dinsdag 30 augustus 2016

Interview Geert Mak: Wie is toch die man aan wie Rembrandt zijn mooiste portret wijdde? (Knack)

Wat kunnen wij leren van een patriciërsfamilie die al eeuwenlang tot de Nederlandse bovenklasse behoort? Geert Mak schreef een boek over de familie Six en heeft nu een antwoord op deze vraag.

Jan Six, dat is de zeventiende eeuwse Amsterdammer die Rembrandt zo melancholiek portretteerde terwijl hij op het punt lijkt te staan om weg te gaan – rode mantel over zijn linkerschouder, één handschoen al aangetrokken. Maar Jan Six is ook een rentenierende achttiende eeuwer, een in de numismatiek liefhebberende negentiende eeuwer en een eenentwintigste eeuwse kunsthandelaar. Iedere generatie opnieuw werd de oudste zoon Jan genoemd – in 2013 werd nummer twaalf geboren. En Rembrandts Jan Six hangt nog altijd in het veertig kamers tellende grachtenpand aan de Amstel.
Over deze familie schreef Geert Mak zijn nieuwste boek: De levens van Jan Six. Het is een fascinerende mentaliteitsgeschiedenis geworden, waarin hij laat zien hoe deze representanten van de Amsterdamse upperclass meebewogen met de lotgevallen van de stad. De Sixen werden schatrijk in de Gouden Eeuw, bekonkelden en bekokstoofden tot aan de Napoleontische tijd in de achterkamertjes wat er in de stad gebeurde, en teerden daarna met steeds grotere pretenties op hun langzaam verdampend vermogen. Tot ze noodgedwongen moesten werken en gewone Nederlanders werden. Het boek is daarom het verhaal van een familie én van de stad.
Maar: niet van zomaar een familie uit de elite – dankzij hun kunstcollectie. Jan I verwierf met zijn liefde en goede smaak voor kunst een uitgelezen verzameling. Omdat die liefde en smaak van generatie op generatie werd doorgegeven bleef de collectie, die dankzij erfenissen van aangetrouwde familieleden regelmatig werd uitgebreid, tot op de dag van vandaag grotendeels bijeen. Het portret van Jan Six is niet eens de enige Rembrandt in huis. En het mooie is: al zeker twee eeuwen stelt de familie haar huis open voor wie de kunstschatten met eigen ogen wil aanschouwen.

Hoe hebt u de familie Six leren kennen?
'Ik ontmoette een jaar of tien geleden bij de opening van een tentoonstelling Jan Six X, de huidige heer des huizes. Kom eens kijken, zei hij. Je weet dan wel bij geruchte dat er aan de Amstel een bijzonder huis staat, maar de eerste keer dat ik daar kwam! Ik was verstomd. Ik kwam er stuiterend van opwinding van terug. Wat daar allemaal mee te maken viel! Dat is wat Johan Huizinga de historische sensatie noemt. Het verleden werd opeens heel tastbaar. Niet alleen door de twee portretten van Rembrandt. Door het geheel. Het hele huis staat vol voorwerpen en bijzondere archieven. Het was toen nog niet gerestaureerd. Het huis droeg de slijtageplekken van honderd jaar familieleven, waarin gerust een emmer water over de brandende kerstboom – én per ongeluk een schilderij – kon worden gegooid.'

Dacht u gelijk: dit is een boek?
'Ik kwam na de eerste keer vaker op bezoek. Gaandeweg rees het idee. Zeker nadat ik vijftien jaar ongelooflijk veel had gereisd – voor In Europa en Reizen zonder John – had ik zin in een boek over een huis, gewoon bij mij om de hoek in Amsterdam. Ik dacht toen nog aan een klein project, maar de familie Six zoog me mee in een achtbaan door de hele geschiedenis. Zoals ik me altijd laat meezuigen als het goed gaat met een project.'

Hoe reageerde de familie op het idee?
'Positief. We hebben heldere afspraken gemaakt. Ik moest onafhankelijk kunnen zijn. Maar je hoort natuurlijk veel vertrouwelijks. Daarvan heb ik gezegd: wat ik in archieven en openbare bronnen vind, is zoals het is, dat kan ik niet leuker maken. Maar wat ze mij persoonlijk vertelden, konden ze na afloop veranderen of schrappen. Dat is trouwens vrijwel nooit nodig geweest. Zo hebben we heel prettig samengewerkt.'

Over zulke families met oud geld geldt toch het vooroordeel dat ze in zichzelf gekeerd en teruggetrokken zijn?
'Ik denk daarom dat dit boek twee generaties geleden nog moeilijk geschreven had kunnen worden. Lange tijd is de geschiedenis van de bovenklasse verwaarloosd, of het nu de adel of de elite van een stad als Amsterdam is. Dat heeft voor een deel te maken met de belangstelling van historici. Ik heb zelf ook altijd gekeken hoe de gewone man de geschiedenis heeft ervaren. Maar voor een ander deel komt het door de geslotenheid van de families zélf. Er ligt daarom nog heel veel terrein braak. Ook in Amsterdam, terwijl in de vroedschap nota bene een deel van het buitenlands beleid van de Republiek werd bepaald. Het is haast niet voor te stellen hoe invloedrijk families als Bicker, De Graeff, Huydecoper en Van Beuningen waren. Het waren de "koningen van de Republiek".'

Waarom is de houding van families als de Sixen veranderd?
'Families die zich eeuwenlang als een vesting hadden opgesteld, hebben die muren noodgedwongen afgebroken. Die familiesystemen waren hun manier van overleven. In de loop der tijd sloten ze zich steeds meer af en hielden ze steeds hardnekkiger vast aan hun status, om de sfeer van exclusiviteit overeind te houden. Maar dat was niet vol te houden. Vanaf het midden van de negentiende eeuw nam de kindersterfte sterk af, van de acht kinderen werden er niet langer twee volwassen, maar alle acht. En alle acht hadden recht op een erfdeel. Bovendien kwamen er successierechten. Zo verdampten die familievermogens razendsnel. Na de Eerste Wereldoorlog was voor bijna alle oude Nederlandse families het rentenieren voorbij. Ook de Sixen moesten gaan werken. Sinds de jaren tachtig leeft geen enkele Six meer van het familievermogen. Iedereen werkt. En wat ik me van meerdere kanten heb laten vertellen: daar zijn ze een stuk aardiger van geworden. Ze hoeven geen kapsones meer te hebben.'

Was de familie niet bang voor onthulling van geheimen?
'Daar hebben ze nooit moeilijk over gedaan. Jan II was, zelfs voor achttiende eeuwse begrippen, geweldig corrupt. Op een gegeven moment dook uit het stadsarchief een "secrete notule" op. Daarin betrap je hem met zijn vingers in de suikerpot. Er staat letterlijk in welke bedragen hij ving voor welke dienst. Aan de andere kant: Piet Six was tijdens de Tweede Wereldoorlog een centrale figuur in het verzet, maar de familie zag hem eigenlijk alleen als een mopperende, slome landjonker die met zijn twee zusters in een landhuis woonde en af en toe voor een dienstreisje naar Spanje ging. Waar hij achteraf een gezin bleek te hebben.'

Een ander vooroordeel over oud geld is dat ze schandalen van eeuwen geleden nog altijd zien als aantasting van hun goede naam.
'Jazeker. Wij hebben een loyaliteit met de mensen om ons heen. Zij hebben een loyaliteit door de tijd heen – met generaties uit het verleden én generaties uit de toekomst. Het vermogen, de prestige en de goede naam moeten intact worden doorgegeven. Dat verklaart bijvoorbeeld het verschijnsel dat adellijke families met miljoenen op de bank opvallend zuinig kunnen zijn. Het vermogen moest bewaard worden voor volgende generaties. Maar ook dat is veranderd. Ik kan me niet voorstellen dat de huidige Sixen nog moeite hebben met dit boek. Zo nuchter zijn ze tegenwoordig wel. Bij andere families kan dat zoiets gevoeliger liggen.'

O ja?
'De huidige Oranjes gaan bijvoorbeeld wel nuchter met hun geschiedenis om, maar ze denken nog altijd sterk in familiesystemen. Ik snap nu ook beter waarom ze zo woedend waren – en zijn – op Prins Bernhard. Hij brak immers op allerlei manieren de code’s binnen dit soort families. Hij bracht met al zijn strapatsen de dynastie in gevaar, en dat niet alleen: hij klapte aan het einde van zijn leven ook nog eens uit de school door allerlei intimiteiten door te vertellen aan een paar goedgelovige journalisten. Alles om zijn blazoen schoon te poetsen, al weten we nu dat hij de ene leugen na de andere vertelde. Uit de school klappen is voor zo’n familie niets minder dan hoogverraad.'

In hoeverre zijn de Sixen eigenlijk typische Nederlandse patriciërs?
'Heel typisch. Op een ding na: hun enorme kunstcollectie, die ze altijd hebben gekoesterd. In de negentiende eeuw, toen er tijdens de Tweede Gouden Eeuw van Amsterdam nieuwe rijken opkwamen, voelden nogal wat oude families de noodzaak met deze nouveaux riches te rivaliseren. Door kastelen te bouwen, heel veel bedienden te nemen, een beetje Downton Abbey te spelen. Dat was allemaal zo peperduur dat ze dat nooit konden volhouden – dat hele systeem stortte zo rond de Eerste Wereldoorlog ineen. De Sixen hoefden dat niet. Hun collectie gaf hen prestige en tijdloosheid. Dat was het allerbelangrijkste: tijdloosheid. En de kosten van de collectie zijn aanzienlijk lager dan een van een kasteel. De schilderijen hangen daar gewoon. Al moesten de Sixen uiteindelijk ook gaan werken.'

Waarschijnlijk was dit boek zonder de kunstcollectie niet geschreven. Dan waren de Sixen, die weinig macht hadden, niet bijzonder genoeg.
'Je hebt gelijk. Alleen de collectie onderscheidt hen. Maar ook hun rijke archief. De Sixen waren en zijn pathologische bewaarders. Tot in de jaren zestig hing hun soms stokoude kleding gewoon op de zolder van hun buitenplaats Jagtlust. Nu ligt het in het Rijksmuseum. En minstens zo bijzonder als Rembrandts portret van Jan Six is de zogenaamde Grote Pandora. Je denkt bij dat portret: als je die kop kon openzagen, wat zou je daarin vinden? Dat staat dus in de Grote Pandora: het enorme aantekenboek van dezelfde Jan Six waarin hij alles opschreef, van de diepste filosofische gedachten – hij las Descartes en Spinoza toen die nog rondliepen – tot de platste grappen. Dat is zo'n verschrikkelijk interessante bron. Je leert die twijfelende zoeker van heel nabij kennen.'

U zei eerder: ik bekeek altijd de geschiedenis vanuit de gewone man. Hoe beleefde deze leden van de elite de geschiedenis?
'Bij het bestuderen van zo’n archief – al die plechtige taal van mensen die zichzelf zó belangrijk vinden – word je onvermijdelijk soms bekropen door rebelse gevoelens. Op een gegeven moment zei mijn meelezer, de stadshistoricus Bas Dudok van Heel – zelf ook uit zo’n oude familie afkomstig: "Geert, jij wordt toch geen socialist?" "Bas", zei ik, "dat ben ik al lang". En toch. Mijn taal werd er ongedisciplineerd van. Ik begon "familiekliek" te schrijven. Of: "door en door gecorrumpeerd". Bas riep me tot orde. In de zeventiende en achttiende eeuw draaide nu eenmaal alles om families. Zoals nu gelijkwaardigheid iets vanzelfsprekends is, zo was toen ongelijkheid de norm. Dat was de vaste maatschappelijke orde, door God gevestigd, vol rangen en standen. Maar die orde hield óók in dat iedereen, de hoge families net zo goed, een taak en een opdracht hadden – om bijvoorbeeld de maatschappij te leiden. Dat heeft ook iets moois.'

Waarom?
'Ik moet het niet idealiseren: zeker niet alle Sixen hadden het gevoel een maatschappelijke taak te hebben. Maar sommigen hebben veel gedaan voor het cultureel erfgoed. Het mooie zit hem vooral in het contrast met het huidige systeem waarin alles wordt teruggebracht tot cijfers. Kinderen zijn alleen goed als hun examencijfers hoog genoeg zijn. Bejaardenverzorgers zijn alleen goed als ze de norm van 13,5 minuut per bejaarde halen – en niet als ze ook nog even een lamp voor een bejaarde vervangen. De eerste Jan Six ging ervan uit dat ieder menselijk wezen een ziel had, en die ziel moest worden gekoesterd. Hij zou de huidige levenshouding totaal geperverteerd vinden.'

Hebben deze families nog steeds het gevoel een taak te hebben?
'Er zijn families die dat gevoel nog sterk hebben. De Oranjes bijvoorbeeld. Zeker Beatrix had dat als koningin. Maar of dat voor de Sixen geldt? Ik weet het niet. De huidige heer des huizes voelt een verantwoordelijkheid voor de kunstcollectie. Maar de andere familieleden? Het is in ieder geval niet meer zo dat aristocraten en patriciërs als zij zich nog op hun titels en voorgeslacht voor laten staan. Ze doen in stilte hun werk, waarna je soms veel later hoort: o, hij is ook nog van goede komaf. De aristocratie is ondergronds gegaan. Zelfs het aparte taalgebruik, altijd nog een signaal van het ‘ons kent ons’, slijt nu snel.'

Toen u vorig jaar de Gouden Ganzenveer kreeg uitgereikt, pleitte u in uw dankwoord voor een elite die opnieuw het voortouw nam. Door kwaliteit, empathie en courage te tonen. Moeten families als deze zich daarom weer meer op de voorgrond stellen?
'Ja. Op goede momenten kan de elite naar voren treden en zeggen: ik heb hier de leiding, ik ben hiervoor verantwoordelijk en ik weet er ook verdomd veel van. Eigenlijk hoef je dat niet eens te zeggen. Dat gebeurt, als het goed gaat, bijna vanzelf. Maar wat ik zei was vooral gericht op de politieke elite. Die moet niet iedere ochtend naar opiniepeilingen kijken, maar doen wat er gedaan moet worden. Dán ben je een staatsman. Angela Merkel doet dat. En ja, zij maakt fouten, maar het publiek voelt dat zij doet wat zij moet doen en vertrouwt haar daarom. Helaas zijn er te weinig politici zoals zij.'

Hebben de Sixen ook anderen dan de politieke elite iets te leren?
'Wat ik vooral indrukwekkend vind is hun loyaliteit aan vorige en toekomstige generaties. Dat is deels materieel, maar óók spiritueel. Om in de termen van de eerste Jan Six te spreken: als je die banden te veel doorknipt, beschadig je je ziel. De huidige samenleving is geobsedeerd door het leven in het nu. Daardoor gaat het alleen nog maar om efficiency, productie en commercie. Of alleen nog maar? Te veel, in elk geval. Er is bijna geen enkele vastigheid meer in dit land. Zelfs de postbussen kunnen na een eeuwigheid rood te zijn geweest opeens oranje worden omdat dat de nieuwe kleur van het postbedrijf is. Dat gebrek aan vastigheid heeft geleid tot gevoelens van ontworteling en verwarring, waardoor mensen zich vastklampen aan de beloften van allerlei politieke kwakzalvers.'

Is er een verschil tussen Nederlandse patriciërs en de adel in andere Europese landen – zoals België?
'Zeker, ja. Nederland had sinds de late middeleeuwen geen adelvormende instantie. Alleen een koning kon adel creëren en Nederland kreeg die pas in 1815. Willem I verhief daarna veel oude regentenfamilies tot de adel om die aan zich te binden, en ook omdat het hof in het met België samengevoegde land werd gedomineerd door Belgische baronnen, hertogen en graven. Iedere stedelijke familie die drie generaties lang aanzienlijke posities had bekleed kon toen jonkheer worden. Dat leidde in een stad als Amsterdam tot veel gemor. Terecht, denk ik. Stel, je was een Trip of een Bicker, dan waren je voorouders vaker machtiger en invloedrijker dan die Belgische baronnen en graven. Dan wilde je geen jonkheer worden, het zou minstens ‘graaf Trip’ of ‘hertog Bicker’ moeten zijn. Toch bezweken ze bijna allemaal voor de verleiding.'

Hebben de Nederlanders door die verschillende geschiedenis een andere mentaliteit dan Belgen van hoge geboorte?
'Nederland is altijd heel egalitair gebleven. Dat zie je alleen al aan het feit dat na 1830 – toen de noodzaak verdween om een tegenwicht te vormen tegen de Belgische adel – bijna niemand meer in de adelstand werd verheven. Het was niet meer nodig. Maar het zit ook in de burgermentaliteit van dit land. Al in de zeventiende eeuw. Er waren toen al patriciërs die een titel hadden gekregen, bijvoorbeeld van de Deense koning. In Amsterdam droegen ze die titel echter nooit. Dat deed je gewoon niet. En dat is altijd zo gebleven. Ook je rijkdom: die laat je niet zien. Dat is in andere landen wel anders.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 24 augustus)

Zie ook:

maandag 29 augustus 2016

Geert Mak, 'De levens van Jan Six': de ups en downs van Amsterdamse patriciërs (Athenaeum.nl)

Jan Six, zo heet de man op het beroemde portret van Rembrandt. Maar het is ook de naam van al zijn nakomelingen in rechte lijn. Geert Mak gebruikt in De levens van Jan Six hun verhaal om de lotgevallen van Amsterdamse patriciërs te schetsen. Het resultaat is een fascinerende mentaliteitsgeschiedenis.

De oudste zoon heet Jan. Al meer vierhonderd jaar is dat een ijzeren wet bij de familie Six. De man die Rembrandt in 1654 zo melancholiek portretteerde. De corrupte regent die zestien keer burgemeester van Amsterdam was. De rentenier die zijn tijd op aarde uitzat op zijn landgoed te Hillegom. Allemaal heetten ze Jan Six. Net als de professor in de numismatiek. De brouwerijdirecteur die kunstwerken verborg voor de Duitsers. En het voormalige hoofd oude meesters van Sotheby's. In 2013 werd de twaalfde Jan geboren.
Geen enkele verstandige auteur zou het wagen om de geschiedenis van deze familie te schrijven. Het kan niet anders of de lezer raakt hopeloos de weg kwijt tussen al deze Jannen. Toch kon Geert Mak niet anders toen hij bevriend raakte met de huidige heer des huizes. De familie Six is wereldwijd waarschijnlijk het beroemdste patriciërsgeslacht van Nederland. Wij kennen de Bickers, Tulpen en Van Beuningens wel, maar voor de rest van de wereld telt eigenlijk alleen Six. Die rijke van vriend van Rembrandt, nietwaar?
Toch is het niet alleen te danken aan Rembrandts schitterende doek. De reputatie komt ook omdat het doek niet in een internationaal topmuseum hangt, maar gewoon in het familiehuis aan Amstel 218. De familie heeft met fanatieke bewaarzucht aan de portretten van voorvaderen vastgehouden. En talloze, bijbehorende artefacten. Als Mak een bruidsportret uit 1612 te zien krijgt, kan de heer des huizes dan ook argeloos een lade opentrekken met de vraag: 'Wil je de handschoenen die je op dit portret ziet misschien even vasthouden?'
Mak begint De levens van Jan Six daarom terecht niet met een beschrijving van Rembrandts intieme portret, maar met een rondgang door het huis:

De heer de huizes leidde me rond. In een rommelige zijkamer stonden archiefkasten vol 18e-eeuws papier: kadastrale tekeningen, nota’s van aankopen, bevroren burenruzies. Ze hadden te maken met een landgoed in Hillegom, ergens omstreeks 1730, 1740, maar niemand had die spullen ooit goed uitgezocht. Er hingen portretten: trotse mannen, verstijfde vrouwen, kinderen als draperie, stil bezien ze de schilder. Daarnaast, achteloos, een 19e-eeuws wintertafereeltje.

Wat volgt is een fascinerende mentaliteitsgeschiedenis. Mak gebruikt het verhaal van de familie Six om te vertellen hoe het de stedelijke bovenklasse de afgelopen eeuwen is vergaan. In de zeventiende eeuw waren ze de nouveaux riches van hun tijd. Anderhalve eeuwen verdeelden ze onder elkaar de baantjes en de lucratieve extraatjes. Na de Napoleontische tijd resteerde alleen hun status, waar ze fanatiek aan vasthielden. Tot het onmogelijk werd om te blijven rentenieren met het langzaam verdampende vermogen.
 De familie Six blijkt ideaal voor dit verhaal. Hun lotgevallen lopen perfect synchroon met die van hun klasse. Dat begint bij Charles en Jean Six – de grootvader en vader van de eerste Jan – die na hun vlucht uit Saint-Omer een bloeiende lakenhandel opbouwden (hoewel dat vooral te danken is aan Jeans weduwe Anna Wijmer, die óók is geportretteerd door Rembrandt). En dat eindigt met de twintigste eeuwse Sixen die, mede door de invoering van successierechten, gedwongen werden om te gaan werken.
Alles zit erin. Jan Six II is een archetypische bestuurder die niet investeert in risicovolle ondernemingen als de VOC, maar een ritselaar die de mechanismen aanwendt om zijn rijkdom gestaag uit te bouwen. Jan Six VI is een negentiende eeuwse vertegenwoordiger van oud geld die zich zonder veel poeha inzet voor de goede zaak. In zíjn zitkamer werd in 1858 het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap opgericht om het nationale verleden te bestuderen en te koesteren, bij uitstek een zaak waarvoor de Sixen warmlopen.
Daarbij veroorlooft Mak zich enkele uitstappen als het verhaal van al dan niet aangetrouwde verwanten te interessant is om te negeren. Lucretia van Merken was slechts de tweede vrouw van de overgrootvader van Jan Six VI, maar als schrijfster en bewonderaar van de Amerikaanse revolutie veel boeiender dan welke Six uit die tijd ook. Of Piet Six. Als centrale figuur van de OD was hij een van de belangrijkste verzetsmannen in de Tweede Wereldoorlog, een heldendaad die niet overeenstemde met zijn reputatie in de familie.

Oom Piet teerde, na zijn handvol glorieuze jaren, op zijn status. Op de voorgrond trad hij nooit, hij kon uitstekend observeren, wist alles en deelde niets. Hij behield zijn vaardigheid in het leiden van dubbellevens: zo nu en dan was hij even helemaal weg, dat was iedereen van hem gewend. Na zijn dood bleek dat hij er in Spanje een gezinnetje op na had gehouden. Jarenlang sliep hij nog met een pistool onder zijn kussen, nog altijd beducht voor revanche, van welke zijde ook.

Slechts op een punt wijkt de familie Six af van het typische patriciërsverhaal. Dat heeft toch weer te maken met hun befaamde kunstcollectie. Veel oude rijken zagen zich bij de opkomst van succesvolle industriëlen aan het einde van de negentiende eeuw gedwongen hun status te benadrukken door enorme woonhuizen te bouwen en veel personeel in dienst te nemen. Daardoor verarmden ze des te sneller. De Sixen hoefden dat niet. Zij hadden hun schilderijen. Dat gaf hun meer dan voldoende tijdloos prestige.
Mak heeft een goed oog voor de betekenis van het detail voor de grote lijn. Hij laat in De levens van Jan Six opnieuw zien dat hij niet alleen een begenadigd verteller is die de beste anekdotes licht uit het onafzienbare archiefmateriaal. Hij houdt het hele boek de rode draad stevig in handen. Ook een zijpad als het verhaal van Lucretia van Merken plaatst hij in het grotere kader. En die overvloed aan Jannen? Mak is natuurlijk zo'n goed schrijver dat geen enkele lezer ze ooit door elkaar zal halen.
(Eerder gepubliceerd op Athenaeum.nl, 26 aug)

Zie ook:

zaterdag 27 augustus 2016

Interview Thomas Heerma van Voss over de Buchmesse en Duitse vertalingen (Boekblad)

Hoe ervaren schrijvers boekhandels, uitgevers en de boekenvakorganisaties? In de rubriek 'De schrijvers & het boekenvak': Thomas Heerma van Voss, wiens roman Stern onlangs in vertaling is uitgebracht. Iedereen raadt hem af om naar de Frankfurter Buchmesse te gaan.

Afgelopen weekend startte de eerste van drie Pressereisen die het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren hebben georganiseerd om Duitse journalisten voor te bereiden op het Nederlands-Vlaamse gastlandschap tijdens de Frankfurter Buchmesse 2016. Thomas Heerma van Voss (26) sprak zondagochtend samen met Bregje Hofstede en Guus Kuijer in het Rijksmuseum over hun recent in het Duitse verschenen werk – en over een kunstwerk uit het museum dat hen heeft geïnspireerd. Thomas Heerma van Voss publiceerde twee romans, een verhalenbundel en – samen met zijn broer Daan – de thriller Ultimatum.

Toonden de journalisten zich zo geïnteresseerd dat het Nederlands-Vlaams gastlandschap niets anders dan een succes kan worden?
'Een gesprek zou ik het niet noemen, het was eerder een monoloog mijnerzijds – althans, dat was me gevraagd door het Letterenfonds, en ik deed mijn best. Er waren pakweg vijftien, twintig journalisten. Ze luisterden goed, of wekten in elk geval die indruk. Over het eventuele succes van het Nederlands-Vlaams gastlandschap deden ze geen uitspraken en ik doe dat ook niet, maar mijn bescheiden ervaring zegt dat er genoeg interesse vanuit de Duitse pers zal zijn.'

Over welk kunstwerk sprak u en waarom?
'Ik sprak over De tekenles van Abraham van Strij, een Dordtse schilder uit de achttiende en negentiende eeuw. Het is een klein, ingetogen doek, waarop een kind tekenles krijgt van een volwassen man. Zijn het vader en zoon, enkel docent en pupil? Dat blijft in het midden. Ze lijken niet op elkaar. Ze hebben hun ogen allebei op een ander punt gericht. En, ook mooi: de vader kijkt niet naar de zoon, maar naar zijn eigen hand, naar wat hij probeert uit te leggen. Vanwege al deze kenmerken vond ik het doek thematisch passen bij mijn roman Stern. Ook daar draait het om een vader en een zoon.'

Dit jaar verschijnt voor het eerst werk van u in Duitse vertaling: Stern. Wat betekent dat voor u?
'Het is mijn eerste werk dat vertaald wordt. Dat vind ik een bijzondere eer, en hoewel het iets is wat me niet dagelijks bezighoudt, geeft dit besef me een zeldzame voldoening. Het kostte me ooit veel moeite om Stern te schrijven, om het af te krijgen, er zijn momenten geweest dat ik het boek wilde weggooien. Dit sterkt me in het idee dat ik er goed aan heb gedaan door te schrijven.'

Wie heeft het vertaald?
'De roman is vertaald door Ulrich Faure, een vertaler aan het begin van zijn carrière. Hij mailde me over iedere detailkwestie, soms ook over zaken die niets met de vertaling te maken hadden. Een aangenaam contact. In gesprekken bleek bovendien dat hij dit allerminst als routineklus zag, maar een grote verwantschap voelde met mijn fictiewerk, dat hij zelfs alles gelezen had - geen vereiste voor een vertaling, wel bijzonder aangenaam. Ik heb de vertaling slechts deels gelezen, mijn Duits is niet hoogdravend, maar wat ik las vond ik uitnodigend. Veel zinnen klonken in Faure's Duits krachtiger dan in mijn Nederlands.'

Zijn vertalingen ook financieel belangrijk – om zo van het schrijverschap te kunnen leven?
'Nee, in mijn geval niet. Misschien als het gaat om grote voorschotten in veel landen, bij mij is het niet aan de orde.'

De vertaling wordt gepubliceerddoor uitgeverij Schöffling & Co, dat ook de rechten heeft gekocht voor Ultimatum. Wat is dat voor uitgeverij? Wat doen ze om u te laten doorbreken in Duitsland?
'Wat ze doen: geen idee. Voor zover ze een plan hebben, stellen ze mij daar niet van op de hoogte, wat ik zeker in dit stadium prima vind. Ik kende Schöffling niet voor zij contact zochten, eerst voor de vertaling van Stern (dat in Duitsland Stern geht heet) en toen voor de vertaling van Ultimatum. Hun fonds is bescheiden, ingericht op literaire titels. Om me heen heb ik meerdere keren de vergelijking met het Nederlandse Cossee gehoord.'

U treedt in oktober op in Duitse musea, bibliotheken en boekhandels. Wat vindt u van dergelijke optredens?
'Zoals ik al zei spreek ik matig Duits: ik kan hoofdlijnen van gesprekken wel volgen, maar zelf geen vloeiende Duitse gesprekken voeren, zeker niet op een podium. Mijn optredens in oktober zullen dus aan de hand van mijn vertaler zijn, die dan dienstdoet als tolk. Ik heb al veel verhalen gehoord over de beleefdheid, interesse en het geduld van Duitse lezers - ik zie ernaar uit dat in het echt te mogen meemaken. Hopelijk blijven ze geïnteresseerd wanneer ze merken dat ik hun taal amper spreek.'
  
Gaat u naar de Frankfurter Buchmesse? Wordt dat uw eerste keer?
'De verwachting is dat ik daarheen ga, tenminste, mijn vertaler en uitgever hebben meerdere keren gezegd dat ze me daar in elk geval zullen zien, maar het is me nog niet helemaal duidelijk wat ik daar geacht word te doen. Er wordt een hotel geboekt, op een van de dagen moet ik voorlezen, verder zal ik het wel zien. Het wordt mijn eerste keer Buchmesse - een belevenis die me van meerdere kanten is afgeraden, trouwens.'

O ja, waarom? Door wie?
'Vanwege de schijnbaar allesoverweldigende drukte. Eigenlijk zei iedereen dat die de afgelopen jaren in Frankfurt is geweest.'

Tot slot: welk boek leest u op dit moment? En bevalt dat u?
'Momenteel lees ik Anna in kaart gebracht van de Tsjechische auteur Marek Šindelka. De uitgever noemt het een 'mozaïekvertelling', anderen spreken van een roman, op mij komt het vooralsnog meer over als een verhalenbundel. Maar, belangrijker: het bevalt vooralsnog, zeker.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 24 aug)

Zie ook hier voor een stuk over de twee romans van Thomas Heerma van Voss. 
En voor meer stukken over de aanstaande Frankfurter Buchmesse hier:
- Uitgeverijen Mairisch en btb over de Duitse en Nederlandse boekenmarkt


woensdag 24 augustus 2016

De intieme stem van Elena Ferrante

'Nog voordat de inhoud me meesleepte, trof me dat ik in het schrijven Lila's stem hoorde. En dat niet alleen. Vanaf de eerste regels moest ik aan De blauwe fee denken, de enige tekst die ik tot dan toe van haar had gelezen, behalve de opstelletjes van de lagere school dan, en ik begreep wat me indertijd zo was bevallen. De  blauwe fee had dezelfde eigenschap die mij nu zo trof: Lila wist via haar schrijfstijl te praten.'
(Elena Ferrante, De geniale vriendin, pag. 226)

Het is een cliché om een citaat uit een boek te lichten en vervolgens te zeggen dat hetzelfde geldt voor dat specifieke boek. Alsof het boek zichzelf recenseert, lekker makkelijk. En toch. Ik las deze reactie van Elena op de brief van Lila en dacht: dat is precies waarom dit eerste deel van de Napolitaanse romantetralogie mij zo snel zo dierbaar is geworden. Je hóórt haar stem, een zeldzame eigenschap van fictie.
Daarmee bedoel ik dat Elena alleen tot mij lijkt te spreken. De meeste vertellers steken hun verhaal af voor een groot gehoor, ongeacht wie er in het publiek zit. Iedereen mag het horen. Maar Elena is een vrouw van vlees en bloed die op een laat uur op bezoek is gekomen, het tijdstip waarop alleen intieme gesprekken kunnen worden gevoerd, en mij – en mij alleen – zo eerlijk mogelijk haar verhaal in het oor fluistert: intiem, persoonlijk, intelligent, scherpzinnig. Alleen als die illusie optreedt, kun je de gewaarwording hebben dat je bij het lezen een stem hoort.
Zo gaat het citaat een paar regels later verder:

'Ik las en intussen zag en hoorde ik haar. Haar in haar schrijfstijl gevatte stem sleepte me mee, bracht me nog meer in verrukking dan wanneer we onder vier ogen praatten: hij was volledig gezuiverd van de residuen van de alledaagse dialoog, van de chaos van het mondelinge.'

Precies, dacht ik opnieuw. Dat is de reden waarom ik na De geniale vriendin meteen door wilde gaan met deel twee van de Napolitaanse romans: De nieuwe achternaam – desnoods ten koste van alle afspraken met familie, vrienden en kennissen waarmee mijn agenda zich vult. Als een stem in literatuur tegen je praat zoals Elena tegen mij, hoor je zó veel liever haar verhaal dan de per definitie warrige en half gelogen verhalen van de echte mensen in je leven, hoe dierbaar ze je ook zijn.
Inmiddels ben ik verdergegaan met deel twee. Maar ik zeg erbij: ik probeer de neiging te onderdrukken om het lezen van zulke intieme literatuur voorrang te geven. Uiteindelijk heb je in het echte leven aan personages alleen troost, en zo veel meer aan het contact met familie, vrienden en kennissen.

Zie ook:

zondag 21 augustus 2016

Interview Ursula Bergenthal van btb Verlag: 'Nederlandse schrijvers zijn relaxed en enthousiast' (Boekblad)

In de opmaat naar Frankfurt 2016 zijn het afgelopen jaar de banden tussen Nederlandse en Duitse uitgeverijen aangetrokken. Btb-hoofdredacteur Ursula Bergenthal die veel Nederlandse schrijvers in Duitsland uitgeeft was in Amsterdam om Nederlandse collega’s en auteurs te ontmoeten. Zij vindt Nederlandse auteurs opvallend professioneel: ‘Ze denken ook mee over de marketing, komen met goede ideeën, staan voor alles open.’

De economische crisis van de afgelopen jaren trof het Nederlandse boekenvak sterker dan het Duitse. Ursula Bergenthal, hoofdredacteur van btb Verlag in München, herinnert zich een Frankfurter Buchmesse van twee, drie jaar geleden. ‘Toen hoorde ik meerdere keren van agenten dat een afspraak met een Nederlander niet doorging omdat de redacteur was ontslagen of een andere functie had gekregen.’
Ze is er niet jaloers op. Maar het diepe dal heeft in Nederland wel tot een vernieuwing geleid die ze graag in Duitsland zou zien. ‘Ik denk aan Das Mag die in juni een leesclubfestival in Berlijn heeft georganiseerd. Je ziet zulke innovatieve evenementen ook wel in Duitsland, maar het blijft overwegend conventioneel: een auteur die een uur voorleest. Bij Nederlandse uitgeverijen zie je veel jonge redacteuren met goede ideeën die al snel verantwoordelijkheid krijgen. Ze zijn toegewijd, creatief en flexibel.’

Opmarket literaire fictie
Bergenthal werkt sinds 2008 bij uitgeverij btb in München. Deze dochter van Random House werd twintig jaar geleden opgericht als pocketuitgeverij. Het idee was om zich te onderscheiden met kwaliteit. Inhoudelijk, met upmarket literaire fictie en een groeiend aandeel non-fictie. En in uitvoering. Maar de directie realiseerde zich vrijwel meteen dat dat onvoldoende was voor een rendabele Taschenbuchverlag. Al in 1997 begon btb ook originele Duitstalige en vertaalde fictie in hardcover uit te geven. Momenteel verschijnen 10 tot 12 pockets per maand en 15 tot 20 hardcovers per jaar.
De Cheflektorin doet, zoals de hele redactie, zowel pockets als hardcovers. Het werk is binnen btb verdeeld naar regio. Bergenthal heeft Nederland en Vlaanderen in haar portefeuille. Zo verzorgde ze pocketuitgaven van auteurs als Marcel Möring, Anna Enquist, Esther Verhoef, Dimitri Verhulst en Stefan Brijs, wiens Der Engelmacher een van de eerste boeken was die ze deed. Daarnaast is ze de Duitse uitgever van onder anderen Bram Dehouck, Arjen Lubach, Ernest van der Kwast, Griet op de Beeck, Bert Wagendorp en Olga Majeau. De meeste van deze auteurs haalde ze naar btb met het oog op het aanstaand Nederlands-Vlaamse gastlandschap van de Buchmesse. 
‘We brengen ook taschenbuch-originals’, zegt Bergenthal. ‘Sommer ohne Schlaf en Der Psychopath van Dehouck, maar ook Der fünfte brief van Arjen Lubach. Dat is een fastpaced misdaadroman, die makkelijker verkocht zal worden als paperback. De boekhandel moet dat boek in grote aantallen kunnen neerleggen en makkelijk bij kunnen bestellen. Een meer literaire roman zal eerder als hardcover verschijnen, omdat we dan echt de aandacht in de pers nodig hebben.’

Relaxed
Bergenthal denkt niet dat de Nederlandse en Duitse boekenmarkt, los van de ernst van de crisis, erg verschillend zijn. Beide landen kennen een bloeiende boekhandelscultuur en mooie uitgeverijen, beschermd door een vaste boekenprijs. Het zijn details die het boekenvak anders maakt. ‘Het e-boek is een groter risico voor jullie omdat er meer illegaal wordt gedownload. En er is in Nederland meer concurrentie van Engelstalige uitgaven, al leest men in Duitsland ook steeds meer Engels in het origineel.’
Ook de leescultuur is sterk vergelijkbaar. Btb positioneert haar Nederlandse auteurs dan ook niet als nieuwe stemmen uit een exotisch buitenland. Voor Duitsers is Nederland en Amsterdam weliswaar nog altijd synoniem met tolerant en vrij, dát maakt de aangekochte boeken en auteurs niet uniek. ‘Brijs woont in Spanje en schrijft over internationale onderwerpen. Van der Kwast is half-Indiaas en woonde lange tijd in Zuid-Tirol. Die Eismacher speelt zich deels daar af.’
In de marketing staan daarom de boeken zélf centraal. ‘Ventoux van Bert Wagendorp gaat over vriendschap en de Tour de France. Die elementen benadrukken we. We hebben de verschijning daarom naar voren gehaald: eind juni, vlak voor de Tour begon. Voor de promotie van Die Eismacher stellen we boekhandels een ijsmachine ter beschikking voor als Van der Kwast een lezing geeft. Hij was hier al begin juni, maar de belangstelling is zo groot dat hij in september weer komt.’
Het valt Bergenthal op hoe professioneel Nederlandse auteurs zich opstellen. Hun schrijverschap houdt niet op als de tekst af is. ‘Ze zijn gewend interviews te geven en met lezers te praten. Ze doen dat heel relaxed en enthousiast. Ze weten hun werk goed te positioneren. Ze denken ook mee over de marketing, komen met goede ideeën, staan voor alles open. In Duitsland stellen jonge schrijvers zich ook steeds meer op die manier op, maar nog niet in de mate als Nederlandse schrijvers. Heel fijn.’

Charisma
Afgelopen maart was Bergenthal op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds enkele dagen in Amsterdam. Daar deed deze indrukken over haar auteurs op. ‘Het was heel nuttig om met hen en hun uitgevers te praten. Toen kreeg ik bijvoorbeeld het idee hoe we Ventoux in de markt kunnen zetten. Eigenlijk nemen we de aanpak van Atlas Contact over. Ook wist ik meteen dat we Griet Op de Beeck moeten uitnodigen toen ik zag hoe immens haar charisma is. Zij pakt iedereen in.’
Het is altijd goed om buitenlandse uitgevers en auteurs te zien in hun eigen omgeving, vindt de Cheflektorin. Veel meer dan aan een tafeltje op het immense Messe-terrein snap je inzet en reikwijdte van een fonds als je op de burelen van een uitgeverij bent geweest. ‘Daarna is het makkelijker om de telefoon te pakken om een vraag te stellen. Met Amerikaanse en Engelse uitgeverijen loopt het contact veel meer via agenten en scouts. Dat maakt zulk collegiaal overleg lastig.’
Als het even kan, gaat Bergenthal dan ook altijd in op uitnodigingen van buitenlandse instellingen ter promotie van hun literatuur. ‘Het Nederlandse Letterenfonds doet dat briljant. Victor [Schiferli] en Reintje [Gianotten] zorgen ervoor dat je iedereen ontmoet – wat niet zo moeilijk is, omdat in Amsterdam iedereen handig bij elkaar zit. Ze geven objectieve informatie en selecteren met hun brochures mooi de beste boeken uit Nederland waar je op moet letten.’

Ze ijkt er nu al naar uit om hen weer te zien tijdens de Messe. En alle anderen die ze in maart heeft ontmoet.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine 7/8, 2016)

Zie ook:

maandag 15 augustus 2016

Diederik van Leeuwen, voorzitter Stichting Leenrecht: ‘Bibliotheken en uitgevers moeten de leestaart samen groter maken’ (Boekblad)

Bibliotheken dragen jaar na jaar minder geld af voor het uitlenen van boeken. Sluiten de afspraken met de rechthebbenden nog aan bij de huidige bibliotheekpraktijk? En wat speelt er op Europees niveau? Het ministerie van OCW is onlangs een onderzoek gestart. Diederik van Leeuwen, voorzitter van Stichting Leenrecht en voormalig directeur van Bibliotheek.nl, over leenrecht, schoolbibliotheken én de impact van e-boeken.

Natuurlijk merken auteurs en uitgevers het. De inkomsten uit het uitlenen van boeken nemen zo fors af, dat kan niet anders. De incasso loopt terug met acht ton per jaar – op een totaal van 12,5 miljoen euro in 2015, en dat al enkele jaren achter elkaar. Zoals thrillerschrijver Jacob Vis het eerder dit jaar scherp verwoordde: ‘Ik heb twee keer zo veel boeken geschreven als vijftien jaar geleden, maar ik haal maar half zo veel inkomen uit mijn leenvergoedingen als vijftien jaar geleden.’
Hoe kan dat? ‘De achteruitgang van de incasso loopt gelijk met de achteruitgang van de uitleencijfers. Logisch’, zegt Diederik van Leeuwen voorzitter van Stichting Leenrecht. ‘Twintig jaar geleden werden 160 miljoen boeken uitgeleend, nu ongeveer de helft.’ Maar dat is niet het hele verhaal, gaat hij in één moeite door. Om te beginnen: kloppen de uitleencijfers wel? Vijfentwintig jaar na oprichting van de Stichting Leenrecht hebben bibliotheken nog altijd geen uniforme manier van uitleningen registreren en rapporteren. ‘Volgens het CBS lenen bibliotheken zo’n 80 miljoen materialen uit, volgens een eerste analyse van ons zou het aantal uitleningen in werkelijkheid eerder 110 miljoen zijn. Deze verschillen geven al aan dat we een uitdaging hebben de definities van een uitlening scherp te krijgen. En natuurlijk vooral over welke uitlening al dan niet moet worden afgedragen. Is een te laat teruggebracht boek een verlengde uitlening als daar een boete voor wordt betaald? En wat als de bibliotheek boetes afschaft?’

Mediatheek
Een belangrijke recente ontwikkeling is de groei van de schoolbibliotheek. Deels is dat een gevolg van bezuinigingen in de bibliotheeksector. Filialen sluiten, waarvoor uitleenpunten terugkomen in zorgcentra, gemeentehuizen en, niet zelden, scholen. Voor een ander deel komt het door het leesbevorderingsbeleid. Met subsidie van de overheid hebben openbare bibliotheken bestaande schoolbibliotheken opgetuigd, opdat leerlingen meer gaan lezen. De Bibliotheek op school (dBos) heet dat programma.
Mediatheken op scholen hoeven geen vergoeding voor het uitlenen te betalen. Maar het probleem is: wanneer is een mediatheek een volbloed schoolbibliotheek en wanneer de facto een vestiging van een openbare bibliotheek? ‘Ook hier zie je allerlei lokale varianten met dito interpretatie van het leenrecht’, zegt Van Leeuwen. ‘Sommige bibliotheken schuiven een kratje boeken naar binnen en registreren niets. Andere scholen runnen met behulp van de lokale bibliotheek zelfstandig een mediatheek die ook toegankelijk is voor omwonenden.’
De huidige regels stammen uit een tijd dat de bibliotheek vooral boeken uitleende via eigen vestigingen in dorp, wijk en stad. Ondertussen is niet meer duidelijk waar nu de grens ligt tussen wel moeten en niet hoeven betalen door de mengvormen van uitlenen die zijn ontstaan. ‘Bibliotheken zijn niet van kwade wil. Maar feit is dat soms ten onrechte geen vergoeding wordt betaald of dat er andere ongewenste effecten optreden. In Den Bosch bijvoorbeeld heeft de bibliotheek filialen gesloten en schoolbibliotheken geopend. In het jaarverslag juicht de bibliotheek: “Aantal uitleningen weer voorbij de 1 miljoen!” Heel mooi. Maar de uitleenvergoeding is daar ondertussen wel gehalveerd. Hoe leggen we dat uit aan de auteur? Tegelijkertijd zou het ook heel vreemd zijn de bibliotheek te beperken in deze blijkbaar succesvolle aanpak.’

Ontmoetingsplek
Een andere reden waarom de jaarlijkse incasso van leenrechtgelden daalt is de opkomst van wat Van Leeuwen ‘overige initiatieven’ noemt. Denk aan: minibiebs, particuliere buurtbibliotheken, ruilbibliotheken. ‘Dat zijn vaak sympathieke, kleinschalige initiatieven,’ zegt hij. Zeker als vrijwilligers in kleine kernen de lokale ontmoetingsplek, ter plekke vaak de enige collectieve voorziening, verrijken met een bescheiden collectie, juicht iedereen dat toe..
Maar ook hier geldt: sommige initiatieven zijn wel degelijk verplicht de rechthebbenden schadeloos te stellen – zeker buurtbibliotheken die een alternatief willen zijn voor een wegbezuinigd filiaal. Van Leeuwen: ‘Wij kunnen niet alle initiatieven najagen. Handhaving kost immers ook geld. Maar we zullen wel in 2017 een voorlichtingscampagne starten die zich onder andere richt op lokale politici van gemeenten die buurtbibliotheken subsidie geven.’

E-boeken
Naar verwachting veel groter is de impact van het e-boek op de toekomst van het leenrecht. Bibliotheken willen dezelfde vrijheid om e-boeken beschikbaar te stellen aan het publiek – en niet afhankelijk zijn van uitgevers die hun titels niet of pas jaren na verschijnen vrij geven. Onder het leenrecht zouden bibliotheken geen toestemming nodig hebben van uitgevers en auteurs. Om die reden is de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) een proefprocedure gestart tegen Stichting Leenrecht. De bedoeling is zo snel mogelijk op het hoogste niveau duidelijkheid te krijgen over de vraag of e-boeken onder het leenrecht zouden moeten vallen. In zijn advies heeft de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie op 16 juni jl. verklaard dat er in de aard geen verschil is tussen papieren boeken en e-boeken, en de auteurswet op dit punt ruim moet worden geïnterpreteerd. Dit betekent in zijn visie dat bibliotheken e-boeken onder het leenrecht zouden mogen uitlenen. Van Leeuwen: ‘Het Hof moet dit najaar nog een definitief oordeel vellen, maar het advies geeft wel de geest weer die rondwaart in Brussel waarbij auteurs, makers en muzikanten meer beschermd gaan worden tegen, zoals dat gesteld wordt, puur op winst beluste tussenpartijen.’
Stichting Leenrecht heeft formeel geen mening over deze kwestie, omdat binnen haar gelederen organisaties vertegenwoordigd zijn die hierover geen consensus hebben. ‘Het is tegelijkertijd ook heel moeilijk in te schatten wie hier nu winnaar of verliezer wordt. Persoonlijk denk ik dat in Nederland de lees-taart beter in gezamenlijkheid groter gemaakt kan worden dan elkaar proberen taartpunten af te snoepen. Veel verstandiger zou het zijn op brancheniveau in samenhang naar alle afspraken en wetgeving te kijken, want daar heeft de advocaat-generaal een punt: als je de huidige wetgeving te strikt hanteert staat dit nieuwe ontwikkelingen in de weg.’ En de op winst beluste partijen? ‘Daar hebben we in Nederland gelukkig minder last van. We kunnen het in ons polderlandje prima onderling oplossen met afspraken die passen bij de huidige ontwikkelingen.’
Het is nu dan ook een goed moment om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de stand van zaken in het uitlenen van auteursrechtelijk beschermd materiaal en de impact van al deze ontwikkelingen te gaan bepalen. Het ministerie van OCW heeft mede op ons verzoek daarom onlangs een onderzoeksbureau aan het werk gezet’.

One copy one user
Sommige uitgevers beweren dat een onbeperkt e-boekaanbod van bibliotheken commerciële marktpartijen de ruimte ontneemt om nieuwe businessmodellen op te zetten. ‘In de eerste plaats gaat de uitspraak van het Hof straks over het one copy / one user-model, dus dat is al een beperkt model mocht dat de standaard gaan worden. Daarbij kun je je afvragen wat die alternatieven toevoegen en met wie je als uitgever zaken wil doen. Een bedrijf met een all you can read-abonnement heeft er baat bij dat klanten niet te veel lezen, anders moeten ze de rechthebbenden te veel betalen. Ze moeten precies zo veel lezen dat de uitgever aan boord blijft.’
En wat als een commerciële partij te succesvol wordt? Denk: Amazon. ‘We weten wat hun businessmodel is: zo veel mogelijk schakels tussen maker en lezer eruit halen. Op termijn wil dit soort bedrijven ook de rol van uitgevers minimaliseren. Dan krijg je een dominante commerciële partij die de voorwaarden dicteert. Met bibliotheken – die ideële doelen hebben, niet in de laatste plaats leesbevordering – zijn naar mijn ervaring goede afspraken te maken waar het hele boekenvak van profiteert.’
Bibliotheek.nl startte in 2014 met e-lending, is inmiddels naar 300.000 accounts gegroeid en heeft in maart dit jaar het 3 miljoenste e-boek uitgeleend, nog los van de succesvolle jaarlijkse Vakantiebieb. Toch gelooft Van Leeuwen niet in onbeperkt digitaal lezen. ‘Er zal altijd een beperking in moeten zitten, bijvoorbeeld in de uitleentermijn of het aantal e-boeken dat een lid mag lezen. Het gaat er om dat bibliotheken hun kerntaken kunnen blijven uitvoeren én dat auteurs en uitgevers hun geld moeten kunnen verdienen. De uitdaging van deze tijd is om hierin een balans te vinden.’
Dat die gevonden gaat worden, daarvan is Van Leeuwen overtuigd. Hij merkt hoe constructief partijen zich binnen Stichting Leenrecht opstellen. ‘Binnen de stichting is consensus over de volgorde waarin we nu stappen willen zetten: we wachten de uitspraken van het Hof in Luxemburg en de uitkomsten van het OCW onderzoek af. Pas daarna voeren we de discussie over mogelijke gevolgen en maatregelen.’

Hoe werkt het leenrecht?
Bibliotheken mogen volgens de auteurswet ieder papieren boek uitlenen. Zij betalen auteurs daarvoor een vergoeding, die in overleg tussen bibliotheken en rechthebbenden momenteel is vastgesteld op 13,25 cent per uitlening. Soortgelijke afspraken zijn gemaakt voor onder andere dvd’s, cd’s, kunst en partituren – maar níet voor e-boeken. Bibliotheken kunnen die, tot hun verdriet, alleen per titel inkopen bij de uitgever. Stichting Leenrecht incasseert de uitleenvergoedingen van bibliotheken en verdeelt die onder makers (70 %) en de uitgevers (30%). Van het deel voor makers gaat 83% naar Lira, die dat verdeelt onder schrijvers en vertalers, en 17% naar Pictoright, die dat verdeelt onder beeldmakers.

Wat betekent het leenrecht voor schrijvers en uitgevers?

Het leenrecht vormt een belangrijke bron van inkomsten voor schrijvers en uitgevers, met name in de categorieën die veel worden geleend door bibliotheken, zoals kinderboeken, streekromans en thrillers. Zo zijn kinderboekenschrijvers vaak voor éénderde tot soms wel de helft van hun inkomen afhankelijk van leenrecht. Hetzelfde geldt voor vertalers van populaire buitenlandse titels. Een streekromanschrijfster als Gerda van Wageningen haalt zestig procent van haar inkomen uit de uitleen. Voor uitgevers van dit soort titels zijn de inkomsten via de bibliotheek een essentieel onderdeel van de exploitatie.
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, jul 2016)

Zie ook: