruit knikkerde. Ik ontdekte zo hoe prettig ik de brief als vorm vond. Het is een communicatief genre. Het geeft de vrijheid om heel divers materiaal te combineren. En ik kon zo ook een tijd mijn leven en schrijverschap volgen zonder eerst iets te moeten construeren. Ik ging daarom door met die brieven, tot ik besefte: ik ben bezig met een autobiografie. Toen heb ik doorgezet. Ben ik bijvoorbeeld gaan nadenken op welke manier ik mijn verleden erin kon krijgen.'

Vandaar ook dat juist de eerste brieven minder persoonlijk lijken. Daarin schrijf je over zomers in Genua of over Berlusconi.
'Inderdaad. Maar dat vond ik achteraf literair effectief: de lezer begint aan de buitenkant en wordt geleidelijk toegelaten in een steeds intiemere sfeer.'

De ontstaansgeschiedenis verklaart ook dat de brieven geen echte brieven zijn: er ontstaat nergens een dialoog met de ontvanger – voornamelijk je ex Gelya, met wie je ooit naar Genua verhuisde.
'Ik wilde ook geen correspondentie opzetten. Gelya was ideaal om tegen te praten: zij kent Genua, ik hoef niet alles uit te leggen, en ze is iemand uit het verleden. Zij woont al vijf jaar in Berlijn, ik zie haar nooit meer. Ze antwoordde wel, korte mailtjes, maar daar deed ik literair niets mee. De brieven over mijn jeugd heb ik aan mijn moeder gestuurd. Daar hebben we later over gepraat. Dat was aangenaam. Maar ook geen aanleiding om ergens op terug te komen. Mijn moeder herinnerde zich sommige dingen wel anders, maar ik vond het belangrijker alles op te schrijven zoals ik ze herinnerde.'

Heb je achteraf helemaal niet gesleuteld aan de brieven om de beoogde constructie rond te krijgen?
'Weinig. Ik heb een paar brieven geantedateerd omdat ik vond dat ik dingen had overgeslagen. De overstroming van Genua. Dat was zo'n grote gebeurtenis voor de stad, ik vond het raar er niet over te hebben geschreven. Bovendien was het een mooie metafoor voor mijn verhaal. Evenmin heb ik op grote schaal brieven herschreven. Ik heb hoogstens een paar stappen in de ontwikkeling van mijn relatie met het meisje met de blonde krullen [die, na veel vallen en opstaan, eindigt als Pfeijffer Stella ontmoet – MD] toegevoegd omdat ik het belang ervan in eerste instantie had onderschat. Maar herroepen wat ik eerder had geschreven? Nee. Het was het eerlijkst én het interessants om te laten zien hoe ik, uiteindelijk totaal, van gedachte verander.'

Wat waren dan de obstakels die je tegenkwam bij het schrijven?
'Uiteindelijk toch, om het populair uit te drukken, dat het heavy was om te schrijven. Een project als dit is onvermijdelijk een vorm van zelfonderzoek – een vier jaar lange analyse, waaraan ik me dag na dag meerdere uren onderwierp en waarbij ik ook nog mijn eigen therapeut was. Dat is de charme én de ellende van het genre van de autobiografie: je leert jezelf beter kennen dan je lief is. Ik had niet gedacht dat het zo confronterend zou zijn.'

Wat was het meest confronterende?
'Dat ik ontdekte dat de wending die mijn boek om literair-compositorische redenen nodig had, ook voor mijn leven belangrijk was. Ik was de afgelopen jaren een doodlopende weg ingeslagen. Er is een zekere moed voor nodig dat onder ogen te zien. Dat ging vooral om de drank. Ik was heel trots op mijn drinken, ik had er een heel imago omheen gebouwd. Ik had duizend-en-één schitterende redenen geformuleerd waarom het geen probleem was. En toen realiseerde ik mij dat ik daar ongelijk in had. Maar niet alleen dat. Mijn leven ging steeds meer samenvallen met mijn kunst. Dat kon niet meer genoeg zijn.'

Misschien is de brief over de dood van Don de sleuteltekst van het boek. In La Superba is deze alcoholist een door lezers geliefde held die fraai aan zijn einde komt. In Brieven aan Genua beschrijf je zijn echte, eenzame dood – en het besef dat jíj niet zo mag eindigen.
'Don koos voor zijn vrijheid. Hij was niemand tot last. Hij had op zijn manier voor de kunst gekozen. Allemaal keuzes die ik ook had gemaakt. Door zijn overlijden ontdekte ik dat het heel egoïstische keuzes waren. Goed, hij was de mythe geworden die hij wilde zijn. Maar wat heb je dan? Don stierf volslagen eenzaam nadat hij al zeker twee jaar eenzaam te midden van andere mensen was. Je eigen mythe zijn is te beperkt. Het is interessanter om je te verbinden met andere mensen – ook vanuit het oogpunt van mijn werk. Uiteindelijk is dat ook moeilijker: kiezen voor anderen. Voor jezelf kiezen zijn de makkelijkste keuzes die er zijn. Alleen daarom al is dat verdacht.'

Had je er moeite mee zulke intieme informatie te delen?
'Nee. Dat was een inherent gevolg van het project. Als je ervoor kiest een autobiografie te schrijven moet je niet janken, maar met de billen bloot. Waar ik moeite mee had is de vraag: hoeveel vertel ik over andere mensen? Dat maakt de autobiografie pas een kutgenre. Als je echt eerlijk wilt zijn, ontkom je er niet aan informatie prijs te geven over andere mensen die daar helemaal niet om hebben gevraagd. Ik zie het verschijnen van het boek dan ook met angst en beven tegemoet. Allerlei mensen gaan er iets van vinden – en die beginnen niet zoals jij over ontstaansgeschiedenis en compositie.'

Uiteindelijk heb je je in moeten houden over andere mensen?
'Ik ben heel voorzichtig geweest. Ik heb alle smakelijke details die niet relevant zijn weggelaten. Ik heb nergens de bedoeling mensen te kwetsen – met uitzondering van [criticus en dichter] Tom van Deel. Het was ook niet nodig. Ik heb geen rekeningen te vereffenen.'

Toch noem je iedereen bij naam – al je exen, dichteressen met wie je een keer het bed hebt gedeeld, oud-collega's aan de universiteit, auteurs die je op tournee ontmoet. Alleen het meisje met de blonde krullen kreeg geen naam.
'Dat kwam omdat ik haar al zo noemde toen ik alleen brieven in HP/De Tijd publiceerde. Daarna liet ik het staan omdat ik het mooi vond dat één iemand niet bij naam wordt genoemd. Het heeft een bepaald literair effect, ik kan het niet goed uitleggen. Maar de anderen? Wat voor zin heeft het hun naam niet te noemen? Moet ik de latinisten en graecisten met wie ik gewerkt heb een pseudoniem geven of aanduiden met een initiaal? Iedereen die hen kent, weet toch om wie het gaat. Ik kan ze op die manier niet beschermen. Ik vind het dan laf overkomen hun naam te verhullen.'

Heb je, zoals Karl Ove Knausgård, de mensen over wie je schrijft het boek van tevoren laten lezen?
'Dat doe je niet. Nee. De Arbeiderspers heeft wel voor het eerst in haar geschiedenis juridisch advies ingewonnen. Dat alleen al maakte mij zenuwachtig, maar de uitkomst heeft me in grote lijnen gerustgesteld. Ik heb maar twee aanpassingen doorgevoerd. Details. In het eerste geval heb ik een naam weggelaten. Die noemen was ook niet nodig. In het tweede geval heb ik een zin toegevoegd als extra indekking.'

Verwacht je desalniettemin gedoe – van mensen die, jouw oude reputatie indachtig, denken dat je uit bent op een rel?
'Denk je dat mensen die het hele boek hebben gelezen zullen denken dat ik uit ben op een rel? Ik hoop dat ze geneigd zijn mij een en ander te vergeven als ze zien dat ik mezelf bepaald niet spaar. Maar natuurlijk: er ontstaat na publicatie een dynamiek die ik niet in de hand heb. De onbenulligste bijzin kan kwetsend blijken te zijn. Er zal zeker – hoogstwaarschijnlijk uit totaal onverwachte hoek – iemand zijn die ergens over valt. In feite is dat ook al gebeurd. Dat zij dan zo. Het is een risico dat kleeft aan een boek als dit. Ik ben er gelaten onder.'

In feite is dat ook al gebeurd?
'Een brief, over mijn tijd op het instituut hier aan de Universiteit Leiden, is voorgepubliceerd in een bibliofiele uitgave. Ik schrijf daarin over een van mijn docenten. Dat is onder ogen gekomen van zijn zoon, die nu aan de vakgroep Italiaans op dezelfde universiteit werkt. Ik hoorde via via dat hij boos en teleurgesteld is. Ik kan me niet voorstellen waarom, ik schrijf niet ongunstig over zijn vader. Kennelijk is er toch een detail geweest waar hij aanstoot aan nam.'

En hoe moet het nu verder? Na Brieven uit Genua overviel me de gedachte: Pfeijffer is uitgeschreven, hij heeft alles gezegd wat hij te zeggen heeft.
'O nee, ik ben nog lang niet klaar met mijn thema. Feit en fictie, fantasie en werkelijkheid – ik zie ook dagelijks voorbeelden die mij bewijzen dat het een thema van deze tijd is. Ik heb meer ideeën dan ik kan uitwerken. Ik ben ook al bezig met iets. Na dit boek snakte ik naar een verhaal dat zo fictioneel mogelijk is: een boek over cowboys in de Middeleeuwen, met ufo's en zombies. Dát boek schrijf ik nu niet, maar wees gerust: dat komt er later zeker.'

Voor iedere auteur moet er in ieder boek toch iets op het spel staan? Zomaar een verhaal verzinnen, dat voelt nu toch zeker als zinloze Spielerei. Knausgård schrijft ook geen fictie meer.
'Natuurlijk. Daarom zie ik de novelle waaraan ik werk misschien ook wel als een tussendoortje. Misschien heb ik het schrijven daarvan nodig om mijn pols los te schudden na dit project. Maar dan nog. 'Iets op het spel zetten' kan ook formeel zijn. Vertel maar eens een goed verhaal. Schrijf het maar eens goed op. Dat is ontzettend moeilijk. Ik ervaar het als een opluchting dat ik me daar nu volledig op kan concentreren zonder erover na te hoeven denken wat anderen zouden kunnen vinden van wat ik schrijf.'
(Eerder gepubliceerd op Tzum, 7 maart)

Meer Pfeijffer:

maandag 21 maart 2016

Heel Vlaanderen biggelt – het digitale succes van Van In (Inct)

Van In heeft in Vlaanderen al vijf jaar veel succes met haar digitaal platform voor het primair onderwijs. Sinds kort scoort de Belgische educatieve uitgeverij met Bingel ook in het buitenland.

De internationale erkenning doet Lieven Bossuyt, uitgever basisonderwijs en product owner van leerplatform Bingel bij uitgeverij Van In, veel deugd. Op de London Book Fair kreeg het dochterbedrijf van Sanoma Learning vorig jaar de International Educational Learning Resources Award – niet de concurrenten uit grote landen als Amerika en Canada. 'Wat me vooral plezierde was de erkenning dat wij er met Bingel voor zorgen dat onderwijs en ict bij elkaar komen', zegt hij op zijn kantoor in Wommelgem bij Antwerpen.
En dat voor wat in essentie gestart is als een online platform voor oefen- en leermateriaal voor de lagere school. Bingel, op de markt sinds 2011, vormt daarmee de digitale uitbreiding van de lesmethoden voor wiskunde, spelling en taal, Frans, godsdienst en wereldoriëntatie. Voor ieder leerjaar is een eiland ontwikkeld, waar leerlingen digitaal oefenen en leren. Bij goed resultaat verdienen ze 'pingping', waarmee ze hun avatar kunnen personaliseren en mini-games kunnen spelen.
Juist die eenvoud is de kracht van Bingel, legt Bossuyt uit. 'Het is niet moeilijk om een leerplatform te maken met duizenden functies. Het is wél moeilijk om een platform te maken dat op een heel eenvoudige manier doet wat het moet doen. Een innovatief platform dat gebruiksvriendelijk en aantrekkelijk voor leerling én leerkracht is en dat daarom echt wordt gebruikt. Ook de jury van de International Educational Learning Resources Award benadrukte het belang van dat laatste.'

Sinds de lancering is Bingel een instant-succes. In 2011 werd 'bingelen' meteen tweede in de verkiezing van jongerenwoord van het jaar. Vijf jaar later gebruikt 79 procent van de scholen in het Vlaamse lager onderwijs het platform. Meer dan 280.000 leerlingen maakten inmiddels meer dan een half miljard oefeningen. En met plezier: 9 op 10 leerlingen zegt graag te bingelen. Ook zegt 90 procent van de leerkrachten die Bingel gebruiken het platform aan te bevelen.
'En het werkt', laat Bossuyt niet na te benadrukken. Dat blijkt uit onderzoek naar de leerwinst. 'Bingel ondersteunt het leren op twee manieren. Kinderen kunnen zelf oefenen en navigeren zonder begeleiding door de leerkracht. Learning through exploring. Door de gamification-elementen zijn ze extra gemotiveerd dat te doen. En leerkrachten kunnen zelf een selectie uit de oefeningen maken op basis van het niveau van de klas of individuele leerlingen. Task-based learning, is dat.'
Het vervolg staat op Inct.nl – en wel hier.

vrijdag 18 maart 2016

Museum der Letteren en Manuscripten is dus toch oplichterij

Het is dus inderdaad oplichterij, las ik gisteren bij de BBC. De Britse omroep noemt het zelfs 'one of the biggest ever art-market scams', waar 18.000 Fransen de dupe van zijn geworden.
Toen ik ooit, bijna vier jaar geleden alweer, het Museum der Letteren en Manuscripten in Brussel bezocht – een dependance van een gelijknamige museum in Parijs – vond ik het al een merkwaardig verhaal. De collectie van inmiddels 130.000 kattenbelletjes, notities, documenten en dergelijke van beroemde tot zeer beroemde mensen was bijeengebracht door de beleggingsmaatschappij annex antiquair Astrophil. Veel meer schreef ik er niet over. Herinneren wat ik precies vond toen ik de sites van museum en van Astrophil bestudeerde, weet ik niet. Maar vreemd vond ik wel. Of ik het ook niet vertrouwde, durf ik niet zeggen. Maar dat zou wel terecht zijn geweest.
Het businessmodel van Astrophil was simpel. Gerard Lheritier, de grote man achter het bedrijf, kocht manuscripten waarvan hij vervolgens aandelen in verkocht. Zo kon iedereen een stukje Proust bezitten. Of Calvijn. Of Lodewijk XIV, Markies de Sade, Jean-Baptiste Lully, wie maar je held was. En omdat de markt voor documenten steeg, werden de aandeelhouders een rendement van, zeg, 8 procent beloofd. Het stukje Proust zou binnen een jaar immers minstens zo veel in waarde stijgen.
Het probleem was: Lheritier kon die 8 procent alleen uitkeren als hij geld binnenkreeg van nieuwe investeerders. Immers, legt de BBC uit, als hij voor 50.0000 een Einstein-document kocht, verdeelde hij dat in 400 aandelen van 30.000 euro. Zo haalde hij een winst binnen van 11,5 miljoen euro waarmee hij iedereen zijn dividend kon betalen.
Daarmee is Astrophil dus een klassiek voorbeeld van een piramideschema. Ooit zou Lheritier op een grens stuiten. Gebrek aan aantrekkelijke nieuwe manuscripten om in te kopen. Een overvloed aan beleggers die hun geld terug wilden. Zoiets. En dan zou het hele systeem in elkaar klappen. Want als Lheritiet zijn Einstein-document had moeten verkopen om zijn beleggers te blijven betalen, dan zou blijken dat de waarde ervan niet was gestegen tot de 12 miljoen euro waar hij vanuit ging.
Alleen: het kwam nooit zo ver. De Franse jusititie kreeg vermoedens van de fraudeleuze aard van Astrophil en greep in, al zeker twee jaar geleden, nog voor – zegt Lheritiers advocaat – ook maar één belegger klaagde.
De musea in Brussel en Parijs zijn inmiddels gesloten.

Zie ook:
- Museum der Letteren en Manuscripten in Brussel

woensdag 16 maart 2016

Van Reybrouck laat in Boekenweekessay 'Zink' voelen wat de geschiedenis met je doet (Athenaeum.nl)

Emil Rixen wisselde maar liefst vier keer van nationaliteit in amper een kwart eeuw. Het had een blijvende en desastreuze invloed op zijn leven. Of: hoe de geschiedenis diep kan ingrijpen in het leven van een individu. Daarover gaat het Boekenweekessay Zink van David Van Reybrouck

De geschiedenis is een keten van gebeurtenissen. Neem de geschiedenis van Neutraal Moresnet, het mini-landje dat van 1816 tot 1920 direct onder Vaals lag ingeklemd tussen Nederland, België en Duitsland. Het ontstond omdat Nederland en Pruisen het niet eens werden over de interpretatie van de afspraken bij het Congres van Wenen. Het bestond een eeuw als vrijhaven waar belastingontduikers, ongewenst zwangere dienstmeisjes en alcoholstokers terecht konden. En het ging ten onder na de Eerste Wereldoorlog toen de kaart van Europa opnieuw werd getekend. 
Maar geschiedenis gaat altijd over mensen. Dat onderstreept David Van Reybrouck in zijn elegant Boekenweekessay Zink. Hij kan er niet omheen om ook de feiten over Moresnet te geven. En dus schrijft uitgebreid over de reden waarom Nederland en Pruisen deze strook land van 344 hectare wilde hebben: de lucratieve zinkmijn Altenberg (of Vieille Montagne, in het Frans). Juist in die tijd had een plaatselijke chemicus ontdekt hoe je zuiver zink kon winnen uit het erts calamien. Maar dat is niet de essentie van het essay.
De kern is dat er mensen leefden die de geschiedenis moesten ondergaan. Mensen zoals Emil Rixen. De hoofdpersoon van Zink werd geboren in 1903 als zoon van zo'n gevlucht dienstmeisje. Hij stierf in 1971 als een gebroken man die – zoals Van Reybrouck schrijft – 'de laatste twintig jaar van zijn leven voornamelijk bij het raam had gezeten. Hoestend, rochelend, rokend. Zijn pijp verbrandde meer lucifers dan tabak. Geduldig en vriendelijk schilde hij de aardappels en sneed hij de prei.' In de tussenliggende jaren had hij niet minder dan vijf nationaliteiten gehad. Dat breekt een mens.
Ga maar na. Rixen werd geboren als inwoner van Neutraal-Moresnet. Na de inval van het Duitse Rijk, die het gebied als Duits beschouwde, werd hij geacht Duitser te zijn. Na de oorlog werd hij Belg. In de Tweede Wereldoorlog gebeurde precies hetzelfde: de nazi's maakten hem Duitser, de bevrijding maakte hem weer Belg. Vanzelfsprekend bracht dat verplichtingen met zich mee. Zo verblijft Rixen in de jaren 1920 als Belgisch soldaat in bezet Duitsland. In 1944 sturen de nazi's hem naar het front – en al deserteert hij, Rixen wordt toch als krijgsgevangene afgevoerd naar een werkkamp.

'Aanvankelijk slapen de gevangenen in tenten van zeildoek, na verloop van tijd bouwen ze zelf krakkemikkige hutjes van planken, karton, golfplaat en aarde. De leefomstandigheden zijn erbarmelijk. De mannen dragen hun oude versleten uniforms en kapotte laarzen, maar zelfs daarover beschikte Emil niet: hij is in burger op het moment van zijn arrestatie. Oude Amerikaanse legerjassen worden uitgereikt, schoenen gelapt. Ze leven met zijn zessen in één hut. De bewoners maken van oude olievaten en metalen legerkisten slecht trekkende kacheltjes. De wind afkomstig van het Kanaal giert door de kieren, de regen sijpelt naar binnen. Bronchitis en longontsteking zijn de meest voorkomende aandoeningen.'

Het zijn dit soort passages waarom iemand Zink moet lezen. Met zijn perfect gevoel voor treffende beelden laat Van Reybrouck zijn lezers daadwerkelijk voelen hoe de oneindige keten van gebeurtenissen iemand kan knakken. In feite had dit boek ook over iets heel anders kunnen gaan. Over een inwoner van de Balkan die meemaakt hoe zijn Ottomaanse Rijk in de jaren 1910 versplintert – ik noem maar iets. De enige reden dat dit boek over Neutraal Moresnet moest gaan, was omdat het een – vluchtige – link heeft met het Boekenweekthema van dit jaar.
Wie werkelijk de geschiedenis van Neutraal Moresnet wil weten kan dan ook beter terecht bij het vrijwel tegelijkertijd verschenen Moresnet van Philip Dröge. Ook al beschrijft hij de geschiedenis aan de hand van een stoet van personages op een aantrekkelijke en fascinerende manier, het is en blijft het geschiedverhaal dat Dröge vertelt – inclusief opsomming van alle commissarissen en burgemeester van het landje en een kleine beschouwing over soortgelijke 'ongelukjes bij het trekken van grenzen', zoals hij het noemt.
Voor Van Reybrouck hoef je juist niets te willen weten van het landje. Hem lees je om een dieper inzicht te verkrijgen. En om te genieten van zijn zo fijngeslepen pen. Daarom nog een citaat – waarin de jonge Emil Rixen vlak na het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn aanstaande vrouw Jeanne Lafèbre. Let op het heerlijke ritme van de zinnen. Onderga de kracht van deze taal om je de situatie meteen voor ogen te zien.

'De schiettent, de grabbelton, de werptent, de draaimolen, de kop van Jut: het is kermis in Kelmis, eindelijk kleur na jaren vol puin en gruis en kruit. Hoe armetierig ziet een kermis er in de jaren na de oorlog uit? Is er een luchtschommel? Hangen er lampionnetjes? Waar zijn de degenslikker, de worstelaar, de vrouw met de baard? We weten het niet. Een knappe jongeman ziet een guitige jonge vrouw met volmaakte wenkbrauwen, dat weten we wel, maar het gesprek, het helse karwei van het eerste gesprek, verloopt vermoedelijk nogal moeizaam.'

Zie ook:

maandag 14 maart 2016

Sprekend Nederland: Alle vooroordelen over accenten in kaart gebracht (Taalunie:Bericht)

Wat zegt je accent over wie je bent? Of beter gezegd: welke vooroordelen koesteren anderen over je tongval? Dat onderzoekt de omroep NTR in het project Sprekend Nederland.

Dirk de Bekker was wel wat gewend. De programmamaker van de NTR is zelf opgegroeid in Rosmalen, bij Den Bosch. Zeker sinds hij in Hilversum werkt heeft hij al zo vaak opmerkingen gehoord over zijn zachte g. 'Niet per se negatief, maar men zegt er altijd wat over. Dat getuigt vaak van vooroordelen die niet stroken met de werkelijkheid. Dat ik veel drink bijvoorbeeld. Dat valt best mee.'
Maar dat het zó erg was? Voor het project Sprekend Nederland liet hij mensen elkaar beoordelen louter op basis van hun tongval. Ze konden elkaar niet zien. 'Wat mensen dan durven te zeggen over de ander!' Een Twentse zou zeker onmodieus gekleed zijn. Een Hagenaar klinkt nogal asociaal. 'Mijn mond viel open van verbazing. Ik had niet verwacht dat de vooroordelen zó sterk waren.'
Voor zijn collega Sander Nieuwenhuijsen werkten de 'Spreekhokken', zoals de filmpjes heten die ze samen hebben gemaakt, nog sterker als eye-opener. De Bekker: 'Hij komt uit de Randstad.  Hij heeft dus het prestige-accent en was zich helemaal niet bewust van de beeldvorming bij het horen van accenten. Hij was zelf nog nooit aangesproken op zijn accent.'

De Bekker en Nieuwenhuizen zetten Sprekend Nederland voor de NTR niet alleen op uit persoonlijke interesse van de eerste. Als wetenschapsjournalist wist hij dat er alleen kleinschalig onderzoek naar dit onderwerp is gedaan. 'Ze laten vijftig mensen in een experimentele setting zinnen inspreken. Of gaan bij de Hema staan met een voicerecorder. Er is geen grote dataset van accenten.'
Door een samenwerkingsverband op te zetten tussen publieke omroep en wetenschap kon die dataset er wél komen. Het basisidee was: een app maken waarin mensen zelf zinnen kunnen inspreken en die van anderen mogen beoordelen. En daaromheen allerlei programma's om grote groepen mensen te interesseren voor het onderwerp en te verleiden de app te gebruiken.
De Bekker: 'Meestal gaat het andersom. Er is een tv-programma en er komt een app bij. Wij zetten de app centraal. Ook komt doorgaans de wetenschap met een idee, waarna wij er een programma over maken. Nu stelden wij een idee voor. Taalwetenschappers reageerden gelijk enthousiast omdat ze de mogelijkheid zagen een grote dataset te verwerven waar ze nog jaren onderzoek mee konden doen.'

Sprekend Nederland ging van start met de lancering van de app op 3 december. Sinds-dien is er online en op tv op allerlei manieren aandacht aan besteed. Het wetenschaps-programma De Kennis van Nu (NPO2) wijdde een aflevering aan het project. De Vlaamse muzikant Bent van Looy bezocht drie taalgemeenschappen – korte filmpjes die later op NPO3 worden uitgezonden. En eind mei is een grote live-show op NPO1.
De Kennis van nu liet genadeloos zien hoe Marokkaanse Nederlanders worden behandeld. Acteur Omar Ahaddaf mocht géén proefrit maken, kon zijn fietsslot niet laten openzagen en kon géén afspraak maken om een huis te bezichtigen. Presentator Diederik Jekel werd door dezelfde mensen wel tegemoetkomend bejegend. 'Deepdown zijn mensen racistisch', aldus sociolinguïst Stefan Grondelaers in de uitzending.
De Bekker vindt het niet moeilijk om voor alle verschillende zenders en doelgroepen andere ideeën te bedenken over accenten. 'Gesproken taal is zo'n rijk onderwerp. Je kunt zo veel verschillende invalshoeken bedenken. We denken ook nog na over items voor het lokale cultuurprogramma Landinwaarts en het historische programma Andere tijden. We willen Sprekend Nederland zeker een jaar ondersteunen.'
In de live-show gaan groepen sprekers van hetzelfde accent de strijd aan om de titel 'Het Mooiste Accent van Nederland', vertelt hij. Iedere groep wordt aangevoerd door een accent-ambassadeur, een BN'er met die tongval. 'Daar doorheen gewoven zit de wetenschap. Want de live-show is het moment om de eerste resultaten van het onderzoek bekend te maken.'

Veel kan De Bekker daar nu nog niet over zeggen. Het streven is om de app 100.000 keer te laten downloaden. Na twee maanden hebben bijna 10.000 mensen dat gedaan. Zij hebben gezamenlijk 200.000 stemopnamen gemaakt en al bijna een miljoen keer andere opnamen beoordeeld. 'Maar het enige wat ik daaruit kan afleiden is dat men in Flevo-land het minst en in Friesland de app het meest downloadt.'
Maar het gaat ook niet alléén om de wetenschap: onderzoeken waar welke accenten worden gesproken en welke vooroordelen aan welk accent kleven. 'Het is ook het doel van Sander en mij om mensen bewust te maken van de vooroordelen zodat er wat aan kan worden gedaan. Ook op ons werk. Nederland is een lappendeken van klankkleuren, maar die diversiteit hoor je in de massamedia niet terug.'

En Vlaanderen?
De Bekker en Nieuwenhuijsen hadden het project graag uitgevoerd voor het hele taalgebied. 'Het had het project nog groter en ingewikkelder gemaakt, maar ook het ideaalplaatje', zegt De Bekker. Maar de VRT stelde zich afwachtend op. Eerst zien wat Sprekend Nederland oplevert. 'Van Stefan Grondelaers – zelf een Vlaming – hebben we wel begrepen dat Vlamingen banger zijn om het vooroordelen te hebben. Het onderwerp ligt nog controversiëler. Maar wie weet komt het nog.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:Bericht)

zondag 13 maart 2016

Wat heeft het boekenvak voor vluchtelingen gedaan? (Boekblad)

Een benefiet in de Amsterdamse schouwburg, speciale uitgaven voor het goede doel en inzamelingsacties in boekhandels. Het duurde even voor het boekenvak reageerde op de vluchtelingencrisis, maar inmiddels hebben schrijvers, uitgevers en boekhandelaren honderdduizenden euro's opgehaald.

Het is niet moeilijk geraakt te worden door de vluchtelingenstroom die sinds afgelopen zomer zo'n enorme omvang heeft aangenomen. De mensonterende beelden van tientallen vluchtelingen in gammele bootjes. Het overvolle kamp bij Calais, waardoor het Westen opeens zijn eigen sloppenwijk heeft. De dode peuter op een Turks strand. En dan de soms ronduit vijandige ontvangst, waarbij opvangcentra worden belaagd. Niemand blijft daar onbewogen bij. Maar om dan ook wat te doen?
Thijs Heslenfeld, die onder het label Oost West Thijs Best al meerdere fotoboeken in eigen beheer heeft uitgebracht, besloot wel al snel een speciale uitgave te maken: Anything out of nothing. De fotograaf bezocht afgelopen najaar samen met journaliste Rinke Verkerk vluchtelingenkampen voor Syriërs in Libanon en Jordanië. Hij wilde de vluchtelingen 'zonder extra zielige foto's of nadruk op blije gezichten' zélf een gezicht geven en hen in de gelegenheid geven hun eigen verhaal te vertellen.
Het is een schitterend 96 pagina's tellend boek geworden, dat al op 3 december na tweeëneenhalve maand werk op de markt kwam. Een boek met een bijzondere vormgeving – en niet alleen door de gimmick dat het, net als Arabischtalige uitgaven, achterstevoren moet worden gelezen. Heslenfeld wilde hiermee de lezers op kleine schaal de verwarring laten voelen die vluchtelingen op grote schaal dagelijks ervaren nadat ze hun vertrouwde bestaan hebben moeten opgeven.
Al bij verschijnen waren 3000 exemplaren van Anything out of nothing bij voorverkoop à 27,50 euro per stuk verkocht, onder andere aan een aantal bedrijven die meerdere exemplaren tegelijk voor hun personeel aanschaften. Inmiddels zit de totale verkoop boven de 4000. Maar daarmee neemt de fotograaf, die toch al alles uit eigen middelen heeft gefinancierd, geen genoegen. Dit voorjaar hoopt hij lezingen en mini-exposities in boekhandels te organiseren om het boek nader te promoten.
'Per verkocht exemplaar gaat vijf euro naar een gezin in het kamp Al Za'atari in Jordanië', vertelt Heslenfeld. 'Begin februari hebben we 25.000 euro kunnen overmaken aan de Jordaanse afdeling van UNHCR om deze vluchtelingen rechtstreeks te kunnen helpen. Iets meer dan 15.000 euro komt uit verkoop van het boek, de rest is aangevuld door Triodos Bank die besloten heeft mij te sponsoren.'

In het Nederlandse boekenvak lijkt Heslenfeld een uitzondering te zijn. Zeker in het vroege stadium waren auteurs, boekhandels en uitgeverijen in andere landen er veel eerder bij. Denk aan speciale woordenboekje met uitsluitend plaatjes die uitgevers als Routard al in september maakte om gratis onder vluchtelingen ter verspreiden en of, nog eerder, de gelijk zeer succesvolle inzamelingsactie van de Britse auteur Patrick Ness waar veel collega's hun bijdrage aan hebben geleverd.
En dat terwijl vluchtelingen, zeker ze in hun land van aankomst aan hun integratie gaan beginnen, zo veel baat hebben bij (toegang tot) boeken. Dat bewijst het genoemde aanwijswoordenboek waarmee vluchtelingen makkelijker kunnen communiceren, maar ook echte woordenboeken, lesboeken Nederlands als tweede taal en fotoboeken over Nederland om hier te kunnen inburgeren. En natuurlijk prentenboeken en eerste lesboekjes voor de kleinsten.
De openbare bibliotheken hebben dat goed begrepen. Naast talrijke inzamelingsacties – van boeken en contact geld – die direct na de zomer werden georganiseerd, begon de sector een plan op te stellen om gestructureerd samen te werken met verantwoordelijke organisaties als het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COa), het ministerie van Justitie en Veiligheid en Vluchtelingenwerk Nederland. De bibliotheek wil asielzoekers in iedere fase van hun inburgering en zoektocht naar werk terzijde staan.
Toch is het natuurlijk niet zo dat het boekenvak niets deed. Zeker niet. Naast het bedrag dat Heslenfeld bijeenbracht is er voor vele tienduizenden euro's geld opgehaald voor een reeks goede doelen. Hieronder volgt een overzicht van de grootste en bekendste acties.

De schrijvers kwamen op initiatief van Dimitri Verhulst op 9 februari in de Stadsschouwburg van Amsterdam bijeen voor een benefiet ten bate van My Book Buddy, die zich inzet voor vluchtelingenkinderen. Onder meer Tommy Wieringa, Connie Palmen, Jelle Brandt Corstius en Esther Gerritsen traden op om de 'verbindende waarde van boeken en verhalen te tonen.' Alleen al de recette van de door de Leescoalitie georganiseerde avond leverde 25.000 tot 30.000 euro op. Daarnaast was er een loterij. De opbrengst daarvan was bij het ter perse gaan van dit stuk nog niet bekend.

Bij Lemniscaat verscheen in november een vertaling van het oorspronkelijke Engelse Soep voor Syrië van de culinair auteur en fotograaf Barbara Abdeni Massaad. Zij vroeg recepten bij meer dan vijftig internationale topkoks ten bate van het voedselprogramma van UNHCR. De Engelse uitgave was binnen een week uitverkocht en leverde 40.000 pond op. De vertaling kon na twee weken worden herdrukt. Inmiddels zijn 3400 exemplaren verkocht, wat betekent dat er zo'n 30.000 euro voor de vluchtelingen is opgehaald. Dit bedrag is inclusief het geld dat boekhandels ophaalden met het uitdelen van soep. 'Geweldig hoe de boekhandel zich heeft ingezet voor dit boek!', vindt pr-medewerker Leena Jaarsveld. Ook de opbrengsten van de jaarlijkse Lemniscaat-uitverkoop in de Bibliotheek Rotterdam ging naar deze actie.

De Arbeiderspers bracht eveneens in november belangeloos de bundel Gelukszoekers van Ilja Leonard Pfeijffer uit, waarin de auteur enkele eerder geschreven stukken over vluchtelingen en migranten bijeenbracht, inclusief een fragment uit zijn Librisprijswinnende roman La Superba. Auteur, uitgeverij én drukkerij Ten Brink werkte gratis mee.  De uiteindelijke opbrengst is voor stichting Werken zonder Grenzen, die vluchtelingen helpt aan werkervaringsplaatsen, vrijwilligerswerk of betaald werk.
'Op dit moment hebben we van Gelukszoekers zo’n 1500 exemplaren verkocht', zegt uitgeverij Peter Nijssen. 'Vind ik niet meevallen. Misschien dat de toch wat schokkende coverfoto daaraan debet is. Anderzijds: we verkopen het nog steeds. Dus onze druk van ik meen 2500 exemplaren raakt heus uitverkocht. Van de winkelprijs van 15 euro gaat een zeer groot deel naar Werken zonder Grenzen. Ik schat dat er zo’n 30.000 euro naar dit goede doel zal gaan als we alle exemplaren hebben verkocht.'

Uitgeverij Podium leverde een bijdrage met het pamflet Broederschap van Frans Timmermans dat een onverwacht grote bestseller was. Het boek dat was geïnitieerd door Erik van Bruggen van campagnebureau BKB, haalde de derde plaats in de Bestseller 60 haalde en stond vijf weken in de top tien. Binnen een maand waren er 20.000 exemplaren verkocht. De royalty's van de auteur en de uitgeverswinst is volledig bestemd voor Vluchtelingenwerk Nederland. Op een moment dat het boek nog steeds in de bestsellerlijst overhandigden Timmers en uitgever Joost Nijsen al een cheque van 20.000 euro aan de begunstigde organisatie.

De educatieve uitgeverijen Noordhoff, Zwijsen en Delubas kondigden aan dit jaar 60.000 kinderboeken te verspreiden onder 150 scholen waar vluchtelingenkinderen les gaan krijgen. Zij mogen de 'zwerfboeken' mee naar huis nemen om zo ook hun ouders te helpen met hun taalontwikkeling. De Vier Windstreken doneerde 500 exemplaren van het tekstloze prentenboekje Steen voor steen Guiliano Ferri. Boekhandels met een opvangcentrum in de buurt konden twintig exemplaren aanvragen.

Atlas Contact organiseerde een omruilservice: een boek uit het eigen fonds voor een ongewenst kerstcadeau. De in totaal veertig ingeleverde cadeaus, voor de helft boeken en verder onder andere dvd's, een Gerard Joling cd, een Action-camera en mutsen, waren voor de noodopvang in Amsterdam. Twee jongetjes stuurde een nieuw Ajax-shirt in dat hun vader had gekregen, vertelde pr-medewerker Martina van As. Want, zo schreef de vader, zij woonden niet in Amsterdam, een vluchteling die daar zit heeft er daarom meer aan.

Verschillende boekhandels hielden inzamelingsacties. Dekker van de Vegt in Nijmegen riep klanten op in de kerstperiode naast een cadeau voor hun dierbaren ook een boek voor de pop-upbibliotheek in het azc in Heumensoord te kopen. Deze pop-upbieb is in het leven geroepen door de bibliotheek Gelderland-Zuid – een mooi voorbeeld van de manier boekhandel en bibliotheek kunnen samenwerken. Klanten konden kiezen uit negen titels: van Nederlands-Arabische woordenboeken en aanwijsboeken tot een basiscursus voor inburgeraars en Nederland voor Syriërs.
De actie is 'heel goed aangeslagen', zegt directeur Monique Kauffman. 'Mensen kwamen speciaal daarvoor naar de winkel. Uiteindelijk hebben we voor 5000 euro aan boeken gedoneerd, inclusief 500 euro van onszelf. De dinsdag voor kerst hebben [mede-directeur] Hans [Peters] en ik tien dozen afgeleverd bij bibliotheek De Mariënburg.'

Klanten van de Algemene boekhandel in Amersfoort konden voorafgaand aan kerst een maand lang boeken brengen die aan verschillende bibliotheken in opvangcentra zouden worden gegeven. Er was vooral vraag naar prenten- en kinderboeken, woordenboeken en fotoboeken over Nederland. En die kwamen er ook, vertelt medewerker Linda Adam. 'Vooral prentenboekjes en avi-boekjes, ook in het Frans en Engels. Dat zijn vaak ook boeken die maar korte tijd worden gebruikt en dus nog in uitstekende staat.'
Misschien was niet ieder boek even geschikt – een enkeling had van de gelegenheid gebruikt zijn zolder op te ruimen – maar de boekhandel kon bij elkaar ruim vijfentwintig dozen vol afgeven. Half januari werden die in twee shifts opgehaald door vertegenwoordigers van het COA Amersfoort en Gastgezin Amersfoort.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, feb 2016)

Zie ook: