vrijdag 23 september 2016

ECI Literatuurprijs 2016: 22e nominaties Arnon Grunberg, dieptepunt voor Vlamingen, record voor vrouwen

En opnieuw staat Arnon Grunberg op de shortlist van een grote literaire prijs. Kijk maar naar de lijst die vorige week vrijdag bekend werd gemaakt:

Rivieren – Martin Michael Driessen
Moedervlekken – Arnon Grunberg
Goldberg – Bert Natter
Op de rok van het universum – Tonnus Oosterhoff
Jij zegt het – Connie Palmen
Zachte riten – Marja Pruis

Het is de twintigste keer dat Grunberg onder eigen naam meedingt naar de hoofdprijs. Zeven keer daarvan betrof het de shortlist van de AKO/ECI Literatuurprijs, vijf keer de Gouden Uil/Fintro Literatuurprijs en acht keer de Libris Literatuurprijs. Daarnaast stond zijn pseudoniem twee keer op een shortlist. Grunberg laat hiermee zijn naaste belagers ver achter zich. A.F.Th. van der Heijden, Tom Lanoye en Jeroen Brouwers komen ieder tot tien nominaties.
De laatste zes van de ECI Literatuurprijs 2016 telt daarnaast drie debutanten: Martin Michael Driessen, Bert Natter en Tonnus Oosterhoff. Voor Connie Palmen en Marja Pruis is het respectievelijk de vierde en de tweede keer. Wel heeft Palmen drie van de vier nominaties te danken aan hetzelfde boek: Jij zegt het, dat eerder dit jaar de Libris won. Wordt zij daarmee ook de eerste die twee prijzen met hetzelfde boek wint? Waarschijnlijk niet. Een jury moet wel heel erg overtuigd zijn van de kwaliteiten van het boek wil het het oordeel van een andere jury navolgen.
Opvallend is ook het ontbreken van Vlamingen op de shortlist. Nu is dat weliswaar vaker gebeurd. Maar: de keuze van de ECI-jury betekent dat geen enkele grote prijs een Vlaamse auteur in zijn laatste selectie had. Dát is nog nooit gebeurd.
Dat contrasteert met het aantal vrouwen op de lijst. De twee schrijfsters bij de laatste zes van de ECI maakt dat de drie jury's van de grote literaire prijzen in totaal 8 vrouwelijke auteurs nomineerden. Op 17 nominaties in totaal – dus bijna de helft. Zo veel was het nog nooit.
Zie ook de statistieken van de Fintro- (hier) en de Libris-shortlists (hier) van dit jaar.

dinsdag 20 september 2016

Interview Jef van Gool (Literatuurplein): 'Het zal moeilijk worden Literatuurplein los te laten' (Bibliotheekblad)

Of hij nu de kwaliteit van de aanschafinformaties voor bibliotheken beoordeelde of een informatieve website over boeken beheerde, Jef van Gool had tijdens zijn lange carrière in de bibliotheekwereld altijd maar één doel: mensen kennis laten maken met boeken en enthousiasmeren voor lezen. De leesbevorderaar in hart en nieren neemt nu afscheid.

Het is dat bibliotheekorganisaties af en toe fuseren, reorganiseren of splitsen. Anders zou de LinkedIn-pagina van Jef van Gool er karig uit hebben gezien. De productmanager Literatuurplein, zoals zijn laatste functie luidt, werkte veertig jaar voor dezelfde organisatie. Alleen: in 1976 heette die nog het Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum. In 1992 werd dat de Vereniging van Openbare Bibliotheken, waarna hij na de ontvlechting in 2011 bij Stichting Bibliotheek.nl terecht kwam. En op 15 september nam hij afscheid van de Koninklijke Bibliotheek, waar BNL vorig jaar in opging.
Uit alle fases van zijn carrière heeft de geboren en getogen Vlaming allerlei producten, beleidsvoorstellen en boeken bewaard. In de dagen voor zijn laatste werkdag moest het allemaal worden opgeruimd. Met spijt in zijn hart. 'Ik ben blij dat de KB me vier maanden na mijn AOW-leeftijd heeft laten blijven', vertelde hij tussen de werkzaamheden door. 'Ik had best nog langer willen blijven. Het zal onwezenlijk zijn niet meer elke dag naar mijn werk te gaan. Literatuurplein is zo'n integraal deel van mijn leven geworden. Ook 's avonds en in het weekend was ik ermee bezig. Als Nieuwsuur de shortlist van de ECI Literatuurplein bekend maakt, moet dat meteen online. Actualiteit is actualiteit.'
Gelukkig is pensionering niet hetzelfde als stoppen met werken. Van Gool zette al enige tijd geleden het bedrijfje Boekrijk op, waar hij tot nu toe weinig mee heeft gedaan. Hij zal zich onder die vlag bezig houden met lezen, literatuur, leesbevordering. 'Er komen mooie opdrachten aan. Dat is nog niet concreet, ik kan er daarom weinig over zeggen. Maar ik ga mijn kennis van boeken op veel verschillende manieren inzetten. En als ik dan fulltime blijf werken, waarom niet? Mijn leeftijd is geen enkele reden om minder actief te zijn.'

Veertig jaar dezelfde werkgever, maar niet veertig jaar hetzelfde werk. In 1976 was een website als Literatuurplein.nl nog volstrekt ondenkbaar.
'Zeker. Het was een kwestie van kansen krijgen en pakken. Maar voor een deel heb ik ook mijn eigen werk geschapen. Ik schreef in 1984 de eerste notitie over leesbevordering, waarna dat een belangrijk component van mijn werk werd. In de jaren negentig kwam het digitale op. Alle producten die wij voor de openbare bibliotheek maakten – documentatiemappen, keuzelijsten, reizende tentoonstellingen – konden dan, als de actualiteit daarom vroeg, nog dezelfde dag bij de bibliotheek zijn. Dat vond ik interessant. Toen heb ik eerst BiblioWeb opgezet. Vanaf 2001 begon ik met de plannen voor Literatuurplein.'

Maar het draaide wel veertig jaar om leesbevordering.
'Dat zou je kunnen zeggen. Ik ben ooit binnengekomen als ‘redacteur-vergelijker’ voor de aanschafinformatie. Ik maakte, aan de hand van het genre science fiction, een rapport over de kwaliteit van de a.i-tjes ten opzichte van andere informatiebronnen. Dat heeft nogal wat stof doen opwaaien. Het leidde tot een volkomen nieuw recensentenbestand voor het genre en een aanpassing van het recensiebeleid. Daarna werd ik snel hoofd Lektuurvoorlichting volwassenen – lektuur met een k, zoals het in die tijd werd gespeld. De materialen die we naar bibliotheken uitzetten, onder meer keuzelijsten over alle mogelijke maatschappelijke onderwerpen: van abortus tot zelfdoding, hadden in wezen dezelfde functie als Literatuurplein nu. Dat is: inspireren door goede boeken aan te reiken, vergezeld van passende informatie daarover.'

Hoe kwam het dat je het eerste rapport over leesbevordering schreef?
'Het ministerie van OCW had een studie uitgevoerd naar boekpromotie, zoals dat toen heette. Daar werd met geen woord gerept over wat de openbare bibliotheek allemaal deed op dat gebied. Ik heb dat in beeld gebracht. Daarbij waren dit de jaren waarin het boekenvak de uitleningen van bibliotheken als de grootste bedreiging zag. Er was geen enkele samenwerking, alleen maar animositeit richting bibliotheken. Ik pleitte ervoor dat je hier anders naar moest kijken. Boekenvak en bibliotheek hebben juist een groot gezamenlijk belang: leesbevordering, zoals het toen in Duitsland al heette. Daaruit groeide het Samenwerkingsverband Leesbevordering en later Stichting Lezen.'

Beschouw je jezelf als geestelijk vader van Stichting Lezen.
'Nee. Ik heb er mede aan de basis van gestaan en er de eerste beleidsnota voor geschreven. Meer niet. De Nationale Voorleesdag met de Nationale Voorleeswedstrijd, daar mag je me wel de initiator van noemen. Een voorleeswedstrijd was toen ook niet vanzelfsprekend. Kinderen die onderling strijd leverden, daar was echt weerstand tegen. En nu is het niet meer weg te denken.'

Ben je daar het meest trots op?
'Daar ben ik trots op. Maar Literatuurplein is echt mijn kindje. Dat heb ik vanaf nul opgebouwd, uitgebouwd en beheerd. Het zal moeilijk worden dat los te laten. Gelukkig heb ik in Sophie Ham een goede opvolgster. Zij heeft Nederlands gestudeerd en komt uit de schoot van de KB.'

Wat is het effect geweest van al die inzet voor leesbevordering?
'Het is natuurlijk moeilijk in cijfers aan te tonen. Wat zou er zijn gebeurd als ik het niet had gedaan? Wel is het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met literatuur in de nieuwe wet benoemd als een van de vijf kernfuncties van de bibliotheek. Dat is niet mijn verdienste, maar het geeft aan dat de bibliotheek leesbevordering echt heeft opgepakt en het zelf heeft erkend als een essentiële taak. Kijk bijvoorbeeld naar Boekstart – waar ik zelf niets mee te maken heb gehad. Er is bijna geen bibliotheek die niet koffertjes aan de jongste inwoners van hun werkgebied aanbiedt en zo vanaf het begin inzet op kennismaken met boeken.'

En toch schijnt de ontlezing al die decennia maar door te zijn gegaan. Denk je dan toch soms: al mijn werk is mislukt?
'Zeker niet. Kijk ook naar hoe belangrijk de bibliotheek nog altijd is – juist voor het kennismaken met boeken en enthousiasmeren voor lezen. Het bezoek van kinderen trekt de laatste jaren weer aan. Dat heeft te maken met wat de bibliotheek hen te bieden heeft en hoe zij dat doet. Naast de collectieve acties van de bibliotheken zijn er de initiatieven op lokaal vlak, zoals het betrekken van leeskringen bij de bibliotheek en lezers de mogelijkheid bieden schrijvers te ontmoeten. Heel belangrijk. En niet te vergeten: de collectieve acties via de CPNB. Ik ben heel blij dat de bibliotheek destijds volwaardig lid van deze stichting is geworden. Daar is een actie als Nederland Leest uit voortgekomen, een van de grootste leesbevorderingscampagnes van het jaar.'

Wat is het effect van ontwikkelingen als de bezuinigingen en de sluiting van vestigingen op de leesbevordering?
'En vergeet de afname van aanschafbudgetten niet. Ik weet nog dat uitgevers vroeger in één keer uit de kosten konden zijn als de NBD de bestelling van de bibliotheken had geplaatst. Bestellingen tot 1400 exemplaren waren geen uitzondering. Al die sluitingen, bezuinigingen op personeel en inkrimping van de collectie hebben natuurlijk gevolgen gehad voor de kwaliteit van de dienstverlening. Maar omdat leesbevordering een kerntaak is geworden, wordt daar onverminderd op ingezet. De laatste jaren zijn vanuit Kunst van Lezen overal leescoördinatoren gekomen, die linken leggen met scholen en gemeenten. Cruciaal voor de samenhang.'

Maar er staan wel veel minder boeken in bibliotheken waar tot lezen aangezette leden en bezoekers naar kunnen grijpen.
'Dat is jammer, ja. Gelukkig wordt dat opgevangen door goede regionale afspraken over een gezamenlijke collectie, zodat veel titels tenminste in één vestiging aanwezig zijn, en is het interbibliothecaire leenverkeer sterk geprofessionaliseerd. Daarbij heb je tegenwoordig e-boeken. Ondanks de verplichting om voor ieder e-boek afspraken te maken met de rechthebbenden is de collectie inmiddels tien- tot twaalfduizend titels groot, een derde van het totale aanbod. Toen BNL in het begin nog niets kon bieden, heb ik overigens nog de eBooks Eregalerij opgezet. Een kleine collectie, maar wel een met inhoudelijke meerwaarde door aanvullende informatie en gerealiseerd in samenwerking met anderen – precies zoals ik vind dat de bibliotheek meerwaarde geeft aan een collectie boeken.'

Wat vind je ervan dat bibliotheken zich steeds minder op hun collectie richten en steeds meer op de bibliotheek als ontmoetingplaats?
'Dat sluit mooi aan bij leesbevordering. De bibliotheek kan dé plek zijn waar lezers elkaar ontmoeten. Daar is nog veel meer uit te halen. Maak een aparte ruimte in de bibliotheek voor literatuur, waar de catalogi van uitgevers liggen, pc's met literaire informatie, promotiemateriaal van leeskringen en zo veel meer. Organiseer boekpresentaties in de bibliotheek, sluit aan bij festivals, nodig writers in residence uit. Er kan zo veel.'

Hoe gaat het nu met Literatuurplein?
'Goed. Het bezoek blijft groeien. De site trekt jaarlijks 5,1 miljoen bezoekers die bij elkaar 21,2 miljoen pagina's bekijken. Een gemiddelde sessie duurt 7:47 minuten, waarbij gemiddeld 4,92 pagina's per sessie wordt bekeken. De site heeft daarbij een behoorlijke autoriteit opgebouwd. Dat is in 2009, voorafgaand aan de ontvlechting van de VOB onderzocht. Maar ook daarna zie ik het aan meldingen op Twitter en Facebook. Niet zelden staat informatie het eerst of exclusief bij ons. Met name over die informatie wordt redelijk veel getweet.'

En de site is voldoende geïntegreerd in de bibliotheek?
'Zeker. Alle rubrieken zijn als widget aan de bibliotheken aangeboden voor hun individuele sites. Met name het nieuws wordt massaal overgenomen. Als een auteur sterft en ik maak daar een nieuwsbericht over, is dat op tientallen sites te lezen. Zo hebben we 2,3 miljoen bezoekers per jaar via de bibliotheken. Gezamenlijk zijn zij goed voor 10,3 miljoen pageviews. En dat is maar goed ook. De externe redactie wordt betaald uit de inkoopgelden. Ofwel: de bibliotheken betaalden op die manier vanuit hun eigen budget voor een deel van de inhoud. Ik denk dat we heel zuinig moeten zijn op Literatuurplein en dat nu snel verder moeten ontwikkelen.'

Wat moet er worden ontwikkeld?
'O, een heleboel! Er ligt een heel plan met wel tien punten. De site is niet responsive, waardoor het er niet uitziet op de mobiele telefoon. Doodzonde. De vindbaarheid is niet optimaal omdat de url van auteurspagina's uitgaat van een ID-nummer, zoals vroeger normaal was, en niet van de naam van de auteur. De wereldkaart kan levendiger. De samenwerking met de DBNL, die nu ook in de KB is opgenomen, biedt allerlei nieuwe mogelijkheden.'

Er komt geen community bij? Een digitale variant van de leeskring, dat hoort toch bij uitstek bij Literatuurplein? Zeker nu Hebban zich stormachtig ontwikkelt als community.
'Ik heb ooit geprobeerd een forum op te bouwen. Maar ik kwam er al snel achter dat het niet samengaat: een informatieve, actuele site en een forum. Voor het laatste moet je heel anders schrijven en andere dingen opzetten om te zorgen dat de leden reageren en met elkaar in gesprek komen. Daarom is Literatuurplein de informatieve, actuele site – en nog altijd een unieke site ook, dankzij de koppeling van de CB- en NBD-databanken en de grote hoeveelheid informatie waarmee die is verrijkt. En wat nu De Boekensalon heet en van NBD Biblion is, is de community voor de openbare bibliotheek.'

Maar daar wil NBD vanaf. Althans: het gelijknamige blad is verkocht aan een commerciële uitgever. De online community niet. Moet de KB die overnemen.
'Laat ik zeggen: er zijn gesprekken over. Maar voor Literatuurplein is het zeker niet essentieel. Bovendien is de fysieke bibliotheek zelf de belangrijkste community. Daar staan de boeken, daar is een plek, daar zijn allerlei faciliteiten.'

Heb je in de begintijd van Literatuurplein, het tijdperk van goeroes die het einde van het papieren boek verkondigden, gedacht dat de site kon uitgroeien tot dé online bibliotheek van Nederland die alle fysieke bibliotheken overbodig maakt?
'Nee. Literatuurplein is met alle informatie ondersteunend aan bibliotheekinstellingen in het land. Ik geef toe dat ik in het begin wel dacht dat de groei van digitaal lezen sneller zou gaan. In Lezers en lasers, mijn boek uit 2002, nam ik allerlei scenario's op waarbij men ervan uitging dat mensen zelfs al in 2010 alleen nog digitaal zouden lezen. Niet dus. Het digitaal lezen zet wel door, maar het is niet verdringend. Daarom is Literatuurplein ook ondersteunend. De fysieke bibliotheek met al haar mogelijkheden en acties blijft de belangrijkste plek om mensen met lezen in aanraking te brengen. Vergeet niet: met vier miljoen leden is het nog altijd de succesvolste culturele instelling van Nederland.'
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 16 sep)

zondag 18 september 2016

Des roman français: '2084' van Boualem Sansal is verontrustender dan 'Soumisson'

De meest recente roman, 2084, van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal stond op veel lijstjes van gerenommeerde literaire prijzen en won Le grand prix du Académie Française 2015. De titel doet direct al denken aan 1984 van George Orwell en de ondertitel heeft een verontrustende bijsmaak: La fin du monde. Het toekomstbeeld dat in het boek geschetst wordt is dat van een streng geloof dat aan de macht is en de bevolking geheel aan zich onderwerpt en alles van het verleden heeft uitgewist. Is het de voorspelling van een dystopie (tenminste voor ons, voor anderen is het wellicht een utopie) of is het louter een spannend verhaal?
Het is niet moeilijk de vergelijking te maken met Soumission van Michel Houellebecq waarbij Frankrijk al in 2022 een islamitische president krijgt. 2084 gaat echter veel verder en is daardoor onrustbarender; zeker gezien de krachtmetingen van IS met het westen zou er meer realiteit in kunnen schuilen dan we denken. Als je het boek puur als roman leest, is het een spannend verhaal waarin op beeldende en gedetailleerde wijze een niet bestaande, weliswaar verre van prettige, maatschappij wordt geschetst. Het gaat om een zoektocht naar wat er achter de façade van dit streng gelovige Abistan-regime schuilt, en wat er voor en buiten dit machtige rijk bestond en bestaat. Dat levert een intrigerend verhaal op, vooral omdat de beknelling van dit machtige rijk gezien wordt door de ogen van de hoofdpersoon, Ati, die door bepaalde gebeurtenissen gaat twijfelen aan de hem voorgeschotelde waarheid.
In zijn wat rouwere en cynische stijl beschrijft Houellebecq de gebeurtenissen rond 2022 vanuit de ik-persoon, het is een persoonlijke beleving. Sansal houdt het bij een alwetende verteller die aan de lezer uit de doeken doet wat de kenmerken en eigenaardigheden van het totalitaire regime zijn. Deze beschrijvingen worden afgewisseld met de belevenissen van de hoofdpersoon Ati. De camera zoemt in en uit en wisselt tussen de personages. Ook dat is natuurlijk fictie, maar omdat de lezer door deze auctoriale verteller meer afstand ervaart, lijkt het juist misschien beter voorstelbaar. Je krijgt een totaalbeeld en minder een persoonlijk relaas zoals bij Houellebecq.
L’Abistan is een machtig rijk, vernoemd naar de profeet Abi, de vertegenwoordiger van de god Yölah. Met een beetje goede wil is daar Allah uit te herleiden. Het achtervoegsel – stan, wat veel namen van Arabische landen kennen, is afgeleid van het Perzisch en betekent zoveel als ‘plaats van’.
Dit geloof heeft de eigen gedachte van haar bevolking uitgebannen eist volledige onderwerping (soumission) van iedere bewoner. Abi is de almachtige heerser, die niemand ooit gezien heeft:
(…) il était le père des croyants, le chef suprême du monde, enfin il était immortel par de grâce Dieu et de l’amour de l’humanité. Et si personne ne l’a jamais vu, c’était simplement que sa lumière était aveuglante.
Het paleis van deze heerser wordt omringd door tot de tanden bewapende mannen van wie de hersens vlak na hun geboorte zijn verwijderd, waardoor ze volledig volgzaam zijn en een hallucinerende en angstaanjagende blik in hun ogen hebben.
Reizen door het land is verboden, behalve voor de mensen die op bedevaart zijn naar een van de heilige plaatsen. Dat gaat echter niet op eigen initiatief, maar volgens een vaste kalender en over vastgestelde paden met van tevoren bepaalde tussenstops. Soms duren die pauzes zo lang, dat er sloppenwijken ontstaan. Men wacht, en weet niet wanneer er weer doorgelopen wordt. En bovenal, men weet niet waarom. Het is altijd zo gegaan.
Naast het feit dat iedereen overal in de gaten gehouden wordt en elke twijfel of onzekerheid, oftewel afwijkende acties of ideeën, is weggenomen en er dus geen vragen zijn, is er ook geen besef van heden of verleden. Het is bijvoorbeeld niet bekend waar het jaar 2084 vandaan komt. Men weet dat er een heilige oorlog, le Char,  is geweest en dat de vijand verdreven is. Zelfs helemaal verdwenen. De overwinning was ‘totale, définitive, irrévocable’. Maar heeft het jaar 2084 met de overwinning te maken?  Is het het geboortejaar van Abi? Numerologie is een nationale sport, men probeert van alles met de getallen 2 0 8 4.
Toch is er één iemand die twijfelt: Ati. Hij moet op bedevaart naar een keuroord om van zijn tuberculose te genezen. Hij is twee jaar op pad geweest en heeft een archeoloog, genaamd Nas, ontmoet die in dienst is van ‘l’Aparreil’.  Nas heeft een dorp gevonden dat dateert van voor de heilige oorlog. Dit gegeven maakt dat Ati gaat twijfelen. Er is dus iets voor Abistan geweest. En bestaat er nu ook nog iets buiten dit machtige rijk? Zijn er grenzen? Wat ligt daarachter?
Bij bepaalde boeken is het soms lastig zoeken naar maatschappijkritische gedachten of naar de onderliggende boodschap van de auteur. Bij Houellebecq en Sansal hoeft dat geen probleem te zijn. Beperkte Soumission zich nog tot een overname van Frankrijk door de Islam, Sansal beschrijft een veel heftiger scenario. Hoewel hij zelf voor in het boek aangeeft dat het pure fictie is:
Le lecteur se gardera de penser que cette histoire est vraie ou qu’elle emprunte à une quelconque réalité connue. Non, véritablement, tout est inventé, les personnages, les faits et le reste, et la preuve en est que le récit se déroule dans un futur lointain qui ne ressemble en rien au nôtre.
Maar deze waarschuwing haalt zichzelf al onderuit. Het verhaal is niet waar omdat het zich afspeelt in de verre toekomst. Er staat echter niet dat het geen waarheid kan worden. De lezer zou het zo maar kunnen denken. Je kunt je troosten met de gedachte dat Orwells 1984 ook niet is uitgekomen. Maar is dat voldoende?

Arjen van Meijgaard 

Zie ook:

zaterdag 17 september 2016

Interview Mirjam Mous: de lezers zelf maakten de opkomst van YA mogelijk (Boekblad)

Hoe ervaren schrijvers boekhandels, uitgevers en de boekenvakorganisaties? In de rubriek 'Schrijvers & het boekenvak' Mirjam Mous, een van de drie auteurs die een verhaal schreef voor 3PAK, het geschenk van de Literatour. Ze hoopt dat jongeren de bundel daadwerkelijk in de boekhandel ophalen – desnoods door hun ouders te sturen.

Mirjam Mous (1963) schreef sinds haar debuut Monsters Mollen! uit 1998 – verschenen bij Van Holkema & Warendorf, de imprint van Unieboek|Het Spectrum die nog altijd haar uitgever is – tientallen boeken voor alle leeftijdscategorieën. Ze publiceerde onder meer de meidenboeken-reeksen De strandtent en Maffe meiden en een aantal thrillers voor jongeren. Juist die laatsten boekten succes. Boy7 (2009), Vals Spel (2010) en PassWord (2012) waren allemaal Tip van de Jonge Jury, net als het 12+-boek Doorgeschoten (2004).

Worden uw werken voor de oudste jeugd inderdaad het minste gelezen?
'Ik weet niet hoe het bij andere auteurs is, maar bij mij is het precies andersom. Ze worden in elk geval veel meer uitgeleend en veel meer verkocht dan de boeken voor jonge kinderen. Vooral mijn thrillers.'

Heeft de opkomst van YA de leeslust van 15- tot 18-jarigen vergroot? 
'Ik denk dat het de leeslust in elk geval in stand kan houden. Op een gegeven moment voel je je te groot voor kinderboeken, maar kun je misschien ook nog niet echt genieten van boeken voor volwassenen, waarin levens worden geleid en dingen gebeuren die nog ver van je afstaan. YA vult de leemte tussen die twee boekenwerelden. Het genre is trouwens niet alleen geschikt voor 15- tot 18-jarigen. Vaak is het ook al favoriet bij lezers vanaf 11 jaar en er zijn volwassenen die het graag lezen.'

Is de opkomst van YA te danken aan het boekenvak – of aan anderen? 
'De inzet van de mensen uit het boekenvak heeft vast een rol gespeeld. Maar volgens mij hebben vooral de lezers zelf veel invloed. Als een scholier een boek aanraadt aan zijn klasgenoten heeft dat meer effect dan het advies van een ouder. En er zijn veel jonge, enthousiaste vloggers en bloggers, die zich met YA bezighouden.'

Heeft u daar al schrijfster ook aan bijgedragen?
'Ik meen van wel. Door op scholen en in bibliotheken over mijn boeken te vertellen. Na afloop willen de leerlingen bijna allemaal mijn boeken lezen. Ik krijg regelmatig berichtjes van enthousiaste scholieren, die "om" zijn. En van moeders, die me mailen: "dank je wel, je hebt mijn zoon aan het lezen gekregen." Haha, erg leuk!'

Wat voegt een evenement als de Literatour daaraan toe?
'Voor mij is de Literatour hetzelfde als een Kinderboekenweek en Boekenweek. Het straalt uit dat lezen leuk en cool mag zijn. Dat het een feestje kan zijn. We roepen dat lezen belangrijk is en dat het zo erg is dat de jeugd na de basisschool niet meer leest. Neem ze dan ook serieus. Met een boekengeschenk en een boekenbal, zodat ze er ook gewoon bijhoren. En ja, dat vind ik belangrijk. De schrijversbezoeken zouden niet alleen tijdens de Literatour maar het hele schooljaar moeten plaatsvinden – net als op de basisschool, net als lezingen voor volwassenen – wat gelukkig op nogal wat scholen ook zo is. Op sommige scholen is het heel normaal om te zeggen dat je lezen leuk vindt. Maar er zijn nog steeds klassen waar lezers dat niet durven uiten omdat er een lezen-is-voor-sukkels-klimaat hangt. Al kan de Literatour er maar een beetje aan bij dragen dat negatieve klimaat te doorbreken... Voor mij is het dan al geslaagd. Lezen moet te gek mogen zijn. Want dat is het!'

U schreef voor het geschenkboek van Literatour Domino Day. Wat maakt dat verhaal aantrekkelijk voor jongeren?
'Datgene wat, hoop ik, ook mijn boeken voor veel jongeren aantrekkelijk maakt. Ik begin niet met een rustige omschrijving maar sleur ze meteen het verhaal in, zodat ze verder willen lezen, en tracht alles zo op te schrijven dat je het als een film voor je ziet. Ik schrijf zeer direct, probeer het hoofdpersonage zo dicht op de huid te zitten dat zijn paniek, wanhoop, angst, onzekerheid op de lezer overslaat. Er zit vaart in, spanning, maar ook humor. Ik doe mijn best om de lezer op het verkeerde been te zetten, mee te laten denken. Jongeren zijn gewend aan veel prikkels en meestal snel afgeleid. Door onverwachte wendingen houd ik ze bij het verhaal. En de tekst moet klinken, net als muziek een bepaald ritme hebben, waardoor het lezen haast vanzelf gaat.'

De verhalen van u en Helen Vreeswijk worden gratis online verspreid. Wie dan ook het verhaal van Alex Boogers en de fysieke bundel wil, moet naar boekhandel en bibliotheek. Is dat de manier om jongeren daarheen te krijgen?
'Ik heb gehoord dat jongeren liever papieren boeken lezen dan op een e-reader of tablet. Dus hopelijk vinden ze het de moeite waard het geschenk op te halen. Maar misschien sturen ze gewoon hun moeder of vader naar de boekhandel, haha... Ik kan niet in de toekomst kijken.'

Doen uitgevers genoeg om jongeren aan het lezen te krijgen?
'Ik kan alleen over mijn eigen uitgeverij Unieboek|Het Spectrum oordelen en die doet dat erg goed. Ze hebben elk jaar een nieuw promoteam van lezers om YA-boeken te promoten, een eigen YA-magazine en een YA-site met heel veel volgers. Ze organiseren YA-bijeenkomsten met auteurs en werken veel samen met boekhandelaren. Soms hebben ze leuke YA-acties zoals tijdelijke kortingen en goodiebags. Bovendien onderzoeken ze regelmatig wat de doelgroep wil.'

Wat zouden uitgevers nog meer kunnen doen?
'Ik denk dat mijn uitgever al het mogelijke doet. Hoe het bij andere uitgevers gaat, weet ik niet. Bloggen, vloggen, dicht bij de jongeren staan en ze er actief bij betrekken – dat zijn allemaal ingangen.'

Doen boekhandels genoeg om jongeren aan het lezen te krijgen?
'Veel boekhandels wel, anderen zijn wat minder op jongeren gefocust. Welke? Te veel om op te noemen. Ik kan wel wat voorbeelden geven. In De Wolken in Voorburg heeft een YA leesclub en houdt binnenkort een Young Adult Sunday met workshops en ontmoetingen met auteurs. Bij Stevens in Hoofddorp hielden ze zelfs een sleepover in de boekwinkel. Door dit soort activiteiten wordt lezen groter dan een boek, iets wat je kunt delen, aan elkaar doorgeven.'

Wat zouden boekhandels nog meer kunnen doen?

'Kinder- en jeugdboeken niet in een hoekje of op de bovenste verdieping wegstoppen, maar juist uitnodigend in het zicht leggen. Samenwerken met scholen en bijvoorbeeld lezingen met boekverkoop organiseren. Maar ook informatieavonden voor leerkrachten Nederlands houden en hen enthousiast maken. Er zijn uiteraard al boekhandelaren die dat doen.'
(Eerder in licht verkorte vorm gepubliceerd op Boekblad.nl, 14 sep)

Zie ook:

woensdag 14 september 2016

De Zwitserse bibliothecaris Hermann Romer over bibliotheekwerk in Nederland en Zwitserland (Bibliotheekblad)

Een grote delegatie van de openbare bibliotheek in Winterthur reisde begin juni af naar Nederland om inspiratie op te doen. Directeur Hermann Romer is een van de weinige Zwitsers die niet klakkeloos opgaat in de dagelijkse routine, maar nadenkt over toekomstbestendig bibliotheekwerk. ‘Wij zijn een publieke dienst voor de hersenen.’

Wat als politici over tien jaar vragen naar het nut van de bibliotheek en niemand heeft een antwoord?

Hij hoeft er niet lang over na te denken. De versnippering vindt Hermann Romer, directeur van de bibliotheek in Winterthur, de grootste bedreiging voor de bibliotheek in Zwitserland. Het land heeft meer dan 6000 bibliotheken en schoolbibliotheken op een bevolking van 8 miljoen mensen. Bijzonder veel. Maar: ieder dorp, hoe klein ook, heeft zijn eigen zelfstandige bibliotheek. Voor de helft worden ze geleid door stichtingen, de rest is onderdeel van de gemeente. Heel inefficiënt, vindt Romer.
‘Ook dorpjes van duizend inwoners bezitten een eigen bibliotheek’, legt hij uit. ‘Zij hebben een gebouw van hooguit 100 m2, dat drie keer per week een paar uur open is, en tien man personeel die gezamenlijk goed zijn voor 0,5 fte. De gemeente financiert alleen de collectie en de tijd van het personeel voor hun aanwezigheid tijdens openingsuren. Collectioneren is vrijwilligerswerk. Is dat een professionele bibliotheek? En erger: heeft zo’n bibliotheek enige toekomst?’
Er bestaat geen enkele vorm van samenwerking. Een NBD Biblion die ingekochte boeken bibliotheekklaar maakt? Een KB die een digitale bibliotheek voor het hele land opzet en onderhoudt? Iedere Zwitserse bibliotheek moet het zelf doen. ‘Wij ook. Ik heb een afdeling waar wij boeken voorzien van een folie, RFID-tags enzovoort. Voor ons digitale aanbod kunnen we, voor een deel, gelukkig wel samenwerken met bibliotheken in Zürich, Basel, Aarau en Zofingen.’
En niemand denkt na over de toekomst. ‘Iedereen gaat gewoon door met de business as usual: boeken uitlenen, omdat dát is waar de bibliotheek op wordt afgerekend door de politici die hen financieren. En dat terwijl de uitleencijfers al jaren dalen. Als diezelfde politici dan over tien jaar vragen: waarom hebben we eigenlijk nog een bibliotheek nodig? Hoe helpt de bibliotheek mensen in de digitale kennissamenleving? Dan heeft niemand een antwoord. En verdwijnt de bibliotheek.’

Romer wil wél nadenken over de toekomst. De bibliotheek van Winterthur is nauw met de 110.000 inwoners tellende stad op 25 kilometer van Zürich verbonden. Naast de grote Stadtbibliothek zijn er niet minder dan zes kleinere vestigingen van ieder circa 200 m2 groot. De materialen worden nog altijd 1,4 miljoen keer per jaar uitgeleend (plus 40.000 keer gedownload). Dit is in drie-en-een-halve eeuw na de oprichting in 1660 opgebouwd. Dit moet nog minstens zo lang blijven bestaan.
De bibliotheek organiseerde daarom bij zijn 350-jarig jubileum een congres waarvoor Romer alle ‘bibliotheekfuturologen’ van Europa uitnodigde. Onder hen Rob Bruijnzeels. Maar ook nam hij bijna dertig van de 110 personeelsleden begin juni mee naar Nederland voor een tweedaagse tour langs innovatieve bibliotheken in Tilburg, Den Bosch, Schiedam, Gouda, Spijkenisse en Rotterdam – georganiseerd door Rogues van Joyce Sternheim en dezelfde Bruijnzeels.
Romer: ‘Ik heb gelukkig heel goed personeel dat open staat voor verandering. Ik had gezegd: iedereen mag mee naar Nederland. Het kost je twee vrije dagen en je betaalt zelf de reis- en verblijfkosten. De bibliotheek geeft je ook twee dagen en betaalt al het eten en drinken. Ik dacht: misschien gaan er tien, twaalf medewerkers mee. Het werden er bijna drie keer zo veel. Dat bewijst hoeveel bereidheid er is om te innoveren. Niemand beschouwt het ook als alleen maar een leuk tripje.’

Voor Romer is de tijd van boeken uitlenen voorgoed voorbij. Enigszins achter de rug van de politici in Winterthur, grapt hij, bouwt hij aan een nieuw bibliotheekconcept. ‘Het gaat erom dat wij een publieke dienst zijn voor de hersenen. Wij voeden de hersenen met kennis, zodat mensen – en met name de nieuwe generatie – bij alle veranderingen die gaande zijn kunnen blijven acteren in een democratie, in een almaar complexere wereld, in een digitalere wereld.’
De collectie zal daarbij de komende tien jaar niet minder belangrijk worden. Zo veel wordt er nog wel uitgeleend. Maar de rol daarvan is veranderd. ‘Het gaat er niet meer om dat we alle kennis op de planken hebben staan in de hoop dat er misschien één iemand gebruik van maakt. Het gaat erom hoe die kennis mensen daadwerkelijk helpen bij hun dagelijkse werk of het begrijpen van de wereld. Ieder boek dat niet wordt gebruikt is dan een slecht boek.’
De collectie zal daarom kleiner worden. ‘We leggen eerder de nadruk om mensen helpen ermee om te gaan. Veel mensen weten niet welke type materiaal zij het beste kunnen gebruiken voor welke informatie. Concreter: veel mensen weten bijvoorbeeld niet hoe onze databases werken. Die worden daarom weinig gebruikt. Wij zijn de professionals die hen dat kunnen leren. Maar niet alleen dat: wij helpen hen ook kritisch met informatie om te gaan. Hen mediawijs te maken.’

Romer zet zijn personeel daarom anders in. ‘Zwitserland kent een traditie waarbij iedereen alles doet. Is iemand ziek of met zwangerschap? Iedereen kan hem of haar vervangen, ongeacht dienst specialisatie of vaardigheden. Ik wil uitgaan van ieders vaardigheden. Wie grote sociale vaardigheden heeft, moet het contact met leden onderhouden. Wie creatieve vaardigheden heeft moet programma’s in de bibliotheek ontwikkelen. Helaas blijven de opleidingen hierbij achter.’
Hij overweegt zelfs om het bibliotheekklaarmaken uit te besteden. ‘De collectie kost veel geld: 10 Zwitserse frank voor een boek, 2 frank voor de boekdata voor de catalogus, 4 frank voor het folie om het boek, 1 frank voor een chip. En als je dat outsourcet, wordt de prijs al gauw het dubbele. En dat op het beperkte totaalbudget van 8 miljoen frank (circa 7 miljoen euro). Toch wil ik dat doen zodat het personeel dat hiermee bezig is, zich kan concentreren op conceptueler werk.’

Ondanks de digitalisering die leden meer en meer verleidt vanuit huis gebruik te maken van de bibliotheek, blijft het gebouw belangrijk. ‘Het gebouw symboliseert wat kennis betekent. Je hebt een visualisering daarvan nodig’, zegt Romer. ‘Er moet ook een plek zijn waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Maar niet alleen dat. Een bibliotheek impliceert een sociale plicht. Het is een plek om, alleen of in co-creatie, te werken met de aanwezige kennis.’
Romer heeft daarvoor meer ruimte gecreëerd. ‘Wij kregen een bezuiniging van 12 % opgelegd. Veel voor Zwitserland. Net als de bibliotheek Gouda heeft gedaan heb ik de besparing aangegrepen als mogelijkheid tot vernieuwing – zij het niet op die schaal. Ik heb ruimte vrijgemaakt voor werkplekken en een aparte ruimte leeggemaakt waar workshops kunnen worden georganiseerd. Ook dat is een uitdaging van de bibliotheek: mensen – zeker de stille Zwitsers – inspireren om te participeren.’
Daarnaast opende in 2015 een Makerspace, waar iedere ochtend met name de jeugd dingen kan maken. ‘Het gaat in de toekomst niet alleen om bestrijding van de traditionele ongeletterdheid. Mensen zijn ook wat iemand omschreef als ‘electrisch ongeletterd’. Ze kunnen hun iPad niet bedienen, maar straks ook de robots niet of alle systemen in huis. Daarom moeten we de jeugd leren programmeren. Dat is bij uitstek een taak van de bibliotheek.’

Enfin, hij heeft de wijsheid ook niet in pacht, relativeert Romer opeens. Daarom is hij ook in Nederland: om ideeën op te blijven doen voor de toekomstbestendige bibliotheek. ‘Als je maar blijft proberen. Sommige ideeën werken. Mooi. Andere ideeën werken niet. Ook mooi, want daarna probeer je weer iets anders. De bibliotheek is als een schip dat naar New York wil varen zonder de koers kennen. Vaar gewoon uit, ook al kom je ergens anders uit. Als je in de haven blijft, kom je nergens.’
En neem je publiek mee op die ontdekkingstocht. ‘Wij hebben een lessensysteem voor de lagere school. In de loop van zes jaar – voor ieder leerjaar een eigen schrift – maken we alle leerlingen bewust van wat een bibliotheek is. Zo geven we duizend lessen per jaar, gegeven in de klas door iemand van ons samen met de leraar. Zo maken we hen vertrouwd met de bibliotheek als leuk en vanzelfsprekend onderdeel van hun dagelijks leven. Natuurlijk wordt de bibliotheek in die lessen steeds moderner.’

Op reis door Nederland
Kende Zwitserland maar zo’n dynamische bibliotheekklimaat, verzucht Romer na afloop van de tweedaagse tour langs Nederlandse bibliotheken. Iedereen lijkt bezig perspectieven op de toekomst te ontwikkelen. ‘Op de eerste dag zagen we de dromen: in De Kennismakerij in Tilburg en de bieb in de kapel in Den Bosch. En op de tweede dag de realisering van de droom in Spijkenisse, Gouda en Schiedam. Vooral de Chocoladefabriek in Gouda maakte indruk. Maar het is juist het gelóóf in de toekomst, waardoor mensen die ook proberen waar te maken, wat ik zal onthouden.’
Misschien is de verzuchting logisch voor wie uitsluitend vernieuwende bibliotheken heeft bezocht. Zo zwart-wit zal het verschil tussen Zwitserland en Nederland niet zijn. Maar Romer zag ook een essentiëler onderscheid. ‘Hier is iedereen in het dagelijkse werk bezig in termen van processen: het ontwikkelen van ideeën voor bibliotheekwerk en proberen dat te vertalen in concrete projecten. Bij ons staan nog altijd de materialen centraal. Dat maakt het bibliotheekwerk zo statisch.
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad 6, 2016 / augustus 2016)

Zie ook:

dinsdag 13 september 2016

Someren & Ten Bosch (Zutphen) start literaire avonden voor jongeren (Boekblad)

Boekhandel Someren & Ten Bosch in Zutphen start dit najaar met een reeks literaire avonden voor bovenbouwleerlingen. Alex Boogers is de eerste auteur die, op 15 september, wordt ondervraagd door jongerenleesclub Nescio.

De avonden, waarvan er voorlopig een is gepland, zijn beperkt toegankelijk voor volwassenen. Van de dertig plaatsen in de boekhandel zijn er vijftien gereserveerd voor bovenbouwleerlingen, tien voor volwassenen en vijf voor docenten Nederlands. 'Maar als het uit de hand dreigt te lopen – en we kríjgen veel enthousiaste reacties – maken we er misschien staanplaatsen bij', zegt eigenaar Ine Soepnel.
De avonden zijn een gemeenschappelijk idee van de boekhandel en Nescio. Soepnel: 'Wij denken al lang na over hoe we jongens – een moeilijke doelgroep, helemaal als het pubers zijn – kunnen betrekken bij het mooie product in onze winkel. Toen de schrijver Bas Steman die hier in Zutphen woont, vertelde over zijn ervaringen met de jongerenleesclub, ontstond dit idee.'
Steman heeft Nescio opgezet toen hij merkte hoe zijn zoon Jip worstelde met de leeslijst en hij vond dat hij zijn eigen enthousiasme voor literatuur in moest zetten. Nescio bestaat uit vijf leerlingen van (sinds dit schooljaar) 5 vwo, die gezamenlijk de Nederlandse literatuur lezen en zo helemaal zijn gegrepen door de letteren. In januari van dit jaar schreef hij er hier over in de Volkskrant.
Voor de eerste keer nodigden Someren & ten Bosch Alex Boogers uit. Vanwege zijn Alleen met de goden is hij 'buitengewoon geschikt' voor de doelgroep, denkt Soepnel. Daarbij publiceerde hij begin dit jaar met De lezer is niet dood een schotschrift over lezen op school. De jongerenleesclub bereidt het gesprek voor, waarna twee leden van hen het interview afnemen.
Hoe het daarna verder gaat, weet Soepnel nog niet. Maar na een mailing naar docenten Nederlands verwacht ze dat de boekhandel te klein is en de avond misschien beter naar een grotere locatie verhuist. 'Terwijl we het nu per se in de winkel willen doen, om jongeren te laten zien dat een boekhandel niet eng of stoffig is maar een prachtige schatkamer waar van alles te ontdekken valt.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 26 aug)

maandag 12 september 2016

Let op lezer, hier komt de wolf die je verwachtte (Taalunie:Bericht)

Iedereen die Roodkapje herschrijft, grijpt terug op een variant van maximaal twintig jaar uit. Dat blijkt uit analyse van ruim vierhonderd versies van het sprookje. Wat heeft taaltechnologie te bieden voor het onderzoek van oude teksten?

Iedereen weet: Roodkapje overleeft de ontmoeting met de grote boze wolf. Eigenlijk is dat opmerkelijk, vindt etnoloog Folgert Karsdorp. In de populaire versie van Charles Perrault (1629-1703) duikt er geen jager op die de wolf opensnijdt. Als Roodkapje is opgegeten eindigt het sprookje. Tot eind negentiende eeuw was deze variant dominant in Nederland. En toch weet iedereen: Roodkapje wordt gered.

Ingrijpende mutatie
'Het is een radicale innovatie van het verhaal, gebaseerd op de versie van de gebroeders Grimm van 1812', zegt Karsdorp. 'Dat zie je zelden. Veranderingen zijn altijd veel kleiner. Denk aan wat Roodkapje meeneemt in haar mandje. Eerst is dat wijn, later wordt dat bosbessensap als men beseft dat alcohol niet gezond is voor een zieke oma. En dan nog duurt het vijftig jaar voordat die verandering algemeen geaccepteerd is.'
Waarom heeft het sprookje dan toch zo ingrijpend kunnen muteren? 'Ik vermoed dat het sprookje destijds bij ons nog niet zo bekend was. Le petit chaperon rouge was vooral een Frans verhaal. En dat Roodkapje het overleefde sloot, eind negentiende eeuw, aan bij de verzoeting van de samenleving waarin meer rekening werd gehouden met kinderen. Men begon het kind-zijn als een aparte levensfase te zien.'

Computationeel etnoloog
Karsdorp ontdekte de graduele verandering van Roodkapje door 427 versies van het verhaal, gepubliceerd tussen 1781 en 2014, met elkaar te vergelijken. Met de computer. De promovendus, voorheen verbonden aan het Meertens Instituut en nu aan de Radboud Universiteit, is de eerste die software inzet om te onderzoeken hoe dit sprookje steeds is veranderd. 'Computationeel etnoloog', noemt de universiteit hem dan ook in een persbericht ter aankondiging van het artikel in Royal Society Open Science.
'De gedachte is vaak dat iedere auteur teruggrijpt op de oerversies van Perrault en de gebroeders Grimm', vertelt Karsdorp. 'In werkelijkheid kijken schrijvers in hun directe omgeving naar een uitgave die maximaal vijftien tot twintig jaar oud is. Een interessante tijdsduur: precies een generatie. Het lijkt alsof schrijvers teruggrijpen op de versie die ze zelf als kind hebben gehoord.'

Naam en faam
Er zijn dus niet twee 'kernhubs', zoals Karsdorp het noemt, maar meerdere. Een versie kan een hub worden omdat hij populair is. 'Als een variant al vaak is gebruikt als bron is de kans groot dat hij daarna nog een keer wordt gebruikt'. En: omdat de naam en faam van de auteur groot is. 'Hoe populairder een auteur, hoe vaker zijn versie de bron is. Deze aantrekkingskracht neemt wel af in de loop van de tijd.'
Je kunt ook aan kleine veranderingen zien wanneer een element van het verhaal tot het collectieve geheugen gaat behoren. Karsdorp: 'In de allereerste versie staat "Zy ontmoette op den weg een wolf", daarna wordt dat "de wolf". Eigenlijk is het raar om een personage zo te introduceren. Dat kan alleen maar omdat het bekende informatie is: let op lezer, hier komt de wolf die je al verwachtte.'

Iedereen googlet
Wat Karsdorp en zijn co-auteur, taaltechnoloog Antal van den Bosch, hebben gedaan is in wezen niet bijzonder. Teksten met elkaar vergelijken met behulp van de computer? Wie googlet doet niets anders dan zijn zoekterm vergelijken met alle beschikbare teksten op het internet. 'En dan zet Google ook nog de meest relevante vergelijking bovenaan. Daar zitten zulke geavanceerde algoritmes achter.'
Maar, geeft Karsdorp ook toe: in de geesteswetenschap is zulke taaltechnologie 'vrij nieuw'. Dat is deels te verklaren door een gebrek aan gedigitaliseerde teksten. Karsdorp moest eigenhandig in de KB honderden versies van Roodkapje overtikken. 'Kinderboeken kun je niet met ocr [optical character recognition] digitaliseren, omdat er vaak plaatjes in zitten. Dan staat er opeens een boom door de tekst afgedrukt.'

Eenzame opsluiting
Een van de redenen dat Karsdorp onderzoek naar Roodkapje deed was dan ook dat het corpus vergeleken bij Assepoester en Sneeuwwitje klein is – én het verhaal kort. 'Dit was al maandenlang eenzame opsluiting in de KB: boek op een kussen, handschoenen aan, met een hand het blaadje openhouden, met de andere overschrijven. Er zaten oude kijkdozen of pop-upboeken bij, daar moet je zó voorzichtig mee zijn.'
Toch is het taaltechnologisch onderzoek van Karsdorp niet het eerste dat interessante feiten naar boven haalt. Hij wijst op Mike Kestemont, verbonden aan de Universiteit Antwerpen, die onlangs door de stijl van het Wilhelmus te analyseren en te vergelijken een nieuwe mogelijke auteur naar voren schoof: Petrus Datheen. Op veel aannemelijker gronden dan eerdere claims, vindt Karsdorp.

Rijmwoordenprofiel
'Normaal kun je door het patroon in het gebruik van functiewoorden te herkennen auteurs van teksten aanwijzen. Voor Middelnederlandse teksten – waarvan de auteurs bij uitstek onbekend zijn – werkt dat niet, omdat veel op rijm zijn geschreven. Kestemont liet een ander onderzoek zien dat je in dat geval een auteur kunt herkennen aan zijn rijmwoordenprofiel. Heel interessant.'
In het Roodkapje-onderzoek heeft de computer het vocabulaire van alle verhalen vergeleken.  Op grond van de mate waarin woorden voorkomen, kun je simpel gezegd zien hoe ze op elkaar lijken. Een woord als 'de' telt niet mee, een woord als 'varkensreuzel' krijgt juist extra veel waarde. De verschillen in spelling los je op door niet hele woorden te vergelijken maar setjes van vier karakters.

Deromantiseren van de tekst
Zo ontstaat een 'verhalennetwerk'. Dat hebben Karsdorp en Van den Bosch vergeleken met netwerken waarin de relaties volstrekt willekeurig zijn – plus een mogelijke verklaring. Karsdorp: 'Je vergroot bijvoorbeeld de kans dat een tekst die al vaak als bron is gebruikt nóg een keer als bron wordt gebruikt. Construeert de computer dan een zelfde soort netwerk als wij hebben gevonden?'
Karsdorp noemt dat het 'deromantiseren' van de tekst. Je gaat volledig voorbij aan de inhoud van de tekst. En hoe interessant de uitkomst van het onderzoek ook is, het laat tegelijk de beperkingen van de taaltechnologie zien. Want wáárom er tegen het einde van de negentiende eeuw steeds vaker een jager opduikt die de wolf doodt en Roodkapje redt, kan de computer niet verklaren.
Karsdorp: 'Komt die verandering uit het verhaal zelf voort? Of komt die verandering van buiten af? Dat blijft onderwerp van debat, waarvoor je ander empirisch bewijs – onderbouwde argumenten – moet aandragen.'
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:Bericht, 2 sep)

zondag 11 september 2016

Interview: Ronald Giphart gaat niet mee in meute van mopperende schrijvers (Boekblad)

Hoe ervaren schrijvers boekhandels, uitgevers en de boekenvakorganisaties? In de rubriek 'Schrijvers & het boekenvak' Ronald Giphart, juryvoorzitter van de verkiezing voor Boekverkoper van het jaar. Hij ziet de nieuwe energie van jonge honden gereflecteerd in de boekhandel.

Waarom bent u juryvoorzitter van de verkiezing voor Boekverkoper van het jaar geworden?
'Ik had goede verhalen gehoord van Bert Natter, de vorige voorzitter. Hij zei dat het een erg leuke club jonge, enthousiaste mensen is, waar hij bezieling voelde. Hij bracht dat enthousiasme op me over.'

Komt u als schrijver veel en graag in boekhandels?
'Heel erg veel. Ik ben al sinds mijn zeventiende boekhandelverslaafd. Gisteren was ik in Hengelo. Dan kan ik het niet nalaten om even Broekhuis binnen te lopen. Met name door optredens, ook voor mijn theatertour met Bart Chabot, kom ik in alle uithoeken. Ik heb veel boekhandels bezocht die ik anders nooit zou hebben bezocht. Alle boekhandels van Nederland? Dat denk ik niet. Dat zouden er wel erg veel zijn.'

En iedere boekverkoper herkent u gelijk als de schrijver wiens werk hij verkoopt?
'Ik kom er ook wel incognito. Ruud Gullit zei ooit – in de hoogtijdagen van zijn roem, toen hij een enorme, karakteristieke bos haar had – dat als hij niet herkend wilde worden, hij ook niet werd herkend. Ik kom dan met gebogen schouders binnen, met een uitstraling van: ik ben er niet. Maar toch word ik soms herkend. "U komt zeker controleren of u hier wel aanwezig ben", zeggen ze dan. Ik zou liegen als ik dat ontkende. Ik ben schrijver onder de schrijvers. Als ik in de kast sta, leg ik mijn werk op tafel. Als ik op tafel lig, verspreid ik mijn werk over onder de andere stapels zodat ik visueel meer aanwezig ben. Schaamteloos. Maar uiteindelijk kom ik er voor de boeken. Ik heb er heel veel.'

Hoe hebt u aan de jurering beleefd? Bekeek u als jurylid van deze prijs de winkels nu met andere ogen?
'Juryvoorzitterschap is een protocolaire functie, die de vergadering leidt en het juryrapport schrijft. Daar kiezen ze een schrijver voor omdat die een hogere attentiewaarde heeft. Maar ik heb niet zelf als voorzitter boekhandels bezocht. De vaktechnische inhoud kwam van de andere juryleden. Daar weet ik uiteindelijk niets van af. Ik was een paar jaar geleden voorzitter van de verkiezing van de Beste Bibliotheek. Daar ging het op dezelfde manier.'

Toch zei u bij de uitreiking voor het eerst écht in te zien hoeveel werk het runnen van een boekhandel is.
'Dat was een boutade. Natuurlijk wist ik dat al. In mijn roman Giph uit 1993 laat de hoofdpersoon zich zeer negatief uit over boekhandels. Ik werd daarop aangesproken door wijlen Paul Hogervorst: als je zo'n grote mond hebt, moet je maar eens een dagje meelopen bij toen nog Broese Kemink. Mijn perceptie destijds was dat boekhandelaren tijd hadden om te lezen. Maar als ergens geen tijd voor is, is het wel lezen tijdens het werk. Ik stond toen al versteld van de vragen van het publiek en het kennis van de boekverkopers.'

Is dat een kwart eeuw later veranderd?
'Wat me nu opvalt is hoeveel jonge mensen er in de boekhandel werken, die met energieke onstuimigheid hun vak uitoefenen. Remco Houtepen, de winnaar van dit jaar, is daar een voorbeeld van. Net als Lisa Snijders, de winnaar van vorig jaar. Dat is ook zo'n spraakwaterval van boekenliefde. De oudere werknemers hebben overigens niets ingeboet aan enthousiasme en onderlegdheid, maar de nieuwe energie van jonge honden zie je terug in de boekhandel.

U zei bij de prijsuitreiking ook dat u nu beter begreep dat de boekhandel 40 % van de verkoopprijs van een boek krijgt en een schrijver 10 %? Was dat ook een boutade?
'Dat vind ik ook al langer. Het klinkt onredelijk: een product maken waar je zelf 10 % aan overhoudt, maar als je bedenkt wat er allemaal voor een boek moet worden gedaan, is het dat niet. Ik ga niet mee in de meute van schrijvers die daarover mopperen. Ik deed vorig jaar mee aan een uitzending van De rekenkamer over de prijs van een boek. Daarin zei ik dat ook.'

Wat is het belangrijkste werk van een boekverkoper?
'Dat is een gewetensvraag. Op het hogere plan staat het in stand houden van de Nederlandse leescultuur. Die is nog altijd een van de beste ter wereld, dankzij de vaste boekenprijs, de goede bibliotheekspreiding – al heeft het kabinet zijn best gedaan daar gaten in te schieten – en de fantastische boekhandelsdekking. En toch zijn boekverkopers in de eerste plaats handelaren die geld verdienen met de verkoop van boeken. Eigenlijk heb ik een getroebleerde relatie met de boekhandel. Zij willen zo veel mogelijk boeken verkopen ongeacht welke. Ik wil dat ze het liefst míjn boeken verkopen. Dan heb ik het er soms moeite mee als mijn werk niet op een goede plek ligt – bijvoorbeeld: waarom ligt Ernest van der Kwast, wiens boek in dezelfde week is uitgekomen als het mijne, nog op tafel en ik al in de kast? Of wanneer een boekverkoper de uitgeverij belt om te vragen of hij drie exemplaren met recht van retour mag terugsturen.'

Dan is het prettiger juryvoorzitter te zijn van de verkiezing van Beste Bibliotheek van Nederland?
'Ook met bibliotheken heb ik een getroebleerde relatie. Het blijft moeilijk dat een boek als commercieel product in de boekhandel ligt, terwijl het drie deuren verder bij een andere instelling te lenen is tegen een vergoeding van tien cent per uitlening. Daarbij spelen bibliotheken steeds meer boekhandeltje. Met lage tafels, in store routings etcetera. Maar ook met de gewoonte om zichzelf af te rekenen op het aantal uitleningen.'

Welke van beide instellingen doet uit eindelijk meer voor het in stand houden van de Nederlandse leescultuur?
'Daar kan ik onmogelijk antwoord op geven. Ik geloof dat er vier keer zo veel gelezen wordt via de bibliotheek dan via de boekhandel. De recente exacte cijfers weet ik niet. De bibliotheek zorgt dus voor veel leesmeters. Maar de boekhandel is veel meer een aanjager van de huidige stand van de literatuur. Al bedient het boekenvak natuurlijk meer mensen dan alleen het relatief kleine groepje lezers van fictie.'

Bij welke boekhandel bent u zelf klant? Verdient de eigenaar daarvan het om Boekverkoper van het jaar te worden?
'Ook een onmogelijke vraag. Ik ben vaste klant bij Bijleveld – al kom ik ook vaak in Broese, de Bilthovense boekhandel, Den Boer in Baarn, De Larense Boekhandel en het vaste rijtje in Amsterdam. Bastiaan Bommeljé van Bijleveld is veel meer dan boekhandelaar: uitgever, intellectueel, denker, kompas van de samenleving. Ik weet niet eens of hij zelf nog veel in de winkel staat. Hoe dan ook moet hij eerst worden genomineerd en dat is niet aan mij.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 7 sep)

Zie ook: