zondag 19 november 2017

AR & VR steeds vaker nuttige toepassing in educatief lesmateriaal (Inct)

Dat AR en VR toegevoegde waarde hebben in het onderwijs hoef je educatieve uitgeverijen niet te vertellen. Dat Nederlandse leerlingen ermee aan de slag gaan is dan ook een kwestie van tijd. En lef om erin te investeren.

Veel leerlingen komen dit jaar op school niet in aanraking met augmented reality (AR) of virtual reality (VR). Het aantal toepassingen van deze technieken neemt exponentieel toe. Op de laatste Buchmesse konden bezoekers in bijna iedere hal een VR-bril en koptelefoon opzetten om zelf een experimentele toepassing uit te proberen: van de opera Fernweh die het Nederlands-Vlaamse gastlandschap presenteerde tot filmpjes die Google ontwikkelt. Maar in de schoolklas dringt de techniek nog amper door.
Toch gebeurt er van alles bij educatieve uitgeverijen, vindt Esther van Vroonhoven, uitgever rekenen basisonderwijs van Noordhoff. Op de NOT van dit jaar zag zij 'behoorlijk' wat experimenten. Ook van haar eigen uitgeverij. Al voegt ze daar meteen aan toe dat De rekenruimte – een virtuele escape room, waaruit deelnemers kunnen ontsnappen door het beantwoorden van rekensommen – geen VR-leermiddel is maar een promotiemiddel voor de nieuwe methode Getal & Ruimte Jr.
'Op onze stand konden leerkrachten een VR-bril opzetten en de rekenruimte spelen', legt ze uit. 'Ongeveer zevenhonderd leerkrachten hebben het spel ook gespeeld. Getal & Ruimte Jr is een rekenmethode die zowel in boekvorm als helemaal digitaal is te gebruiken en daarmee dus klaar voor de toekomst is. Vandaar dat we er een eenentwintigste eeuwse campagne omheen hebben gebouwd. Het spel is ontwikkeld door VIEMR in opdracht van marketing-bureau RTRN dat wij hiervoor hadden geselecteerd.'
De voordelen van VR ziet Van Vroonhoven wel. 'Veel ruimtelijke onderwerpen vinden leerlingen best lastig. VR kan dat verduidelijken. Binnen Noordhoff kijken we dan ook of we het kunnen inzetten voor voortgezet onderwijs. Ik denk dat VR over vijf tot tien jaar een vergelijkbare plek in het onderwijs heeft als de mobiele telefoon nu: soms leuk en handig, maar niet noodzakelijk. Op dit moment is het nog vrij duur om het materiaal te produceren, maar ik vermoed dat de kosten snel zullen dalen.'

Juist omdat producten zoals De rekenruimte geen VR-lesmethode is, denkt Sarah Brusell van Uitgeverij Deviant dat de invoering van AR en VR in het onderwijs geleidelijk zal verlopen. ‘De ontwikkelingen gaan allemaal zo snel. Er zijn zo veel partijen mee bezig. Denk alleen al aan wat Google doet. Met Google Expeditions kunnen leerlingen de hele wereld over en op plaatsen komen die anders onbereikbaar zijn. Maar het is goed mogelijk dat er aankomend schooljaar opeens van alles op VR-gebied beschikbaar is, dat didactische meerwaarde heeft. Want daar gaat het natuurlijk om.'
Uitgeverij Deviant is een van de weinige Nederlandse educatieve uitgeverijen die inzet op volwaardige VR-toepassingen – en daar onlangs ook voor is gewaardeerd met de Comenius Edumedia Award. 3D VIP Room is een app om beter Engels te leren spreken. Startrekenen VR is een app waarmee je rekenonderwerpen uit de gelijknamige methode – zoals het inschatten van lengtes en hoogtes en het volgen van een routebeschrijving – kunt aanbieden. Beide apps zijn nu nog gratis te downloaden voor wie de lesmethodes van Uitgeverij Deviant gebruikt. Op termijn kunnen de apps ook los worden aangeschaft.
Het ontwikkelen van AR en VR voor het onderwijs is pionieren en kost in eerste instantie veel tijd en energie, legt Brusell uit. 'Wij stellen in eerste instantie niet de vraag: wat kost het en hoe verdienen we die investeringen terug? Belangrijker is dat wij als uitgeverij voorop willen lopen in het gebruik van nieuwe technieken. Wij stellen de vraag: hoe willen wij dat de klaslokalen er over vijf of tien jaar uitzien? Hoe kunnen wij een verantwoorde bijdrage leveren aan innovatie in het onderwijs? En hoe kunnen VR-toepassingen bijdragen aan meer leereffect en afwisseling in de les?'

Het is daarbij gewoon leuk om met nieuwe technieken te spelen, vindt Brusell. 'Startrekenen VR ontwikkelen we intern helemaal zelf. In het begin is het veel werk om een onderwerp uit te werken, maar zo langzamerhand krijgen we er meer handigheid in. Binnenkort gaan we ook zelf experimenteren met augmented reality. We hebben programmeurs en 3D-designers in huis die dat leuk vinden en over de juiste kennis en vaardigheden beschikken.'
En nu de producten er eenmaal zijn, blijkt de belangstelling wel degelijk groot. 'Het onderwijs vraagt niet per se om VR of AR. Maar als de toepassingen er zijn, raken docenten nieuwsgierig – en ontdekken ze vanzelf de voordelen, waarna de behoefte om het in de klas uit te proberen toeneemt. Bij de NOT zette vele bezoekers een VR-bril op om VR zelf te ervaren. .Zo nodig namen we hun vragen en bezwaren weg, over de technische toegankelijkheid bijvoorbeeld. Op bijna alle telefoons werken onze apps gewoon en dat is vaak een eye-opener. En voor leerlingen is VR ook aantrekkelijk. Zij zien het als een coole afwisseling op de dagelijkse les.'

Ook Mitchell de Mol van AVRGE is overtuigd van de toevoegde waarde van AR en VR in de klas. Zozeer dat zijn bedrijf, dat eigenlijk toepassingen voor derden ontwikkelt, begin 2019 zelf een product voor het voortgezet onderwijs op de markt zal brengen. Dat is de AR-app Edumara, waarmee leerlingen onderwerpen uit het vak aardrijkskunde beter kunnen begrijpen door ze aanschouwelijk te maken. Denk aan het ontstaan van een vulkaan, hoe een tornado beweegt of op welke manier aardplaten schuiven.
Aanvankelijk zette AVRGE de app met ThiemeMeulenhoff op. Samen verrichtten ze enkele pilots in de klas. De aanpak sloot ook aan bij de bestaande methode Geo. De uitgeverij heeft de samenwerking momenteel echter stilgezet omdat het nog twijfelt over de juiste strategie. Wil het bedrijf een geheel eigen product, waardoor de investering relatief hoog is? Of moet het samen met de grote concurrenten Noordhoff en Malmberg een techniek ontwikkelen, waardoor de kosten beperkt blijven – maar er ook minder concurrentieel voordeel is?
'Daar komt bij dat deze techniek zich nog niet helemaal heeft bewezen', aldus De Mol. 'Investeren houdt een risico in als je niet echt weet of docenten het in de praktijk zullen oppakken. Wij willen dat bezwaar wegnemen door iets te maken dat ook echt wordt gebruikt. Docenten merken dat leerlingen zich stof moeilijker eigen maken omdat ze moeite hebben om tekst te visualiseren. Door vlogs, games, noem maar op is die vaardigheid minder goed ontwikkeld dan vroeger. AR biedt dan een oplossing.'

Inmiddels is AVRGE zo ver dat De Mol kan zeggen dat de techniek werkt. 'We hebben heel veel moeten testen. In eerste instantie brachten we de verschillende onderwerpen bijvoorbeeld realistisch in beeld. Maar dat maakt de app automatisch zwaar. En dan nog kregen we als feedback: het ziet er niet uit. Leerlingen zijn immers de enorm mooie graphics van hun Playstation gewend. Dan besef je dat je voor een cartooneske aanpak moet kiezen, waardoor ook nog eens de focus meer op het leren zelf ligt.'
Ook didactisch klopt de app. Leerlingen vinden het leuk en interessant en gaan gemotiveerder aan de slag. 'Vmbo-leerlingen zijn snel afgeleid, dus moet de app kunnen werken als hun telefoon in vliegtuigstand staat. Ook moeten ze hem helemaal zelf bedienen. Bij alles wat automatisch gaat, verliezen ze hun aandacht. Daar kom je in deze fase waarin je moet pionieren alleen achter in pilots. En door veel te praten met docenten zelf, die al te veel innovatieve toepassingen op zich af hebben zien komen zonder relatie met wat in de klas gebeurt.'
(Eerder gepubliceerd in Inct)

donderdag 16 november 2017

Interview Bjorn Van den Eynde – succesvol jeugdauteur op de Boekenbeurs (Boekblad)

De jeugdboekenauteur Bjorn Van den Eynde (1984) verkocht op de Boekenbeurs in Antwerpen in de eerste week zo'n zeshonderd exemplaren van zijn laatste boek: Team Mortis 7 – De spiegelmoorden. Hij doet er dan ook veel moeite voor. Hij is maar liefst 56 uur aanwezig, verdeeld over tien dagen, om te signeren.

Bijna zeshonderd exemplaren na acht dagen Boekenbeurs. Hoe kan dat?
'Het is het zevende deel van een serie young adult-spionagethrillers. Ik timmer al jaren aan de weg, sinds het eerste deel in 2012 verscheen, en ik zie elk jaar lezers terugkomen. En elk jaar komen er een paar lezers bij die zijn gevallen voor de characters, die hen aan de reeks doet kleven.'

Is het succes van 'Team Mortis' ook te danken aan de Boekenbeurs zelf?
'Dat denk ik wel. Toen mijn eerste boek uitkwam, was ik een onbekende. Ik had tv-schrijfwerk gedaan, maar daar bouw je geen naam mee op bij het grote publiek. Toch verkocht ik in 2012 al zo'n drie-, vierhonderd boeken. Dat was echt een jumpstart, die ik te danken heb aan het feit dat ik daar lijfelijk aanwezig was, praatjes maakte, ideeën wisselden met lezers. In de boekhandel ligt een boek er als een dood voorwerp. In het beste geval kan een cover een lezer nog triggeren, maar als je nog geen bestsellerauteur bent ligt je boek ook niet op de tafel met bestsellers. Op de Boekenbeurs bouw je daarentegen zelf een band met lezers op. Met sociale media kan dat tegenwoordig ook, maar dat is niet hetzelfde als wanneer je lezers je bij wijze van spreken kunnen aanraken.'

Een signeersessie in een boekhandel heeft niet hetzelfde effect?
'Nee. Ik doe voorafgaand aan de Boekenbeurs altijd een paar signeerdagen in Standaard Boekhandel. Dat was dit jaar eigenlijk pas echt succesvol, toen er steeds enkele tientallen lezers speciaal voor mij langskwamen. In het begin waren het er maar drie of vier – en dan weet ik dat er collega's zijn die zelfs geen enkel boek verkopen tijdens een signeersessie. Een boekhandel trekt in vergelijking een kleiner publiek. De Boekenbeurs bundelt het publiek. Het is daar een groot circus waar tientallen auteurs zijn. Toch blijf ik naar boekhandels gaan. Ik vind het belangrijk ook daar lezers te ontmoeten. En de boekhandelaar is altijd blij dat je er bent.'

Is het ontbreken van een Boekenbeurs ook de reden dat je in Nederland nog weinig naam hebt gemaakt?
'Voor een deel, ja. Naamsbekendheid is alles. Zonder kopen zeker grote boekhandelsketens je werk niet in. De Boekenbeurs heeft me hier geholpen naamsbekendheid op te bouwen. Ik heb wel een paar Nederlandse lezers, van wie ik ook reacties krijg. Ik denk daarom dat er geen culturele verschillen zijn die verhinderen dat mijn werk in Nederland kan aanslaan. Aan de andere kant: veel thrillerauteurs zijn bij ons enorm populair met toch universele verhalen, terwijl zij ook moeite hebben Nederland binnen te komen. We zullen zien. Met Baeckens Books zinnen we op een manier om mijn boeken in Nederland opnieuw te lanceren.'

Ben je dit jaar de meest signerende auteur?
'Dat zal niet veel schelen. Ik probeer zoals ieder jaar alle weekenden en vakantiedagen te komen, zo mogelijk de hele dag. Alleen komende donderdag en vrijdag sla ik over. Ik voel me ook verantwoordelijk voor mijn lezers. Als zij naar de Boekenbeurs komen, hopen ze mij daar te zien. Dan kan ik er niet een dag niet zijn.'

Hoe houd je dat vol?
'Als je er twee uur zit en je signeert maar een paar boeken, is het plezier er snel af. Maar ik heb het geluk dat ik een vrij breed publiek heb. En: een jeugdauteur ben. Het jeugdpubliek hecht meer waarde aan een handtekening in hun boek. Ze zijn net iets enthousiaster. Als ik 's ochtends om elf uur kom staat er al een kleine rij. Ik kan gelijk beginnen, neem voor iedereen de tijd, doe het in een rustig tempo en als ik dan op mijn horloge kijk, is het plots drie uur, half vier. Op drukke dagen zelfs vier uur, half vijf.'

Wordt je daarbij goed begeleid door je uitgeverij: Baeckens Books?
'Zeker. Ik kon destijds bij een aantal uitgeverijen terecht. Ik koos voor Baeckens omdat het een familiebedrijf is: grootvader is mede-eigenaar, vader en zoon werken er. Dat zorgt voor een amicale sfeer die je ook op de stand tegenkomt. Daarbij zorgen ze altijd voor een gezellige, dorpse drukte. Geronimo Stilton is er altijd, er zijn spelletjes.'

Wat vind je – los van je eigen signeersessies – van de Boekenbeurs als evenement?
'Ik heb een grote liefdesverhouding met de Boekenbeurs. Het is de enige plek waar je op een organische manier met je publiek in contact kunt komen. Zeker als jeugdauteur. Wij komen niet op het nieuws, niet in de krant, niet in cultuurmagazines. En standhouders doen enorm hun best om het visueel aantrekkelijk te maken en met evenementen voor leven te zorgen. Ik vind het altijd jammer als het voorbij is en ik weer een jaar moet wachten om mijn lezerspubliek te begroeten. Als Nederland dan toch een eigen Boekenbeurs zou beginnen, zou ik ten minste twee keer per jaar naar zo'n evenement kunnen gaan. Dat zou nog beter zijn.'

De Boekenbeurs zou te duur zijn, klagen juist schrijvers.
'Ik denk wel dat je een nog een breder publiek kunt trekken – wat een heel belangrijk streven moet zijn – mocht je voor vijf euro naar binnen kunnen. Nu is een gemiddeld gezin zo veertig, vijftig euro kwijt. Dat is veel. Maar ik vind het te makkelijk om te schieten op toegangskaartjes van tien euro. Ik ken de kostenstructuur van het evenement niet. Van de toiletten tot het licht, ik begrijp dat het allemaal geld kost. Ik ga er maar van uit dat tien euro een prijs is die met de kosten in verhouding staat.'

Wat vind je ervan dat de Boekenbeurs voor het eerst tussendoor drie dagen dicht is: van maandag tot en met woensdag?
'Ik vrees dat in deze dagen veel mensen voor een gesloten deur staan. Het zit zó in de Vlaming ingebakken dat de Boekenbeurs van 1 tot en met 11 november duurt – met een feestdag in het begin en een feestdag aan het eind. Ook bij mij, van toen ik als kind naar de Boekenbeurs ging. Op een gegeven moment ging de beurs al in oktober open, maar nog steeds zie je dat het op die dagen rustiger is. Ook dit jaar: pas vanaf 1 november kon je er op de koppen lopen. Het zal dus een tijdje duren voor het publiek aan de knip van drie dagen is gewend. Voor mezelf is het daarentegen fijn dat ik op adem kan komen. En eindelijk ook wat kan schrijven.'

'Klopt. Mijn signeertafel staat schuin tegenover hun stand. Ik kan ze perfect in de gaten houden. Maar ik heb niet de indruk dat hun aanwezigheid de gemoederen verhit. Zij hebben hun eigen publiek. Ik denk dat hun aanwezigheid geen positief of negatief effect zal hebben op hun populariteit. Ook op de Boekenbeurs zal het trouwens vermoedelijk geen positief of negatief effect hebben.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 9 nov) 

woensdag 15 november 2017

Onze Taal & Nederlandse Taalunie: Hetzelfde doel, verschillende doelgroepen (Taalunie:Bericht)

De Nederlandse Taalunie en Onze Taal kregen dit jaar allebei een nieuwe directeur. Hans Bennis en Vibeke Roeper denken dat de organisaties elkaar uitstekend aanvullen.

Taal is wat mensen met elkaar verbindt. De nieuwe directeur Vibeke Roeper (1965) van Genootschap Onze Taal – aangetreden per 1 september – schroomt niet om grote woorden te gebruiken. 'Taal is de lijm van de samenleving. Taal laat zien hoe we in deze maatschappij met elkaar omgaan. Daarom is het zo ontzettend belangrijk om daar goed over na te denken.'
Ze herinnert zich een discussie tussen een lid van het Genootschap en de NOS die ze recent voorbij zag komen. 'Dat ging over de vraag of je in berichtgeving "wit" of "blank" gebruikt als tegenovergestelde van "zwart". Beide woorden hebben een heel verschillende gevoelswaarde. Het is een klein voorbeeld, maar het geeft aan hoe belangrijk het is om zorgvuldig om te gaan met dat wat we gezamenlijk hebben.'
Taal geeft ook plezier. 'Het is een onuitputtelijke bron van nieuwe gedachten en ideeën', zegt Roeper. 'Ik herinner me een interview met [de Vlaamse cartoonist] Kamagurka. 'Als hij snel en dus verkeerd een tekst leest, komt hij tot de beste ideeën, vertelde hij daarin. Dat kan ik me zo goed voorstellen: dat het spelen met taal je creativiteit voedt.'

Algemeen secretaris Hans Bennis (1951) van de Nederlandse Taalunie – aangetreden per 1 februari – kan het alleen maar beamen. Taal is belangrijk en leuk. 'En door informatie daarover te bieden en zo meer inzicht te verschaffen, vergroot je de interesse en het niveau van de discussie. Zoals je ook meer van letterkunde geniet als je hebt geleerd moeilijker boeken dan Pinkeltje te begrijpen.'
Het is dan ook op dat niveau dat het Genootschap Onze Taal en de Nederlandse Taalunie hetzelfde doel hebben. Het verschil is alleen, vindt Bennis, de doelgroep van beide instellingen. 'Zij zijn een publieksorganisatie. Zij richten zich op het grote publiek met leuke, interessante en mooie dingen over taal. Wij zijn een beleidsorganisatie. Wij richten ons op het veld van deskundigen en de overheid.'
Er is veel belangstelling voor taal, merkt Bennis. Denk aan de oplage van het tijdschrift Onze Taal of het bestaan van een populariserend radioprogramma als De Taalstaat dat op prime time wordt uitgezonden. 'En dan is het belangrijk dat er op een verstandige manier wordt gesproken over taal. Onze Taal doet dat, zeker sinds ze – al lang geleden – zijn geëvolueerd van een normatief naar een informatief gezelschap.'
Op zijn beurt probeert de Nederlandse Taalunie de discussie bij politici en beleidsmakers naar een hoger niveau te tillen. 'Ik merk nu hoe weinig politici van taal weten. Ze roepen vaak maar wat. In Vlaanderen is er wel een vanzelfsprekend bewustzijn over taal, maar in Nederland hebben politici alleen belangstelling als er kwesties zijn. En dan wreekt zich de geringe kennis.'

Beide organisaties kunnen elkaar door de verschillende doelgroepen perfect aanvullen. In het verleden is dat anders geweest. Bennis' voorganger wilde juist wel dat de Nederlandse Taalunie naar buiten trad en begaf zich zo in het vaarwater van het Genootschap Onze Taal. Langer geleden hadden ze een hoogoplopende ruzie over de correcte spelling. Het Genootschap zette toen de witte spelling tegenover het Groene Boekje.
Dat is absoluut niet de toekomst die Roeper en Bennis voor zich zien. 'Wij werken nu met de Taalunie samen in de Week van het Nederlands', zegt Roeper. 'Zulke dingen zouden we vaker kunnen doen. De rol van popularisator past ons goed. Als zij bijvoorbeeld in de discussie over het schoolvak Nederlands het grote publiek willen bereiken, kan dat via ons.'
Onze Taal, legt ze uit, kan een grote pool van zeer betrokken particulieren bieden. 'Als de Taalunie wil weten wat taalgebruikers van een bepaald onderwerp vinden, kunnen ze dat via ons vragen. Wij hebben de directe relatie met taalliefhebbers. Dat kan tot op woordniveau. Om weer het voorbeeld te nemen van "wit" of "blank". Zet de vraag naar welk woord de voorkeur heeft uit op sociale media en via onze kanalen heb je zo 1500 reacties.'

De Nederlandse Taalunie en Genootschap Onze Taal bieden momenteel allebei op hun site taaladvies. Het publiek kan daarom op twee plekken tegelijk terecht – hoewel het Genootschap al lange tijd het taaladvies van de Taalunie uitvoert. Zij kregen daar in 2016 nog 57.050 euro voor. Bennis vindt dat overkill. 'En als de adviezen ook nog onderling afwijken, werkt dat door de mogelijke verwarring eerder contraproductief.'
De algemeen secretaris zou dat graag anders zien. 'Dat Vlaanderen zijn eigen taaladvies heeft, is logisch. Maar in Nederland hoeft dat niet op twee plekken te gebeuren. Onze Taal voert deze functie heel goed uit, dus waarom kunnen zij het niet voor Nederland doen? Wij blijven het dan financieren en op de achtergrond een rol spelen om te kunnen garanderen dat het – ook inhoudelijk – goed blijft gaan.'

Het Genootschap én de Taalunie bevinden zich met de komst van een nieuwe directeur op een kruispunt. De manier waarop Bennis en Roeper hun organisatie vorm willen geven vergroot de mogelijkheden voor een vruchtbare samenwerking alleen maar. Zo wil Bennis alle uitvoerende taken afstoten om alleen vanuit een coördinerende rol discussies over bijvoorbeeld het Engels in het hoger onderwijs te voeren en te vertalen in goed beleid.
'Dat gaat langzaam', zegt Bennis. 'Ik kan nu eenmaal niet domweg stoppen met bijvoorbeeld de Prijs der Nederlandse Letteren. We praten met allerlei organisaties om deze taken over te nemen. Ik wil blijven praten met Vibeke over wat zij voor ons kunnen doen. Zij moeten daarbij niet onze spreekbuis worden. Onze Taal is onafhankelijk. Maar waar synergie is te behalen, wil ik die kans niet laten liggen.'
Roeper kan nog niet zeggen wat zij met het Genootschap voor ogen heeft. Daarover is ze nog te kort in functie. Maar als zij de producten tegen het licht houdt gebeurt dat tegen de achtergrond van een gestaag dalend lidmaatschap. In 2016 vertrokken netto bijna duizend mensen. 'De maatschappij wordt vluchtiger. Mensen worden niet meer zo snel ergens lid van maar fladderen langs op een moment dat het hen uitkomt. Dat zie je terug aan het voortdurend stijgende aantal volgers op onze sociale media.'
Het ligt daarom voor de hand dat het Genootschap zich meer gaat richten op dat grotere publiek. Met de taaladviezen worden maandelijks een miljoen mensen bereikt. Kunnen die mensen niet ook meer worden verleid voor de trainingen en boeken van Onze Taal? 'Die taak van maatschappelijk dienstverlener, voortgekomen uit de fascinatie voor taal, is erg succesvol. We willen de mogelijkheden daarvoor zeker verkennen', aldus Roeper.
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:bericht, 9 nov)

Zie ook:

zaterdag 11 november 2017

The Gold Edition van 'Het geheim van de meester' kost 49.034,95 euro (Boekblad)


Mark Zegeling noemt het 'het meest exclusieve boek van het jaar'. Gisteren presenteerde zijn uitgeverij MarkMedia & Art de limited edition van Het geheim van de meester. Het boek van 49.034,95 euro is gewoon te bestellen bij de boekhandel.

The Gold Edition van het door Zegeling geschreven boek is bekleed met 23 karaat bladgoud en afgewerkt met een patroon van 18 karaat goud in de vorm van de Fibonacci-krul, afgezet met druppelvormige parels en boutonparels. Alleen al voor het maken van de cover – dat verwijst naar Vermeers Meisje met de parel – is bijna een kilo goud verwerkt. De oplage is één exemplaar. Het boek is zo exclusief dat directeur Hans Willem Cortenraad van CB het aanstaande vrijdag bij aankomst in Culemborg persoonlijk in ontvangst wil nemen.
'Het geheim van de meester – naar het tv-programma van AVROTROS en de daarvan afgeleide theatertournee langs veertien schouwburgen – gaat over oude meesters en vakmanschap', vertelt Zegeling. 'En over moderne techniek: met röntgen-, infrarood-foto's en XRF-scans wordt gezocht naar nieuwe informatie onder de lagen verf en vernis van meesterwerken van onder andere Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan. De limited edition moest daarom een eerbetoon zijn aan vakmanschap én moderne techniek. Ik heb het daarom laten maken door bedrijven met een lange traditie van samen 550 jaar.'
Daarbij: voor zijn eerste boek Sterke verhalen uit 2013, over de geheimen achter de gevels van de KLM-huisje, heeft Zegeling tot twee keer toe een limited edition gemaakt met een kaft van porselein – een keer voor de Nederlandse en een keer voor de Engelse editie. 'Porselein wordt het witte goud genoemd. Dus dacht ik: laat ik nu een uitvoering van echt goud maken. Door die uitgave weet ik ook dat je altijd wel kopers vindt als je met iets bijzonders komt – en een koper daar het geld voor heeft.'
Zegeling toonde The Gold Edition gisteren voor het eerst in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag tijdens het theatercollege dat de makers van het tv-programma daar gaven. Vrijdag gaat het naar CB. 'De prijs bestaat alleen uit zo veel cijfers dat de software van CB er niet op berekend is. Eigenlijk moeten ze het systeem aanpassen, maar daarvoor moet het hele systeem plat. Dat kan natuurlijk niet. Ze proberen het op te lossen, maar bij de testfase ging al iets mis. Het boek kan wel worden gescand: achterop zit een gouden plaatje met het ISBN.'
De uitgave zal ook worden getoond op de PAN Amsterdam, die van 19 tot en met 26 november plaatsvindt. Daarna kan het naar de koper. 'Er is al belangstelling. Van iemand die zich heeft gemeld bij juwelier Steltman, die het omslag heeft afgewerkt. Maar het kan ook via de boekhandel worden verkocht. In het geval dat de boekhandel ons in contact brengt met de koper – naar wie het boek brengen om te laten zien – krijgt deze speciale korting van 2% [ofwel: 980,70 euro]. Ik heb geen folders verspreid. Ik vertrouw erop dat ze via de media-aandacht op de hoogte zullen raken van dit boek.'
Zegeling was als historisch onderzoeker betrokken bij het tv-programma van AVROTROS. Hij besloot daarop een boek te schrijven over hetzelfde onderwerp. Maar: onafhankelijk van de omroep, om niet in problemen te komen met de mediawet. 'Ik heb ook veel informatie toegevoegd. En ook voor wie het programma niet heeft gezien is het goed te volgen. De gewone editie is vorige week verschenen in een oplage van 5000 stuks. De verkoop gaat meteen goed, maar kan zeker nog wel een push gebruiken.'

Hier is een film te zien over het maken van het boek.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 7 nov)

vrijdag 10 november 2017

Studio Sesam presenteert tweede reeks 'superdiverse' kinderboeken (Boekblad)


Studio Sesam presenteerde vorige week de tweede reeks 'superdiverse' kinderboeken. De boeken ontstonden uit een ontwikkeltraject met schrijvers en illustratoren met alle mogelijke achtergronden.

De reeks bestaat uit acht verhalen gebundeld in vier prentenboeken voor kinderen van drie tot negen jaar plus een peuterboekje. De boeken zijn gemaakt door vijftien schrijvers en illustratoren die vorig jaar oktober zijn geselecteerd uit 220 aanmeldingen – plus Atilla Erdem en Olivia van Trigt. Zij volgden workshops, kregen schrijftrainingen, praatten in scholen met kinderen over verhaalideeën en werden daarna tijdens het maken gecoacht door professionele redacteuren en illustratoren.
'Omdat we nu ervaring hadden, ging dit traject veel sneller', zegt Ingrid Tiggelovend van het Vlaamse Studio Sesam. 'Ook hebben we nu een thema opgelegd om zo het aanbod diverser te maken. In de eerste reeks gingen de boeken over universele thema's als vriendschap, nu ging het directer over autisme, migratie/integratie, rolpatronen of vluchtelingen . Zo geven we kinderen die bijvoorbeeld zijn gevlucht – en er zíjn veel minderjarige asielzoekers – een verhaal over hun omstandigheden.'
De belangstelling om deel te nemen was veel groter dan bij de eerste editie, toen er 120 aanmeldingen waren. Tiggelovend: 'We werden een beetje overstroomd door wie allemaal wilde deelnemen. Tijdens een grote informatiebijeenkomst in de bibliotheek van Antwerpen was de zaal met 100 zitplaatsen heel snel de zaal volgeboekt. En ook nu worden we al gebeld en gemaild met de vraag wanneer de derde editie van start gaat. Helaas hebben we daar momenteel nog geen subsidie voor – en zonder kunnen we het intensieve traject niet aanbieden.'
Dat reflecteert zich in de groeiende interesse bij de boekhandel. 'Onze verdeler EPO heeft de boeken ook veel prominenter op zijn stand op de Boekenbeurs neergezet', vertelt Tiggelovend. 'De vorige keer waren ze een beetje in een hoekje weggestopt. De interesse is ook groter omdat we het nu uitbrengen als A-boek en niet meer als S-boek. Dat hadden we toen gedaan uit financiële vrees. Daardoor werden de boeken toen vooral afgenomen door onderwijs, bibliotheken, het jeugdwerk en dergelijke.'
Tiggelovend is ook te spreken over de groeiende belangstelling voor diversiteit in het boekenvak. Het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren stellen subsidies beschikbaar. Er is in Nederland in Rose Stories een soortgelijk initiatief opgestaan. Mylo Freeman weet ook internationaal steeds meer succes te boeken met haar Prinses Araballa-reeks. En een uitgeverij als Blossom Books organiseerde op de Boekenbeurs een debat over 'We Need Diverse Books'. 
'Ik zie echt een toenemende interesse om hier iets mee te doen', zegt Tiggelovend. 'Ook bij commerciële uitgeverijen. Floor Tinga die voor deze reeks met Ilse Hermans Stapelgek heeft gemaakt, hebben samen nu een contract getekend bij De Eenhoorn. Fatinha Ramos van de eerste reeks is ook doorgebroken en won de Excellence Award op Frankfurter Buchmesse. Pelckmans vroeg mij eerder al om naar een aantal educatieve boeken te kijken of daarin genoeg aandacht is voor diversiteit en er geen stereotypen in voorkomen.'
De vier dubbel-prentenboeken zijn gedrukt in een oplage van 1.250 exemplaren per uitgave, het peuterboekje Feest voor Ilyas van Khadija Timouzar en Mijke Coebergh in 1.000  exemplaren. De prentenboeken meten 21 bij 21 centimeter, tellen 56 pagina's en kosten 14,95 euro. Het peuterboekje, dat ook vertaalde woorden in het Arabisch, Pools, Frans, Turks, Papiaments en Sranantongo bevat, meet 21 bij 16 centimeter, telt 24 pagina's, en kost 12,95 euro. De prentenboeken zijn voor 49,95 euro ook verkrijgbaar in één Sesam-box.
Meer over het onderwerp diversiteit in kinderboeken in het eerstvolgende Boekblad magazine. De boeken worden ook gepresenteerd tijdens het Sesam-festival op 12 december in het Zuiderpershuis in Antwerpen.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 6 nov)

woensdag 8 november 2017

Interview Arjen van Meijgaard: een debutant moet gebruik maken van zijn netwerk (Boekblad)

In het najaar ontvangt de boekhandel een overstelpende hoeveelheid nieuwe titels. Hoe zorg je er als debutant bij een kleine uitgeverij voor dat ook jouw boek opvalt? Arjen van Meijgaard, auteur van de roman We hebben alles bij ons (In de Knipscheer), maakt dankbaar gebruik van het netwerk dat hij in het boekenvak heeft opgebouwd– én het netwerk van vrienden en bekenden.

Gefeliciteerd met je debuut. Is er een droom uitgekomen?
'Ja en nee. Ik was al langer bezig met dit boek en in het begin, als het voor je gevoel af is, wil je dat er natuurlijk snel iets mee gebeurt. Ik ben de afgelopen jaren weleens bij een uitgeverij uitgenodigd om over mijn manuscript te praten, maar dat liep uiteindelijk helaas om verschillende redenen op niets uit. Ik bleef schaven en schuren aan de tekst en stuurde het dan weer eens op. Ik rekende steeds minder op een uitgave en op het moment dat ik er het minst mee bezig was, kwam de vraag van hoofdredacteur Cor Gout van literair tijdschrift Extaze of ik wilde debuteren in hun debutantenreeks bij In de Knipscheer. De droom van de publicatie van We hebben alles bij ons kwam dus toch uit, maar nu begint de tweede droom: dat het verkocht en gelezen wordt en dat er nog een boek volgt. De ene droom wekt dus de volgende op.'

Hoe ben je precies bij In de Knipscheer gekomen?
'Via Extaze dus. Het is een sympathiek en mooi vormgegeven Haags tijdschrift dat naast beschouwingen en essays over verschillende onderwerpen een podium biedt aan beginnende schrijvers en dichters. Ik heb daar een paar keer een verhaal in gepubliceerd. Ook in nummer 24, dat morgen wordt gepubliceerd, staat weer een verhaal van mij. De debutantenreeks die Extaze heeft met In de Knipscheer is volgens mij vrij uniek. Mijn roman is het vierde deel in de Extaze-reeks.'

In de Knipscheer was dus niet je eerste keus. Is het toch de uitgeverij van je dromen gebleken?
'Als je een beetje thuis bent in het boekenvak, dan ken je de meeste uitgeverijen. Ik heb een paar jaar bij Broese in Utrecht en Verwijs in Den Haag gewerkt. Als ik toen nadacht over een eigen uitgave, had ik zo mijn voorkeuren: Meulenhoff omdat Patrick Modiano daar destijds werd uitgegeven, een schrijver die ik graag lees. Of Cossee omdat die uitgaves mooi zijn en ze ook wat minder gangbare schrijvers publiceren. Maar op dit moment zijn de kleinschaligheid en het idealisme van In de Knipscheer mij zeer welkom. De betrokkenheid van de redactie van Extaze en Franc Knipscheer is groot. En zonder hen was deze droom niet uitgekomen.'

Kan de uitgeverij ervoor zorgen dat het een bestseller wordt?
'Een bestseller zou leuk zijn, maar hoeft niet van mij. Dat klinkt misschien makkelijk omdat die kans ook minimaal is, maar alle aandacht en rompslomp die dat met zich meebrengen: ik kan me niet voorstellen dat ik daar ontzettend blij van word. Het is natuurlijk wel belangrijk dat het boek aandacht krijgt met bijvoorbeeld wat recensies en wie weet een nominatie. En dat het goed verkoopt is natuurlijk ook van belang, bijvoorbeeld dat de eerste druk over een jaar uitverkocht is. Dat lijkt me al een mooi streven op zich.'

Maar er verschijnen - juist in deze tijd van het jaar – zo veel nieuwe titels. Waarom zouden lezers uitgerekend jóúw boek moeten lezen?
'Omdat het te midden van die hele turbulente stroom boeken een rustige titel is en een mooie uitgave. Het is een tragikomische road novel, de stijl is luchtig, het verhaal is serieus. De hoofdpersoon – een man van een jaar of dertig – helpt zijn vader emigreren naar Portugal. Omdat zijn ouders zijn gescheiden toen hij tien was, beschouwt hij de reis als dé kans om elkaar te leren kennen. Gaandeweg wordt dan duidelijk hoeveel impact de scheiding heeft gehad op zijn leven. En dat ze meer op elkaar lijken dan hij had gehoopt. Niet alleen kinderen en ouders die een scheiding hebben meegemaakt zullen er dingen in herkennen. Ieder kind wil gezien worden door zijn vader en moeder, heeft liefde en aandacht nodig. En welke gevolgen heeft het als je die niet krijgt?'

Is je debuut wel goed ingekocht?
'Een netwerk is in elk vak belangrijk. Gelukkig ken ik dankzij mijn verleden een aantal boekhandelaren en die hebben het ingekocht, dat is erg fijn. Het was ook zeer sympathiek dat Athenaeum Boekhandel – voor wie ik Franse literatuur recenseer – een voorpublicatie op hun website heeft geplaatst. En jij wil me interviewen. Zelf ben ik ook boekhandels aan het benaderen om te vragen of ze een stapeltje ter consignatie willen neerleggen, en bekenden en collega’s helpen me daarbij. Op die manier is het dan straks in ieder geval op verschillende plekken in Nederland te krijgen, van Heemstede tot Velp en van Utrecht tot Maassluis. En dat is het belangrijkste, dat het een tijdje op tafel ligt, zodat mensen het oppakken, de achterflap lezen of de eerste bladzijde en het dan meenemen naar de kassa. Gelukkig werk ik op twee middelbare scholen waar leerlingen het op hun eindlijst mogen zetten, dat helpt natuurlijk ook. Zeker als ze dat de komende jaren blijven doen.'

Wat gaat de uitgeverij doen om je boek aan de man te brengen?
'De boekhandels informeren, het boek onder de aandacht van de pers brengen. Via sociale media is er al aandacht aan besteed, ook door tijdschrift Extaze. De boekpresentatie vorige week in boekhandel Douwes was een dubbelpresentatie met deel 5 uit de Extaze-reeks: Rotgeluk van Kristien De Wolf. Zij komt uit Vlaanderen en doet daar nog een presentatie, dus ik hoop dat ik daar ook over mijn roman kan komen vertellen.'

'In de Knipscheer is een kleine uitgeverij met weinig mankracht. De uitgever zelf is ontzettend actief met het onder de aandacht brengen en verzorgen van zijn fonds, dat toch aanzienlijk. Maar ik vind het niet meer dan logisch dat een auteur zelf ook veel aan pr doet. Het lijkt me juist niet van deze tijd om achterover te leunen en af te wachten wat er allemaal voor je geregeld wordt. Het is bovendien leuk om te doen, merk ik: aandacht voor je eigen boek genereren.'

Wat is er leuk aan?
'Het durven vertellen over je boek en dan merken dat mensen oprecht geïnteresseerd zijn. Ik merk dat je ook op een bescheiden manier effectief om aandacht kunt vragen. Opdringerigheid vind ik zelf heel vervelend, maar laten zien: "Dit ben ik en dit heb ik te bieden, wil je er wat mee?" blijkt dus ook te werken. Het is natuurlijk helemaal leuk als je bij een boekwinkel langsgaat om te vragen of ze het willen neerleggen en je ziet het al in de etalage liggen, zoals mij vorige week overkwam bij De Haagse Boekerij. Dan ga ik wel even naar binnen om te bedanken.'

Wanneer beschouw je je debuut als een succes?
'Ten eerste als er hier en daar aandacht aan besteed wordt, maar vooral als de mensen die We hebben alles bij ons lezen het waarderen. Een aantal mensen had het la direct het weekend na de presentatie uit en mailden me dat ze onder de indruk waren. Dat is fijn om te horen. Vervolgens zie ik dit debuut als een succes wanneer er nog een tweede en hopelijk derde boek op volgt. Ik houd daarbij Nescio en Elsschot in mijn achterhoofd: schrijvers van een klein maar indrukwekkend oeuvre. Maar wie weet, heb ik straks de smaak goed te pakken en volgen er nog veel meer boeken. Modiano blijft ook wat dat betreft mijn grote voorbeeld.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 1 nov) 

maandag 6 november 2017

De eerste lichting studenten over de opleiding tot community librarian (Bibliotheekblad)

Na lange voorbereiding ging half mei de post-hbo-opleiding Community Librarian van Cubiss van start. De bibliothecarissen onder de 36 die zijn toegelaten hopen te leren netwerken op te bouwen en nieuwe diensten van de bibliotheek te introduceren op basis van samenwerking met maatschappelijke partners en echte kennis over hun behoeften.

Apetrots stonden de mensen van Cubiss erbij die het allemaal mogelijk hebben gemaakt. Op deze vrijdag 12 mei was het dan zo ver. De eerste lichting van zestien studenten – veertien vrouwen, twee mannen – begon in het Tilburgse gebouw van de Provinciale Ondersteuningsinstelling voor Brabant en Limburg aan de post-hbo-opleiding Community Librarian. ’s Ochtends hadden ze de eerste van twintig bijeenkomsten gehad, ’s middags woonden ze de feestelijke opening bij in de vorm van een gastlezing van bibliotheekprofessor Frank Huysmans. Dat gold gelijk als de tweede bijeenkomst. De leidinggevenden van alle studenten waren ervoor uitgenodigd.
Hoogtepunt van de bijeenkomst was de vertoning van een korte video, nog geen drie minuten lang. Daarin kondigde David Lankes, wiens gedachtegoed de basis vormt voor de opleiding, aan in oktober naar Nederland te komen voor een masterclass. De Amerikaan, professor bibliotheek- en informatiewetenschappen aan de University of South Carolina, zal dan zelf uitleggen wat hij onder een community librarian verstaat – een bibliothecaris die niet passief afwacht tot iemand boeken komt lenen, een cursus komt volgen of een andere dienst komt afnemen, maar die midden in de maatschappij staat en actief op zoek gaat naar de vraag van zijn gebruikers. Een netwerker die erop uitgaat om overal in zijn werkgebied de collectie van nut te laten zijn.
Of zoals Cubiss de vier hoofdtaken van een community librarian in de folder van de opleiding omschrijft: een communitybuilder, een kennisdeler, een communicator en een co-creator. De communitybuilder volgt trends en maatschappelijke ontwikkelingen en maakt hier onderdeel van uit. De kennisdeler zorgt op pro-actieve wijze voor positionering, promotie en presentatie van de producten en diensten van de bibliotheek.  De communicator wisselt, via passende media, relevante informatie uit met het team en met het netwerk. En de co-creator creëert, in samenhang en in samenwerking met en voor zijn omgeving, kennis, inzichten of ontwikkelingen die niet van tevoren bedacht zijn.

Er was een lang traject aan deze start vooraf gegaan. Het begon bij een verzoek van de directeuren in het Brabantse Bibliotheeknetwerk. Er waren recent relatief veel jonge mensen in de branche aan het werk gegaan. Ze waren hoogopgeleid en netwerkvaardig en daarom echte aanwinsten voor de bibliotheek, maar ze misten kennis over de bibliotheeksector. Kon Cubiss geen opleiding voor hen opzetten? En dan het liefst een opleiding tot community librarian – omdat de bibliotheken die allemaal in de transitie zitten van klassieke bibliotheek naar maatschappelijke bibliotheek zaten te springen om mensen die deze nieuwe functie kunnen vervullen.
Vanwege het eerste criterium heeft Cubiss een leeftijdsgrens aan de opleiding gesteld: 36 jaar. 'Maar er is veel belangstelling voor de opleiding', vertelt projectleider Marieke Hezemans van Bieb Lab Brabant. 'Het is misschien zelfs het product van Cubiss waar we de meeste vragen ooit over hebben gekregen. Zelfs internationaal is er belangstelling voor. Ik ga er in augustus over vertellen op het IFLA-congres in Polen. Want al wordt er veel over de community library gesproken, er zijn nog weinig mensen die daadwerkelijk deze rol in de bibliotheek vervullen. Toen we voor onze longread (zie kader) op zoek gingen naar voorbeelden in Nederland, waren ze best moeilijk om te vinden.'
Cubiss kreeg subsidie van de provincie Brabant en een innovatiesubsidie van de KB. De organisatie koos Avans+ uit als opleider. Hezemans: 'We wilden graag een goede partij aan ons verbinden én de opleiding accrediteren, zodat we studenten echt een goed aanbod konden doen. Nu is het een echte hbo-plus-opleiding die goed staat op je CV. Je investeert echt in je eigen kwaliteiten en je inzetbaarheid. Accrediteren was een heel proces, waarvoor we onder andere een werkveldadviesraad moesten hebben. Daar zitten de bibliotheken Midden-Brabant, NOBB, Breda en Theek5 in. Zij fungeren als klankbordgroep met wie samen een beroepsprofiel hebben opgesteld, waarin haarfijn wordt uitgelegd waarvoor wij opleiden.'
Al deze moeite is niet voor niets: Cubiss wil – ook vanwege de brede belangstelling in het veld voor de nieuwe bibliotheekfunctie – de opleiding vaker aanbieden. Om te beginnen laat Cubiss al in november een tweede groep starten, waarvoor geen leeftijdsgrens is gesteld. De inschrijving daarvoor is inmiddels geopend. Op termijn wil de organisatie graag de opleiding ook in andere provincies aanbieden  'We hebben in eerste instantie in ons eigen werkgebied geworven', zegt Hezemans. 'Pas daarna kwamen mensen buiten de provincie in aanmerking. Nu komen er vijf studenten uit plaatsen als Nijmegen, Dordrecht en zelfs Winschoten.'
De studenten volgen vier modules van vijf dagdelen (van negen uur 's ochtends tot twee uur 's middags) verspreid over anderhalf jaar. De modules zijn: 1. Communitybuilden en netwerken, 2. Markt- en omgevingsonderzoek, 3. Ondernemendheid en projectmatig werken, en 4. Co-creëren van kennis. Iedere module eindigt met een afgerond eindproduct die nauw op elkaar aansluiten. Anders gezegd: de opleiding begint met het daadwerkelijk opbouwen van een community in het eigen werkgebied en eindigt met het uitvoeren van projecten voor deze community. 'Onderweg krijgen ze de handvatten aangereikt waarmee ze een complexe community kunnen onderhouden,' aldus Hezemans.

Huysmans toonde zich blij met de nieuwe opleiding. Reden: de bibliotheekopleiding is verdwenen in een almaar breder wordende informatie-opleiding. Dat gebeurt op het hbo maar ook op universitair niveau. Zo gaan bij zijn werkgever de Universiteit van Amsterdam bestaande studies informatie- en archiefweten-schappen op in het brede information studies. In het licht van afnemende studentenaantallen noemt hij dat een onvermijdelijke 'ontspecialisering'. De post-hbo-opleiding van Cubiss is in dat licht de enige opleiding die specifiek opleidt voor de (openbare) bibliotheek. 'En nog wel een geaccrediteerde opleiding. Dat geeft een kwaliteitsstempel, waarmee afgestudeerden voor de dag kunnen komen.'
Huysmans was – een jaar of tien geleden inmiddels – nota bene aanwezig bij de conceptie van het idee van de community librarian, vertelde hij. Hij woonde een bibliotheekcongres in Zweden bij waar Lankes en een andere Amerikaanse professor opeens genoeg hadden van het getheoretiseer over het bibliotheekwerk. Schoten de bibliothecarissen op de werkvloer daar iets mee op? De digitaliseringsgolf won inmiddels al enige tijd almaar aan kracht. Dat betekende dat de wereld bibliotheken nodig heeft om met een totaal veranderende maatschappij om te gaan. En dus moesten bibliotheekwetenschappers zich toeleggen op het opleiden van de bibliothecaris van morgen.
Lankes schreef daar een aantal boeken over: The Atlas of New Librarianship (2011) en Expect More: Demanding Better Libraries for Today's Complex World (2012). De eerste heeft een hoog theoretisch gehalte en is daarom door lang niet zoveel mensen gelezen als je door de invloed ervan zou denken. Dat merkte ook teamleider bibliotheekinnovatie Astrid Kraal van Cubiss die in de voorbereidingsfase van de opleiding aan iedereen in Nederland vroeg wie het heeft gelezen, zo zei ze eerder deze middag. In het tweede boek schrijft Lankes dan ook een meer pamflettistisch betoog gericht op subsidiegevers en gebruikers wat zij van een bibliotheek van de 21e eeuw mogen verwachten.
Volgens Huysmans put Lankes veel uit de communicatiewetenschap. 'Hoe gaan mensen om informatie. In een gesprek tussen dokter en patiënt, dus tussen specialist en leek, gaat het vaak fundamenteel fout. Beter is als de dokter denkt vanuit het perspectief van de leek, zodat hij diens vragen – waarvan hij vaak niet eens weet dat hij die heeft – echt kan beantwoorden. Dat is ook de taak van de community librarian: leer het perspectief van de klant kennen. Zodat je niet zegt: daar staan de boeken over het onderwerp waar u naar informeert. Nee, zodat je in gesprek gaat om zijn echte vraag te leren kennen en hem echt te helpen. Het is kenniscreatie door conversatie. Het gesprek staat centraal, zorg dat dat op gang komt.'

Na afloop van Huysmans' lezing was het moment daar om het glas te heffen op de opleiding. Maar niet voordat studenten en hun leidinggevenden op papier vastlegden wat zij verwachten te kunnen aan het einde van de opleiding. Deze beloften gingen in een dichtgeplakte envelop en zullen pas bij de diploma-uitreiking worden opengemaakt. Op deze manier zal tegen die tijd in één klap duidelijk worden of de opleiding de hoop en verwachtingen van student én leidinggevende heeft waargemaakt. Twee van de studenten die de pen ter hand namen waren Suzan van Langen (Bibliotheek de Lage Beemden) en Jeroen Bouland (Biblionet Groningen).
'Wij zien de veranderende rol van de bibliotheek', verklaart Van Langen waarom zij zich heeft aangemeld. De manager vestigingen en programmering is – 'omdat we een vrij kleine organisatie zijn' – ook verantwoordelijk voor het netwerken en samenwerken. 'Naast uitlenen steken we in op ontwikkeling en ontmoeting. De opleiding past in die transitie. Voor mij persoonlijk kan het helpen de vaardigheden te ontwikkelen die daarbij nodig zijn: het midden in de maatschappij zijn, het pakken van je rol die daarbij hoort, het zorgen dat veel contacten jóú weten te vinden omdat je continu uitstraalt dat wij er niet meer alleen voor het uitlenen zijn.'
Uit de zes kerncompetenties die een community librarian volgens de folder van Cubiss moet hebben – bronnenkennis, omgevingsbewuste en ondernemende houding, vermogen tot co-creëren, lerend vermogen, communicatief en netwerkvaardig, en plannen en organiseren – leidt ze af dat de opleiding aan de verwachtingen zal voldoen. 'Prettig is dat de opleiding het hele traject volgt: van het aangaan tot contacten tot het daadwerkelijk maken en uitvoeren van een projectplan. Je krijgt praktische opdrachten, waarmee je meteen aan de slag kunt. En dat voortdurend met interessante gastsprekers. Ik vind het fantastisch dat ik een sessie met Lankes mag meemaken.'
Marly Driessens, directeur van de Lage Beemden, stemde snel in toen Van Langen voorstelde de opleiding te volgen. 'Het is een goed initiatief om jonge mensen in de sector bij elkaar te brengen', zegt ze. 'Suzan brengt al veel energie en gedrevenheid in de organisatie in, maar hier ontmoet ze allerlei mensen om mee te sparren en samen te werken. Ook sluit de opleiding aan bij de ontwikkeling van de bibliotheek, waarin we óók dit soort mensen nodig hebben. Uiteindelijk zal Suzan met een aantal inhoudelijke projecten aan de slag kunnen. Welke, weten we nog niet. We hebben nog geen thema gekozen. Taalhuizen, preventie laaggeletterdheid, het opbouwen van een kennisomgeving. Zoiets zal het worden.'

Jeroen Bouland komt iedere keer zelfs uit Winschoten afzakken om de opleiding te volgen. Biblionet Groningen investeert in een hotel zodat de medewerker leesbevordering en informatievaardigheden van de bibliotheek Oldambt uitgerust de bijeenkomsten kan bijwonen. 'Wij zijn in transitie van een klassieke bibliotheek naar een bibliotheek met andere programmalijnen en een stevige positie in de maatschappij. De communityvorming is daarvan een belangrijk onderdeel', zegt Boulands directe leidinggevende, teamleider Alian Spelde. 'Ook geloven wij in de persoonlijke ontwikkeling van medewerkers. Deze opleiding was daarbij een mooie kans.'
De 30-jarige Bouland vindt het een 'grote eer' dat hij hiervoor is gevraagd. Hij was nog maar in dienst sinds januari van dit jaar, toen – zo legt hij uit – Biblionet Groningen zeven jonge mensen in één keer aannam om een spreekwoordelijke frisse wind te laten waaien. 'Ik ben mede gevraagd omdat wij in Winschoten zijn gevestigd in het pas vernieuwde cultuurhuis De Klinker. Daar zit de bibliotheek onder één dak met een theater, de lokale omroep, een filmzaal en een school voor muziek, dans en theater. Wij willen met hen verbindingen maken. Een community opbouwen. Het zijn nu veelal kleine organisaties die wel wat proberen maar niet genoeg slagkracht hebben. Ik zie veel mogelijkheden om in dit mooie gebied iets op te bouwen. Deze opleiding met de combinatie van theorie en praktijk geeft me die kans.'
Volgens de jonge bibliothecaris heeft hij de geschikte eigenschappen om deze droom uit te voeren. 'Ik moet het hebben van mijn creativiteit en heb niet veel moeite om contacten te leggen', zegt hij. Daarnaast verwacht hij op de opleiding dingen te leren waar hij minder goed in is: 'Ideeën op papier zetten bijvoorbeeld. Ik wil uitvoeren, maar soms is het handiger om eerst te toetsen of het idee wel goed genoeg is en om een strategie te bepalen.' Tot slot vindt hij de contacten met zijn medecursisten waardevol. 'Het zijn allemaal jongelui in het biebwerk. Het zijn gelijkgestemden die, ieder met zijn eigen achtergrond, iets dergelijks willen als ik.'
Bouland op zijn beurt moet de geleerde vaardigheden verder verspreiden binnen Biblionet Groningen, verwacht Spelde. 'Het moet als een olievlek verspreiden binnen de provincie. En dan bedoel ik niet eens alleen wat hij leert over communityvorming. De opleiding is heel breed. Wij nemen daarom aan dat hij veel meer waardevols tegenkomt wat hij kan delen met het netwerk. Jeroen wordt de trekker van een soort interne opleiding. Al denken we er ook over om binnenkort, als een nieuwe groep aan de opleiding Community Librarian begint, nog iemand te sturen. Het is de investering zeker waard – ook omdat de young potentials die we binnenhalen anders weer snel zijn uitgekeken op de bibliotheek.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)