donderdag 26 april 2018

Wat een leuk boek is 'Dagelijks werk' van Renate Dorrestein toch

Wat een leuk boek is Dagelijks werk van Renate Dorrestein toch. Bij wijze van afscheidscadeau heeft de ernstig zieke schrijfster een verzameling aangelegd van die teksten die een schrijver doorgaans het meest veronachtzaamt. Er worden, naast het hoofdwerk, wel eens columns, brieven en interviews in boekvorm bij elkaar gebracht. Soms een als collectie essays vermomde bundeling lezingen en opinieartikelen. Maar een bloemlezing van mailtjes, gelegenheidspraatjes, een promotekst (voor een reis door Schotland in dit geval), recepten, blurbs en meer? Die teksten verdwijnen doorgaans in het archief, waar op z'n best alleen een biograaf er ooit nog een blik op werpt.
Dat Dorrestein dat wel heeft gedaan om zo een zelfportret te schetsen van alles wat haar in haar carrière bezig heeft gehouden, maakt Dagelijks werk uniek. En dan heeft Dorrestein – niet meer in staat om een volwaardige roman te schrijven – zich er ook allesbehalve gemakzuchtig vanaf gemaakt. Ze heeft elke tekst voorzien van een uitgebreide in- en soms ook uitleiding om hem in perspectief te plaatsen. Ze schroomt daarbij niet zichzelf af te vallen: 'Wat kon ik zagen, zeg. De gemiddelde man dig, de gemiddelde man dat', noteert ze over een inderdaad wat gedateerde ogende lezing over de toekomst van de seksualiteit uit 1988.
Zelf vind ik de teksten over het beroep van schrijverschap het interessantst. Kwestie van beroepsdeformatie. Zo keek ik er nogal van op dat Dorrestein zoveel problemen heeft gehad om geld bij haar toenmalige uitgeverij Contact. Ik herinner me nog dat ze een jaar of vijftien geleden een enorm succes in het buitenland kreeg. Een Amerikaanse uitgeverij had zelfs een ton (in guldens) betaald voor de rechten van een roman, zo ongekend voor een Nederlandse auteur dat het even leek dat onze eigen Renate Dorrestein de status zou krijgen die bijvoorbeeld Elena Ferrante nu wereldwijd heeft. En dan blijkt de uitgeverij verdorie de Amerikaanse cheque in een bureaulade te hebben laten liggen tot hij was verjaard omdat ze niet wisten wat ze ermee aan moesten! Hoe is het mogelijk.
Het slot is onverwacht ontroerend. De laatste bijdrage blijkt een lezing te zijn waarin ze een pleidooi houdt tegen eeuwig leven. En dan eindigt het aldus: 'Ook ik hoop natuurlijk gezónd oud te worden. Maar ik hoop vooral dat niemand me de levensfase door de neus boort waarop ik me nu al zo lang verheug: een oud vrouwtje te zijn, en ongestraft excentrieke kleren en rare mutsjes te kunnen dragen, nooit meer naar de sportschool te hoeven, alles te mogen eten wat ik maar wil, te drinken en te roken omdat dat toch niet meer uitmaakt, aan iedereen lak te hebben en de meest boude dingen te kunnen zeggen zonder dat iemand het nog waagt om me tegen te spreken.'

Het is spijtig dat het nooit zo ver zal komen.

woensdag 25 april 2018

Van Oorschot viert 65 jaar Russische Bibliotheek (Boekblad)

Een bloemlezing, kortingen, bijzondere schriften en natuurlijk: nieuwe vertalingen. Van Oorschot viert vanaf juni het 65-jarige jubileum van een van de meest prestigieuze reeksen in de boekhandel: de Russische Bibliotheek.

Centraal staat een bloemlezing die Michel Krielaars, chef van de NRC Handelsblad-boekenbijlage en oud-correspondent in Moskou, samenstelt uit de gehele reeks. De bundeling van 416 pagina's, Een onbekende vriend getiteld, bevat passages uit bekende romans en losse verhalen, die vanaf juni te koop is voor 19,99 euro. 'Het is bedoeld om mensen kennis te laten maken met de reeks', zegt uitgever Mark Pieters van Van Oorschot. 'De eerste reacties zijn heel positief. Libris bijvoorbeeld wil dit zeer graag hebben.' 
Daarnaast voert Van Oorschot vanaf juli een half jaar lang actie met de bekendste delen uit de serie. Iedere maand zijn twee delen tijdelijk fors in prijs verlaagd van 45 euro naar 29,99 euro. De eerste maand zijn dat bijvoorbeeld Verhalen en novellen van Gogol en Arme mensen en andere romans en novellen van Dostojevski. Ook de geïllustreerde heruitgave van Karel van het Reve's Geschiedenis van de Russische literatuur uit 2014 wordt in prijs verlaagd: van 29,50 naar 17,50 euro. Voor de liefhebbers zijn schriften in een set van vijf te koop met de gezichtsbepalende omslagen van Helmut Salden.
De zomeraanbieding bevat bovendien drie nieuwe vertalingen: Een kleine held en andere romans van Dostojevski (juni), Brieven van Boris Pasternak (augustus) en Verzameld werk. Zijn beste gedichten, verhalen en sprookjes van Poesjkin (juli). Dat laatste boek is een bloemlezing uit het verzameld werk dat Hans Boland heeft vertaald voor uitgeverij De Papieren Tijger. 'Onze vertaling was erg verouderd', zegt Pieters. 'Het heeft geen zin om dat integraal opnieuw te brengen, als een andere uitgeverij dat kort geleden heeft gedaan. Maar zo krijgen we hem toch weer in de reeks.'
Met de actie geeft Van Oorschot de Russische Bibliotheek een nieuwe impuls. Dat is geen overbodige luxe, omdat de verkoop van de Russen – een beeldbepalend fondsonderdeel van de uitgeverij – langzaam afneemt, erkent Pieters. 'Nieuwe vertalingen lopen goed. Het is mooi dat er nu in korte tijd een paar nieuwe verschijnen – Misdaad en straf van Dostojevski komt er nog aan. Platonov en Charms ook, die nieuw in de Russische Bibliotheek verschijnen. Maar op een paar klassiekers na loopt het in de breedte terug. Er zijn niet meer zo veel verzamelaars die automatisch een nieuw deel aanschaffen.'
Op dit moment zijn 'bijna veertig' delen uit de reeks leverbaar. Van Oorschot besluit minder snel tot herdruk van een titel dan voorheen – ook in de Russische Bibliotheek. 'De productie van zo'n boek is zo ongelooflijk duur. En als je op basis van de vraag maar een kleine oplage maakt, leg je daar al gauw vijf euro per exemplaar op toe. Waarom zou je dat doen? Alleen om het principe dat de reeks zo compleet mogelijk beschikbaar is?'
Dat neemt niet weg dat de Russische Bibliotheek – mede door marketingacties als de jubileumviering – onverminderd levensvatbaar is. 'Er zijn nog aardig wat boekhandels die de serie op een apart plankje wil neerzetten – vaak in de buurt van de kassa, omdat ze duur zijn en tot de meest gestolen boeken behoren. Wij worden regelmatig gebeld door een boekverkoper die een regeling wil treffen als hij ze allemaal op voorraad neemt.'
Er zullen ook nieuwe impulsen blijven komen. Ten eerste nieuwe vertalingen – al neemt dat vanaf 2020 af tot hooguit een of twee per jaar. Ten tweede blijft de uitgeverij zoeken naar slimme (her)exploitaties. Pieters: 'Wij hebben nu twee bloemlezingen gebracht: Je wordt bedankt. Pensioenverhalen en Onder de paardendeken. Russische winterverhalen. Die hebben het allebei heel goed gedaan. Ook de bloemlezing van Poesjkin is een manier om zo'n auteur op een rendabele manier binnen de Russische Bibliotheek uit te geven.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 20 apr)

Zie ook:

dinsdag 24 april 2018

Podium brengt bloemlezing van Gouden Ganzenveer-winnares Krog (Boekblad)

De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog nam gisteren de Gouden Ganzenveer in ontvangst. Podium publiceerde ter gelegenheid daarvan een bloemlezing uit haar drie non-fictieboeken: Hoe alles hier verandert.

'Haar poëzie is goed leverbaar', licht uitgever Joost Nijsen toe. 'Maar haar non-fictie is niet langer in druk. In januari spraken we in Kaapstad over de opties en kwamen we uit op een bundeling van autobiografische stukken. Binnen tien dagen had ze ons een overzicht gestuurd, met alle paginanummers, van de fragmenten die erin moesten plus een nieuwe introductie. Toen zijn we gelijk aan de slag gegaan om het boek tijdig te kunnen leveren – voorzien van sticker met "Gouden Ganzenveer".'
Hiermee is Podium de eerste uitgever die speciaal een boek uitbrengt ter gelegenheid van het uitreiken van de Gouden Ganzenveer. De prijs was in 1955 ooit opgericht door de Koninklijke Nederlands Uitgeversbond, maar wordt sinds 2002 uitgereikt onder auspiciën van een apart stichting. Toch geldt het informeel nog altijd als de oeuvreprijs van de Nederlandse uitgevers. Dat de Gouden Ganzenveer onder de huidige formule ieder jaar aan prestige wint, wordt onderstreept door de publicatie van Hoe alles hier verandert.
Nijsen: 'Wij hebben 2.500 exemplaren gedrukt. Na een spoedmailing vorige week hebben we er daarvan al 800 aan de boekhandel verkocht. Dat is mooi. Of de prijs ook een commerciële impact heeft, zal moeten blijken. Maar er is veel aandacht voor. Wij hebben een heel programma voor haar kunnen maken met interviews met onder andere NRC Handelsblad en De Correspondent, en een optreden in Spui25. Hopelijk zien nu veel lezers ook dat zij een geweldige non-fictieauteur is.'
Krog verkoopt als dichteres goed. 'Zij is ex aequo met Ingmar Heytze mijn bestlopende levende dichter. Wij verkopen altijd wel een paar duizend exemplaren van haar bundel.' Haar non-fictie deed het ook niet slecht, maar dat werd in het verleden door anderen gedaan, dus een precies beeld daarvan heeft Nijsen niet. 'Zij debuteerde als dichteres bij Atlas. Haar boek over de Waarheids- en Verzoeningscommissie zat bij Jan Mets. Later deden wij de poëzie en kwam al haar non-fictie bij Atlas terecht.'
De uitreiking gisteren in het Amsterdamse hotel The Grand was een 'geweldige' belevenis, vond Krogs uitgever. Zoals iedere laureaat van de Gouden Ganzenveer mocht zij een programma samenstellen. Dat resulteerde in enkele bijzondere optredens van haarzelf: een duet met Tom Lanoye uit diens toneelstuk Mamma Medea en – het hoogtepunt van de middag – een gezamenlijk optreden met de Duitse voordrachtskunstenaar Christian Kesten van haar eigen werk in het Nederlands, Duits en /Xam.
Van een controverse was niets te merken. En dat terwijl de Afrikaanstalige Krog een prijs kreeg die iemand bekroont voor diens 'grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal'. Nijsen: 'In eerste instantie was me dat niet opgevallen. Ik vind haar zo goed in het rijtje laureaten passen. Pa daarna realiseerde ik me: zij schrijft niet in het Nederlands. Ik praat ook meestal Engels met haar. En toch blijf ik het een mooie en originele keuze vinden, waarmee Nederland zich stiekem de grootste dichteres van Afrika toe-eigent.'
Zelf zei Krog in haar dankwoord dat het Nederlands, Vlaams en Afrikaans 'als tektonische platen over elkaar heen schuiven'. Onder druk van het Engels zoeken ze 'dringend toenadering tot elkaar'. Dat gebeurt door elkaar te prijzen, zoals met deze bekroning. Alle drie de talen hebben daar baat bij. Dat wil zeggen: zolang de toenadering 'niet uitdraait op conservatieve behoudzucht, maar op progressieve bevrijding'. Daarom 'zal dít ons afzonderlijk voortbestaan bepalen: de bereidheid ons aan te passen aan het vreemde'.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 20 apr)

Meer Afrikaans op dit blog:

zondag 22 april 2018

De Groningse Kinderboekhandel vult kast met lokale auteurs (Boekblad)

Een kast uitsluitend gevuld met auteurs uit eigen stad en ommelanden. Dat heeft De Groningse Kinderboekhandel. De 'Kinderboekenkast van het Noorden' bevat het volledige oeuvre van elf Groningse auteurs.

Het idee voor de kast is van Tjibbe Veldkamp. De kinderboekenschrijver verzamelde een jaar of twee geleden een groepje college-auteurs om eens per twee maanden in literair café De Graanrepubliek in Groningen het vak door te nemen. Dat zijn Christien Boomsma, Marike Goslinga, Fabien van der Ham, Gonneke Huizing, Harm de Jonge, Marike Jongman, Corien Oranje, Annejoke Smids, David Vlietstra en – de eigenlijk net over de provinciegrens in Drenthe woonachtige – Mies van Hout.
Daniel Albering, eigenaar van De Groningse Kinderboekhandel, ging direct op het voorstel in. 'Misschien komt het wel door mijn zus. Zij heeft in Groningen een tuincentrumpje en een kwekerij en is van de trend: eet lokaal. Waarom dan niet ook: lees lokaal? Het leek mij ook goed om al die eilandjes bij elkaar te brengen: de schrijvers die, ik zeg het even stereotype, eenzaam op zolder werken, de uitgevers ertussen en dan wij die hun boeken het verkopen. Daar kan best een inniger band bestaan.'
Maar hij ziet ook voordelen van een aparte Kinderboekenkast van het Noorden. 'Kinderen weten tegenwoordig veel meer van kinderboekenschrijvers. Ze volgen hen op Facebook en Instagram, sturen hen berichtjes. Wat is er dan leuker om te weten dat ze ook nog in de buurt wonen en dat je ze bij mij kunt ontmoeten? Tjibbe Veldkamp is hier zeker eens in de twee weken. Ook wil ik dat de scholen dit zien en dan denken: wij nodigen een schrijver uit de buurt uit.'
Albering heeft een Billy van 60 centimeter breed geheel gevuld met het oeuvre van deze auteurs. 'Als we het doen, doen we het ook goed: dus staan al hun boeken daar, al hebben een aantal inmiddels een flink oeuvre. Die houden we tenminste een paar jaar up to date. Ook om ervoor te zorgen dat het een beetje in het systeem komt. Veel mensen vragen simpelweg een goed boek voor een bepaalde leeftijd. Wij kunnen dan gewend raken om ook een lokaal boek aan te raden. En natuurlijk is er ook ruimte voor andere auteurs dan deze elf. Op de onderste plank staat al werk van deze groep.'
De Groningse Kinderboekhandel en de auteurs hebben geen formeel contract gesloten. Albering verwacht dan ook geen tegenprestaties. 'Dat gaat allemaal toch vanzelf. Zij zijn zo lief, er is al zo veel contact. Zo heeft Mies van Hout meteen een fries geschilderd om de kast te versieren. Anderen hebben collega's van de radio getipt, zodat ik daar word uitgenodigd. We hebben gewoon elf losse netwerken met elkaar verbonden om samen een uitwaaierend netwerk te vormen. Daar kunnen alleen maar positieve dingen uit voortkomen.'
Zaterdag werd de Kinderboekenkast van het Noorden feestelijk in gebruik genomen. Het was druk in de winkel: zo'n 100 aanwezigen, waaronder tien van de elf schrijvers. 'Maar dat waren eerlijk gezegd vooral familie en vrienden. Radio Noord en Dagblad van het Noordenhadden er aandacht aan besteed, maar dat is geen garantie meer dat je direct een groot publiek trekt. Daarna is dat wel gekomen. Nu komen er elke dag mensen naar kijken, die nieuwsgierig gemaakt zijn.'
Een logische vraag is: krijgt De Kleine Kapitein in Rotterdam – Alberings andere winkel – nu een Kinderboekenkast van Rotterdam. 'Dat ligt voor de hand, maar toen ik ging tellen, kwam ik toch tot minder schrijvers. Hangt er een bepaalde lucht in Groningen waardoor veel auteurs kinderboeken maken? Of verkassen auteurs naar het Noorden om rustig te kunnen werken? Ik weet het niet. Maar er is in Rotterdam ook geen vergelijkbaar genootschap en zoiets moet toch organische groeien. Misschien zul je het eerder in een andere winkel zien. Ik kreeg van een aantal collega's te horen dat ze het een leuk idee vonden.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 17 apr)

vrijdag 20 april 2018

Lannoo viert 20-jarig bestaan van Vos en Haas (Boekblad)

Twintig jaar na verschijnen van 'Vos en Haas' heeft Lannoo 650.000 exemplaren van de verschillende titels uit de reeks verkocht. En de sleet zit er niet op bij auteur Sylvia vanden Heede en tekenaar Thé Tjong-Khing, verzekert uitgever Sofie Van Sande.

De uitgeverij viert het jubileum met een nieuw boek dat toepasselijk Feestboek is getiteld – een verwijzing naar het moderne 'feesboek' én het feest dat alle personages uit de wereld van Vos en Haas, terugblikkend op hun avonturen, samen vieren. 'Het is een boek dat voor de kenners vol knipogen zit, maar ook geschikt is voor nieuwe lezers', zegt de uitgeefster. 'Door de aandacht voor het jubileum heeft de serie een boostgekregen, zodat dit boek, dat eind maart verscheen, meteen goed is gestart.'
Daarnaast heeft Lannoo voor de boekhandel een feestpakket samengesteld met onder meer 30 kleurplaten en 40 verjaardagskaarten. Vanaf juni is de allereerste Vos en Haas met korting te koop: voor 12,50 in plaats van 14,99 euro. En dan verschijnen er in het najaar weer twee nieuwe titels: een doeboek en het leesboek Het maatje van Haas. Van Sande: 'Dat gaat over de dubbele betekenis van het woord maatje. Vos hoort Haas zeggen dat ze een kleiner maatje nodig heeft. Ze paste kleding, maar hij denkt dat ze hém, haar maatje, te dik vindt.'
Dat de serie zo'n succes zou worden, lag niet voor de hand. Vanden Heede schiep het duo als tussendoortje. Ze zat vast in de tienerroman waar ze aan werkte. Haar uitgever spoorde haar toen aan om iets voor eerste lezers te schrijven. Daar had ze toch ook een idee voor? Vanden Heede vond de AVI-boekjes die haar drie dochters lazen namelijk te saai. En te dun. Kinderen lezen volgens haar liever dikke boeken. Daarom schiep zij een 'groeiboek', waarin het leesniveau gedurende het verhaal stijgt. Maar dat zou volgens sommige boekverkopers absoluut niet lopen, herinnert de auteur zich in Het Nieuwsblad.
Ten onrechte dus. 'Het was destijds een van de heel weinig léúke boeken voor eerste lezers', vertelt Van Sande. 'Weinigen verstaan de kunst om met maar een paar woorden literatuur te schrijven. En Sylvia maakte geen technisch dreunboekje, maar een spannend en grappig verhaal waar het leesplezier vanaf droop. Het succes is ook de wisselwerking tussen haar taalhumor en de tekeningen van Thé Tjong-Khing, die de karakters echt een gezicht heeft gegeven. Zo'n dik groeiboek, helemaal in kleur, was bovendien echt iets nieuws. Een huzarenstukje.'
Vos en Haaswerd meteen opgepikt – in Vlaanderen én Nederland, waar de verkopen ook nu nog ongeveer even groot zijn (naar verhouding van inwonertal). Daarop volgden tal van spin-offs: nieuwe delen, voorleesboeken, dunnere leesboeken gebonden aan één AVI-niveau. Op dit moment zijn er 25 verschillende Vos en Haas-titels op de markt. Van Sande: 'Het eerste boek is echt een blijver. Een klassieker die nog heel lang mee kan. Daarvan hebben we ieder jaar een zekere afname. Van de andere titels is dat wisselend. Sommige zijn ook niet meer los verkrijgbaar, maar enkel in een bind-up.'
Ook in het buitenland zijn Vos en Haas populair – al heeft Van Sande geen overzicht van de verkoopaantallen buiten het taalgebied. Dat wil zeggen: in sommige landen, zoals China en Polen. Van Sande: 'Er hangt veel af van de kwaliteit van de vertaling. Er zit zo veel taalhumor in, dan moet een vertaler flink beslagen ten ijs komen om dat te kunnen omzetten in een boek met een gestaag oplopende moeilijkheid. In Frankrijk heeft de serie het bijvoorbeeld moeilijk. Daar heet hij ook nog eens Bernard et Lola.'
Vanden Heede heeft inmiddels een haat-liefde verhouding met haar populairste karakters, erkent Van Sande. Op vraag hoe lang ze nog door kan gaan met Vos en Haas antwoordde de schrijfster in Het Nieuwsblad dat ze zich al tien jaar afvraagt. 'Maar aan de teksten zie je nog steeds haar plezier, de liefde en het vakmanschap', zegt Van Sande. 'En Thé heeft nog steeds veel zin.' Wel zei de schrijfster er de brui aan te geven als ook de tekenaar, die inmiddels 85 jaar oud is, ermee stopt. Tenzij misschien er dankzij animatietechniek illustraties in zijn stijl kunnen worden gemaakt.
In ieder geval komt er alvast een animatiereeks aan. Submarine maakt twee reeksen van 26 afleveringen. Dit najaar zijn de eerste vier afleveringen bij wijze van teaserte zien bij KRO in Nederland en Ketnet in Vlaanderen. Vanaf volgend voorjaar komt de hele serie, waarvan de rechten al aan negen landen zijn verkocht, op televisie. En dat is niet eens de enige manier waarop Vos en Haas voortleven buiten het boek. Dit najaar openen exposities in het Kinderboekenmuseum in Den Haag en De Wereld van Kina: De Tuin in Gent. Ook gaat een poppenvoorstelling op tournee.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 17 apr)

dinsdag 17 april 2018

Ploegsma zoekt met schrijfwedstrijd auteur voor detectiveserie (Boekblad)

Ploegsma zoekt met een schrijfwedstrijd een auteur voor een spannende detectiveserie voor kinderen van 9 tot 12 jaar. Eerdere ervaringen hiermee waren erg positief, aldus uitgever Martine Schaap.

De uitgeverij ziet in deze niche een gat in de markt. Ploegsma geeft zelf de detectiveserie Spekkie en Sproet van Vivian den Hollander uit voor kinderen vanaf een jaar of zes. Ook zijn er jeugdthrillers van auteurs als Mel Wallis de Vries beschikbaar voor kinderen van ten minste elf jaar. 'Voor de tussengroep is op dit gebied minder beschikbaar zegt Schaap. 'We krijgen regelmatig reeksen uit het buitenland aangeboden, maar die titels zijn voor Nederlandse kinderen weer niet zo herkenbaar.'
Het beste leek daarom zelf een auteur te zoeken, meende de uitgeefster. 'Auteurs uit onze stal zijn druk bezig met eigen series en onderwerpen. We zagen niet een, twee, drie één van hen dit doen. Vivian den Hollander geeft ook al haar detectivetalenten aan Sprekkie en Sproet. Daarom dachten we: laten we weer een wedstrijd uitschrijven. Dat hebben we twee keer eerder gedaan: in ik dacht 2009 en 2011. Met name de eerste keer was dat erg succesvol. We wilden toen boeken over hockey brengen, omdat zo veel meisjes hockeyen. Daar is de serie I love Hockey van Barbara Scholten uit voortgekomen. Hockeyhobbels en kunstgrasknieën was destijds de eerste titel.' 
De nieuwe wedstrijd werd eind maart aangekondigd. Tot nu toe zijn er een stuk of tien inzendingen binnen. Maar Ploegsma verwacht dat de grote bulk nog komt. Auteurs moeten er immers behoorlijk wat voor doen: een opzet maken, een synopsis van het eerste deel opstellen en de eerste 5000 woorden daarvan schrijven. Schaap: 'Maar de aandacht ervoor is groot. Het bericht op Facebook alleen al is – even kijken – 23.856 keer bekeken, 161 keer geliked, 80 keer gedeeld en heeft 112 reacties opgeleverd. Dat komt dus wel goed. Inzenden kan nog tot 1 juli.'
Hoewel een schrijfwedstrijd een goed middel is, begrijpt Schaap ook dat niet iedere uitgeverij het ieder half jaar inzet. 'Je moet het werk niet onderschatten. Je bent aardig wat tijd kwijt met jureren en iedereen feedback geven. We gaan niet corresponderen met de inzenders, maar die krijgen wel een uitgebreidere reactie dan inzenders van ongevraagde manuscripten.' Ook kost het de uitgeverij prijzengeld. Naast het voorschot van 1250 euro voor de winnaar, is er ook een tweede prijs (500 euro) en een derde prijs (boekenpakket ter waarde van 250 euro).
Toch is Ploegsma zeker niet de enige uitgeverij die schrijfwedstrijden uitschrijft. Andere werken echter samen met online schrijfcommunity Sweek, die juist zo veel mogelijk wedstrijden lanceert om haar gebruikers aan te sporen daadwerkelijk te schrijven en te publiceren. Zo zoekt momenteel uitgeverij De Crime Compagnie via Sweek een nieuwe thrillerauteur. Moon, de kinderboekenuitgeverij van Overamstel, maakt later deze maand bekend wie haar YA Contest op Sweek heeft gewonnen.
Waarom heeft Ploegsma niet voor deze weg gekozen? 'Sweek is meer een schrijf/lees community voor onderlinge feedback. En we vonden het leuk het bericht via onze eigen nieuwsbrief en FB pagina’s de wereld in te sturen. Gezien de eerdere ervaringen zijn we niet bang dat we te weinig inzendingen, of inzendingen van geringe kwaliteit zullen ontvangen', antwoordt Schaap.
Het uitbreiden van het fonds met een detectiveserie voor kinderen tussen 9 en 12 jaar is overigens niet ingegeven doordat WPG, het moederbedrijf van Ploegsma, onlangs Querido Kind aan Singel Uitgeverijen heeft verkocht. Schaap: 'Wij varen geen nieuwe koers. Het enige effect van de verkoop is dat we meer tijd hebben om nieuwe initiatieven te ontplooien. Maar wij hebben altijd van een breed aanbod aan boeken gehouden. Daar past deze serie prima in.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 12 apr)

zie ook:

maandag 16 april 2018

Waarom bibliothecarissen moeten mikken op een cultureel zo divers mogelijk publiek (Bibliotheekblad)

Waarom moeten er diverse kinderboeken zijn? Wie moeten die maken? En hoe maak je die eigenlijk? Het jaarlijkse congres van Stichting Lezen probeerde woensdag in Leeuwarden antwoord te geven op deze vragen. Dankzij de bevlogenheid van de sprekers zullen veel de aanwezigen, waaronder vele bibliothecarissen, geïnspireerd huiswaarts zijn gekeerd.

Er zullen maar weinig aanwezigen bij Lezen Centraal, het jaarlijkse congres van Stichting Lezen, het met de centrale stelling van de dag oneens zijn geweest. Het aanbod kinderboeken moet diverser worden. Opdat kinderen die thuis niet opgroeien met boerenkool, Hollandse meesters en schaatsen ook zichzelf tegen komen in boeken. En opdat het wereldbeeld van anderen wordt verbreed die wél zo'n achtergrond hebben. Bibliotheken moeten daarin voorzien, dan wel de ouders stimuleren om hun kinderen zulke boeken voor te lezen.
De eensgezindheid werd geïllustreerd door een metafoor dat bijna iedere spreker in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden citeerde om de stelling te onderbouwen. Dat ging over spiegels en vensters. Kinderen hebben spiegels nodig: hoofdpersonen die op hen lijken om zo een zelfbewustzijn op te bouwen. En ze hebben vensters nodig: om te leren dat hun perspectief niet het enige in de wereld is. Kinderen met niet-Westerse roots hebben echter te weinig spiegels, terwijl kinderen met Hollandse wortels juist te weinig vensters krijgen aangeboden.
Toch gaf de unanimiteit niets. Lezen Centraal was ook tijdens de editie 2018 in de eerste plaats een inspiratiedag. De betogen en getuigenissen van de verschillende sprekers waren bedoeld om de bezoekers, die voor een niet gering deel werkzaam zijn in de bibliotheek, aan te sporen werk te maken – of nóg meer werk te maken – van het thema diversiteit. En de sprekers waren stuk voor stuk zo bevlogen dat ze een gevoelige snaar wisten te raken. Zelfs de dagvoorzitter, die toch hoofdzakelijk de taak heeft om sprekers aan en af te kondigen, slaagde daarin.
Dat was Abdelkader Benali. De schrijver vertelde dat hij op de lagere school twee dozen vol boeken cadeau kreeg van zijn meester Bart. Boeken die deze zelf als kind had gelezen en dus waren geschreven in de jaren vijftig en zestig. Boeken die nu de jonge Benali een venster boden op het land waar hij als vierjarige terecht was gekomen. 'De kinderen in die boeken voetbalden allemaal. En vanaf oktober vroren alle sloten dicht, waarop iedereen heldhaftige avonturen beleefde. Ik dacht daarom dat iedereen in Nederland een teen of vinger miste, die in hun jeugd was afgevroren.'

Daarna legde Marc Dullaert, de voormalige kinderombudsman die zich als voorzitter van stichting Kidsrights nog steeds inzet voor de rechten van kinderen, uit waarom diversiteit in kinderboeken zo belangrijk is. Volgens het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties, zei hij, hebben kinderen het recht om geïnformeerd te worden. Hoewel het niet letterlijk zo wordt gespecificeerd, houdt dat in dat ze een 'breed palet' aan verhalen voorgeschoteld moeten krijgen om zo een gefundeerde mening te kunnen vormen. Verhalen over anders denken versterkt bovendien het begrip en de tolerantie voor een ander.
Helaas is de praktijk van het kinderboek anders, constateerde hij bepaald niet als enige. Rolpatronen zijn stereotype, het gezin is traditioneel en aandacht voor de diversiteit en etniciteit is ver te zoeken. Gevolg: de kinderen die de signalen oppikken en internaliseren creëren in hun hoofd een veel eenzijdiger beeld van hoe het hoort te zijn in de maatschappij dan in werkelijkheid het geval is. 'Ook op scholen worden kinderen nog veel gepest om hun anders zijn. Er zijn wel pestprotocollen, maar dat zijn dode letters. Kinderen moeten juist door te lezen andere waarden aanleren. Maar dan moeten die boeken er wel zijn.'
Diversiteit gaat niet alleen om de inhoud van kinderboeken. Er moeten ook boeken zijn in de tálen die kinderen thuis spreken. Dat betoogde Marinella Orioni, auteur van enkele boeken over meertaligheid. Het is het beste voor hun taalontwikkeling als kinderen in hun eigen woning hun thuistaal spreken en ontwikkelen, ongeacht welke dat is, en op school Nederlands. Maar dan moet ook die thuistaal blijvend worden gestimuleerd. Niets zo fnuikend immers als een kind op een gegeven moment de kennis van een achtjarige heeft, maar de woordenschat van een vierjarige.
Juist hier kunnen bibliotheken een taak hebben, bleek indirect uit haar verhaal. Zijzelf voedde haar kinderen op in het Nederlands (haar eigen taal), Italiaans (de taal van haar man) en het Frans (de taal van haar gekozen vaderland). Maar types zoals zij, expats die zich soms voor onbepaalde, maar langdurige tijd in Nederland vestigen, vormen een minderheid. De meesten zijn migranten uit culturen waarin het niet gebruikelijk is om te lezen of te praten met kinderen. Bibliotheken moeten deze ouders stimuleren om in hun eigen taal voor te lezen. Of desnoods luisterboeken aan te bieden.

Een van de aanbieders van diverse kinderboeken in Nederland is het kort geleden opgerichte, maar hard aan de weg timmerende bedrijf Rose Stories. Twee mede-oprichters vertelden over hun werkwijze. Allereerst legde sociaal-psychologe Nina Blussé op een vergelijkbare wijze als Dullaert uit waarom en hoe je blik onbewust wordt vervormd door je eigen achtergrond. En dat ingeprente stereotypen onder meer kunnen worden tegengewerkt door je er bewust van te zijn dat je automatisch een voorkeur hebt voor soortgelijke mensen als jezelf – en dan niet de zoveelste witte vrouw in de bibliotheek aan te nemen, maar iemand met een geheel andere achtergrond.
Astrid Sy vertelde vervolgens wat een divers kinderboek is aan de hand van haar jeugdroman De brieven van Mia. Aandacht voor het thema sijpelt er vanzelf in omdat zij een half-Senegalese, half-Scandinavische achtergrond heeft. Diversiteit is domweg een thema in haar leven. Maar, stelde zij nadrukkelijk, je hoeft echt niet alleen te schrijven over wat je kent. De brieven van Mia gaat over de vriendschap tussen een jong Syrisch vluchtelinge en een bejaarde Joodse Nederlander – en nee, zij is niet Joods. Iedere schrijver kan zich inleven. Belangrijk is vooral dat je niet te clichématig maakt. Niet iedere moslim heeft zes broers en een moeder die altijd een hoofddoek maakt.
Ook in een lijn van de deelsessies na de lunch kwamen schrijvers aan het woord: Sjoerd Kuyper, die met De duik een Curaçaos kinderboek schreef, en Mylo Freeman, die de donkere prinses Arabella schiep. Daaruit bleek juist hoe moeilijk het is voor een blanke auteur om een divers kinderboek te schrijven. Kuyper hoorde in 1994, bij zijn eerste bezoek aan overzees Nederland, al de wens van eilandkinderen om een boek over hún wereld te maken in plaats van over de gebruikelijk kinderboekwereld vol treinen, boterhammen met pindakaas en andere puur Hollandse gewoonten. Maar hij durfde het pas nadat hij vriendschap had gesloten met de lokale auteur Roland Colastica en het eiland echt kende.
Daarom is het belangrijk dat er kinderboekenauteurs zijn met een niet-Westerse achtergrond. Zoals Freeman, dochter van een zwarte man en blanke moeder. Toen een kennis haar vertelde dat een Surinaams meisje niet de rol van een prinses wilde spelen in een jeugdvoorstelling omdat die blank en blond zijn, begon zij nog dezelfde week aan haar eerste Prinses Arabella. Lang had ze alleen dieren getekend, omdat ze zich ongemakkelijk voelde bij haar mensen. Maar nu had ze een missie. Eentje die ze met merkbaar plezier overbracht op de aanwezige bibliothecarissen.
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 13 apr)

zie ook:

woensdag 11 april 2018

'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden' (Athenaeum.nl)

Wie gedrukte porno wil kopen, heeft steeds meer moeite om een verkooppunt te vinden. En wie het toch in handen krijgt, zal teleurgesteld zijn. De toekomst van dit genre is aan semi-wetenschappelijke uitgaven als het boeiende Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden.

Zal porno slechts op internet overleven – als bewegend beeld? De bekende onderneemster Sandy Wenderhold is overtuigd van het tegendeel. 'Papier is en blijft lekker veilig: moeder de vrouw vindt er niks van terug op de apparaten', wordt zij geciteerd in Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden. 'Het is in potentie een grote markt, maar er is geen distributie. Bij alle tien tankstations waar ik langsrij op weg naar kantoor lag vroeger onze hele range. Nu liggen we nog maar bij één van de tien. Bij de AKO of Bruna kopen mannen niet, seksshops zijn er steeds minder, postorder is geen optie.'
Zou het werkelijk alleen een gebrek aan verkopers zijn die zich sterk maken voor porno: van erotische literatuur tot seksblaadjes? Het rijkgeïllustreerde overzichtsboek van de Nederlandse geschiedenis van pornografie op papier – vanaf de eerste vertalingen van Pietro Aretino's Sonetti lussuriosi ('Wellustige sonnetten') en Ragionamenti ('Discussies') tot de aangekondigde dood die zich nu voltrekt – laat zien dat de prikkelliteratuur van weleer niet meer prikkelt. Geen enkel citaat en afbeelding wekt lust op bij wie gewend is geraakt aan de filmpjes die dankzij plastische chirurgie en geavanceerde software steeds meer zijn geperfectioneerd. En bovendien in overvloed gratis te bekijken zijn.
Wat te denken van dit fragment uit Rendez-vous op 't Tulpplein van Jan Brandts, dat in 1948 door de politie werd geconfisqueerd wegens de zedenbedervende inhoud. Is dit opwindend?

Kom, mijn lieverd', fluisterde ze schor van aandoening. Zijn handen zochten en vonden, plotseling was hij zich niet meer meester, hij drong in haar. 'Mijn jongen, mijn Leo, mijn man,' haar adem ging sneller. Met verweer van al zijn geestelijke krachten wist hij een ontspanning te verhinderen, tot zij steeds begeriger en woelend tot een volkomen overgave kwam en haar zachte snikken aangaven, dat hij haar het moment van hoogste vreugde gekomen was. 'Liefste', stamelde hij, onmachtig door een intense ontroering die een mist voor zijn ogen bracht, dan zonk hij weg in een haast bewusteloze rhythmiek en plotseling was daar voor hem het koninklijke moment.

Eigenlijk is porno op papier alleen nog interessant in uitgaven als Onder de toonbank. Een semi-wetenschappelijke uitgave, uitgevoerd en vormgegeven als koffietafelboek, die inzicht verschaft in wat lang toch een verboden en wellicht daardoor ook door serieuze publicisten veronachtzaamd genre was. En dat doen het voorwoord van Peter J. Muller, in 1968 oprichter van het uiterst succesvolle tijdschrift Candy, en de negen artikelen van eminente boekhistorici als Marita Mathijsen en kenners als verzamelaar Bert Sliggers. Bij elkaar geven ze een schijnbaar compleet beeld van wat vierhonderd jaar porno voor het gedrukte woord heeft opgeleverd.
Rode draad is een reeks van vier artikelen die tezamen een historisch overzicht geven. Pornografie begint, zo betogen Han van der Vegt en Inger Leemans, door de combinatie van het ontstaan van privé-ruimte, waardoor seks iets persoonlijks wordt, en de groeiende verspreiding van het gedrukte boek. Seks verwordt van iets alledaags, waar je gerust over kunt schrijven (zoals het nu eigenlijk weer is), naar iets intiems, dat de zinnen kan kietelen. Daarmee wordt het tegelijk ook iets wat binnenskamers moet blijven. Kostte wat kost: al direct vanaf Aretino worden auteurs en uitgevers van porno door kerk en staat vervolgd.
Het is – ondanks het wat droge, opsommerige karakter van de meeste bijdragen – interessant om te lezen hoe in de loop der eeuwen het prikkelende gehalte van pornografische lectuur en de intensiteit van de strijd ertegen communicerende vaten zijn. Er kan veel in lankmoedige tijden: zie de vrijpostige gedichten van de zeventiende eeuwse Matthijs van de Merwede. De suggesties wordt uiterst subtiel in tijden van hard optreden door de autoriteiten: zie de wel erg heel zachte softporno uit de negentiende eeuw, zoals in dit gedicht van Jacob van Lennep dat hij toch niet durfde te publiceren:

O, die bron van zoetigheden
Heeft mij vrij wat pijn geteeld!
Wreede lipjes van Selinde!
O laat af, op mij te woên,
Opdat ik genezing vinden
In een minder felle zoen.

Daarnaast bevat het boek enkele thematische artikelen – onder andere over lesbische porno, de aantrekkingskracht van exotische vrouwen of pornografische strips. Het fascinerendst is de bijdrage van Ewoud Sanders over 'blanke slavinnen'. De term werd geïntroduceerd door een Britse journalist die in 1885 de illegale vrouwenhandel aan de kaak stelden. Dat leidde tot vertalingen, uitgaven over de Nederlandse situatie en zelfs een proefschrift. Maar al gauw tot uitgaven waarin lustig werd ingespeeld op de sensatiezucht en zinnenprikkelende behoeften. Dat culmineerde in het doelbewust pornografische Blanke slavinnen uit New-Orleans van Cornel dee Young (1950), hoewel de term toen al was verouderd.
Juist dit specialistische artikel doet vermoeden dat Onder de toonbank misschien een uitputtend inzicht in de geschiedenis van de gedrukte porno lijkt te verschaffen, maar dat er toch ruimte moet zijn voor een vervolg. Ik kijk ernaar uit.

Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden verscheen vorige maand tegelijk met de opening van een expositie in Museum Meermanno in Den Haag. 'Porno op papier. Taboe en tolerantie door de eeuwen heen' is daar nog tot en met 24 juni te zien.

woensdag 4 april 2018

Interview Herien Wensink over 'Kleihuid': Ik voelde me altijd al meer schrijver dan journalist (Bibliotheekblad)

De lezers dicht bij de soldaten en officieren in de loopgraven brengen. Dat probeerde Herien Wensink in haar Eerste Wereldoorlog-roman Kleihuid. Haar debuut is het resultaat van een levenslange fascinatie.

Lid van de openbare bibliotheek is Herien Wensink (40) al lang niet meer. Zo lang dat ze zich  niet eens kan herinneren sinds wanneer precies. Maar ze komt wel vaak in de OBA op het Oosterdokseiland. Sterker: de theaterredacteur van de Volkskrant heeft haar debuutroman grotendeels daar geschreven. 'Ze hebben een goede schrijfzaal, waar een heel prettige sfeer hangt om je diep te kunnen concentreren. En af en toe kon ik naar een kast lopen om bijvoorbeeld een citaat uit een bundel van Rilke op te zoeken.'Kleihuid, dat half januari verscheen, vertelt het verhaal van de soldaat Harvey Cole en de officier Rupert Atkins die elkaar tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog ontmoeten in een revalidatieoord. Ze zijn in alle opzichten elkaars tegenpool. Harvey is een boerenzoon, Rupert een kunstenaar uit een befaamd geslacht. Harvey is ernstig gewond aan zijn gezicht, Rupert lijdt aan shellshock. Harvey is bescheiden en zelfbewust, Rupert arrogant en diep onzeker. Maar gaandeweg leren ze elkaar waarderen.
Ook in een ander opzicht zou je kunnen zeggen dat deze roman zonder de bibliotheek nooit had kunnen zijn geschreven. Wensink kent de Eerste Wereldoorlog uitsluitend dankzij andere boeken. Romans van ooggetuigen als Im Westen Nichts Neues van Erich Maria Remarque en Le feu van Henri Barbusse. Dagboeken van verpleegsters Mary Borden en Ellen La Motte. Oorlogspoëzie van Wilfred Owen en Siegfried Sassoon. En talloze recentere romans: van Pat Barker tot Stefan Hertmans' Oorlog en terpentijn.
Ze noemt haar roman in het nawoord een ode aan deze boeken. Alleen: ze heeft de geschriften van wat waarschijnlijk de meest literaire oorlog uit de geschiedenis was, niet uit de bibliotheek geleend. De meeste titels bezit ze zelf. 'Ik vind het fijn om boeken te hebben. Omdat ze deel uitmaken van mijn identiteit. Omdat ik het een heerlijk idee vind dat ik er altijd even in kan bladeren.'

Kleihuid is het resultaat van een decennialange fascinatie, vertelt Wensink in een café om de hoek van haar woning in het centrum van Amsterdam. 'Voor mij was de Eerste Wereldoorlog, zoals voor de meeste Nederlanders, een heel oude oorlog waar ik wat zwart-witplaatjes bij zag, maar geen gevoel bij had. Tot ik tijdens mijn studie cultuurwetenschappen het college cultuurbeschouwing en de moderne tijd van Arnold Heumakers volgde en Lenteriten van Modris Eksteins moest lezen.'
In dat boek verklaart Eksteins de radicale vernieuwingen in de kunsten in de jaren 1910-1920 uit de verschrikkelijke verwoesting van de oorlog. 'Maar hij vertelt ook allerlei verhalen over Britse en Duitse soldaten die, op een enkele tientallen meters van elkaar, grapjes met elkaar uithaalden. Of schoolborden ophouden met de vraag of de vijand kwam eten. Geweldige verhalen, die me enorm ontroerde. Ik besefte dat zie jongens honderd jaar geleden niet anders waren dan wij nu.'
Daarna liet de oorlog Wensink nooit meer los. Ze studeerde af met een vergelijkende studie naar de oeuvres van drie meevechtende auteurs uit verschillende oorlogvoerende landen. Ze bezocht het oorlogsgebied: de 'tegenwoordig heel erg aangeharkte' loopgraven, de Menenpoort in Ieper waar nog iedere avond om acht uur de Last Post wordt geblazen ter nagedachtenis van 54.896 vermiste soldaten, de begraafplaatsen. Ze schreef er artikelen over toen ze begon als journalist. En ze las, tientallen boeken.
'Als ik één favoriet moet noemen', zegt ze, 'is dat Sturm van Ernst Junger, een van de drie schrijvers waarop ik ben afgestudeerd. Het dunne boekje is een persoonlijk verslag van de ontwikkeling die hij doormaakte in de loopgraven. In het begin was hij een estheet, die daar ook poëzie schreef en schilderijen maakte – inderdaad, zoals Rupert. Maar als zijn werk letterlijk op de brandstapel gaat, omdat er een bom op valt, vindt hij zichzelf opnieuw uit als soldaat. Heel aangrijpend.'

Het idee om zelf een roman over de Eerste Wereldoorlog te schrijven, is al bijna twintig jaar oud. Een redacteur van De Arbeiderspers – dat Kleihuid nu ook heeft gepubliceerd – plantte het zaadje in haar hoofd toen ze hem interviewde voor een artikel over Eerste Wereldoorlog-literatuur. In de loop der jaren volgden meerdere pogingen, steeds was het haar niet goed genoeg. 'Ik had te veel de neiging samenvattingen te schrijven en geen scènes', blikt ze daar op terug. 'Je moet ook leren schrijven.'
Dat deed ze in de journalistiek – vier jaar bij Elsevier, tien jaar bij NRC Handelsblad en sinds kort bij de Volkskrant. 'Ik voelde me altijd al meer schrijver dan journalist. Ik hou van smeuïge, lyrische taal. Als cultuurjournalist kan ik me gelukkig wel wat vrijheden permitteren. Die stukken gaan om meningen, vrije associaties, interpretaties. Maar ik was ook gebonden aan de feitelijkheid. En ik had altijd maar een beperkt aantal woorden. Het was geweldig om in de roman mijn eigen regels te kunnen hanteren.'
Haar baan bood weinig tijd om zich te concentreren op een bijna driehonderd pagina's tellend boek. 'Maar toen de krant almaar dunner werd, hield ik tijd over. Ik dacht ook: als het zo doorgaat, is er straks helemaal geen ruimte meer voor mijn stukken. Dan moet ik een alternatief carrièreplan hebben, ha ha.' Dat de oorlog deze jaren voortdurend wordt herdacht, was een extra stimulans. 'Mij maakte het niet veel uit, maar mijn uitgever vind het een leuke aanleiding voor mijn roman dat de oorlog dit jaar 100 jaar geleden eindigde.'

De bestaande bibliotheek vol Eerste Wereldoorlog-boeken roept ook de vraag op: wat voegt nog een roman daaraan toe? Zelf denkt de schrijfster: de nabijheid bij de soldaten en officieren aan het front. Toen de ooggetuigen hun romans en dagboeken publiceerden, was het ongebruikelijk om je psyche bloot te leggen. De teksten behouden altijd iets afstandelijks. Wensink heeft in haar uiterst beeldend en zintuigelijk geschreven debuut geprobeerd 'andermans sores voelbaar te maken', zegt ze.
Dat zit hem in de taal. 'Ik wilde bijvoorbeeld dat ze soms grofgebekt waren, zodat je iemand als Rupert kunt herkennen als een corpsstudent van nu. Soms is het bijna anachronistisch.' Maar dat zit hem ook in het verhaal. Rupert wordt behandeld met een voor die tijd nieuwe en nog omstreden methode: psychotherapie. Via de analyses van zijn arts krijgen we diep inzicht in de verhouding met zijn vader, zijn artistieke ambities of zijn seksuele ambivalentie. En indirect biedt dat ook inzicht in Harvey.
Allebei maken ze daarbij een tegengestelde ontwikkeling door. 'Rupert zit vast in een beeld van zichzelf dat niet strookt met wie hij werkelijk is. Dat beeld wordt aan het wankelen gebracht, maar hij is geestelijk niet genoeg in balans om daar goed mee om te gaan. Hij verzet zich ook voortdurend tegen zijn arts. Harvey is van eenvoudige afkomst, maar ontdekt onder invloed van Rupert zijn talent. Kan daarin groeien, en heeft ook de emotionele stabiliteit om met zijn verminking te leren leven.'
Kleihuid suggereert daarmee ook dat je beter fysiek dan psychisch kunt lijden. Maar de manier waarop Harvey en Rupert hun lot dragen, legt Wensink uit, komt omdat de eerste beter in staat is zich met zijn lot te verzoenen, ongeacht wat dat lot is. 'Misschien verklaart dat ook waarom Rupert meer aandacht krijgt in de roman. Hij is een complexer personage. Ik kon me daarom meer in hem uitleven. Ik lijk ook meer op hem, vrees ik, hoewel ik Harvey sympathieker vind.'

En nu staat ook Wensinks boek in de bibliotheek bij de Eerste Wereldoorlog-literatuur. En in de boekhandel. Hoewel de collectie van de eerste groter is dan het aanbod van de boekhandel, zeker in de haar zo bekende OBA, vindt ze dat laatste het intimiderendst. Daar ligt Kleihuid op een stapel te concurreren met al die andere nieuwe boeken die om aandacht schreeuwen. De tijd om te slagen is maar kort. De bibliotheek is dan eerder een schatkamer waar hooguit een handvol exemplaren rustig wachten op ontdekking.
'Dat is ook wat de bibliotheek voor mij was toen ik daar als kind in Bussum veel kwam', zegt ze. 'Een plek van grote rijkdom. Een plek ook van vrijheid en ontsnapping aan mijn thuissituatie. Ik kon daar wegdromen bij alle verhalen die me meenamen naar andere werelden. Ik kon daar veilig kind zijn. Daarom vind ik nog steeds de belangrijkste functie van de bibliotheek dat het een plek is waar iedereen terecht kan om boeken te ontdekken – juist diegene die het zich niet kunnen veroorloven om zelf boeken te kopen.'
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad)

woensdag 14 maart 2018

Interview: Eva Meijer wint de Halewijnprijs 2017 – de literaire prijs van Bibliorura (Bibliotheekblad)

Het ligt voor de hand: een bibliotheek die een literaire prijs uitreikt. Dat vindt in ieder geval Bibliorura in Roermond, die sinds 2015 de organisatie van de Halewijnprijs op zich heeft genomen. Eva Meijer, laureaat van dit jaar, koestert mooie herinneringen aan de openbare bibliotheek. 'Ik vind het leuk dat mijn boeken nu hier staan en lezers ze kunnen ontdekken op dezelfde manier als ik vroeger obscure schrijvers ontdekte.'

Een bestsellerauteur noemt Eva Meijer (1980) zich 'zeker niet'. Maar na twee non-fictieboeken en drie romans gaat het 'best goed' met haar schrijverschap, zegt ze aan de telefoon. Het vogelhuis, dat in 2016 verscheen, is aan zijn vijfde druk toe. De roman stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en de ECI Literatuurprijs. Haar werk, zoals de studie Dierentalen, verscheen in het Engels en Duits. Vertalingen in het Arabisch, Fins, Frans, Pools en Turks zijn in de maak.
De bekroning van de Halewijnprijs – bestaande uit 1500 euro en een kleinplastiek in brons – past in dit patroon van groeiende erkenning. Meijer kreeg de voorkeur boven Murat Isik, David Nolens, Annel de Noré, Christine Otten en Chris de Stoop, die ook waren genomineerd voor de literaire prijs van de stad Roermond. 'Goede schrijvers, van wie sommigen al zijn gearriveerd', meent ze. 'Ik ging er niet van uit dat ik zou winnen. Maar toen werd ik gebeld in Mexico, waar ik op dat moment verbleef. Gelukkig wel nadat juryvoorzitter Pon Kranen eerst de vraag had gemaild of ze me kon bellen.'

Grote landelijke bekendheid geniet de Halewijnprijs niet, die sinds 1987 wordt uitgereikt. Maar de onderscheiding voor een relatief onbekende auteur wiens werk meer aandacht verdient, heeft in de literaire wereld een serieuze reputatie opgebouwd doordat het regelmatig auteurs bekroonde die daarna doorbraken naar een groot publiek. Denk aan Arthur Japin (1998) en Tommy Wieringa (2002). Andere winnaars waren onder andere Joke J. Hermsen (2008), ErikVlaminck (2013) en Benny Lindelauf (2016).
Sinds twee jaar verzorgt Bibliorura, de openbare bibliotheek van Roermond, de organisatie van de Halewijnprijs. Op vraag van de gemeente, vertelt Moniek Hueting, medewerker communicatie en webredactie van Bibliorura. 'Omdat wij het hart van de literatuur in Roermond zijn, is het niet meer dan logisch om de organisatie bij ons onder te brengen. Wij wilden dat graag doen, omdat we hiermee kunnen laten zien dat de bibliotheek lezen en literatuur belangrijk vindt.'
Bibliorura heeft ook de ervaring en de mensen in huis om de prijs lokaal een groter aanzien te geven. 'Wij zorgen voor een grote pr-campagne met advertenties in lokale media, flyers in de bibliotheek, driehoek-borden om lantarenpalen en aandacht op sociale media. Ook komt er een presentatie rondom het werk van Eva Meijer, van wie we al voor de bekendmaking extra titels hebben ingekocht. Wat het effect ervan is na twee jaar nog weinig over te zeggen, maar we horen wel dat het opvalt.'
Ook probeert Bibliorura de bekendheid van de prijs te vergroten met een jongerenprijs: de Reinaerttrofee. Scholieren van Bisschoppelijk College Broekhin maken sinds 2014 een keuze uit de genomineerde titels. Dit jaar viel de eer aan We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten. Hueting: 'De Reinaerttrofee was al eerder ingesteld, maar wij proberen hem veel groter te maken door ook de andere twee middelbare scholen in Roermond erbij te betrokken.'

Uitreiking van de Halewijnprijs en Reinaerttrofee vond inmiddels plaats – op zondag 11 maart. Meijer kreeg toen te horen wáárom haar werk is uitverkoren. Bij de bekendmaking van de laureaat, die ook bekendstaat als dierenactivist, beperkte de jury zich tot een citaat uit haar rapport. De auteur is 'een groot literair talent met een belangrijke boodschap. (...) In een mooie natuurlijke schrijfstijl toont zij dat er een wereld te winnen valt, wanneer menselijke dieren oog krijgen voor communicatie van en met niet-menselijke dieren.'

Ben je een auteur met een boodschap?
'Ik wil graag mensen op een andere manier laten kijken. Daar gaat volgens mij alle filosofie, kunst en literatuur over: zekerheden ondergraven door te laten zien wat er zich net onder de oppervlakte van de werkelijkheid bevindt. En ja, dat gaat in mijn laatste twee romans vooral over dieren. Ik ben nu weer met heel andere thema's bezig. Ik vind dat dieren het slecht hebben, omdat ze of bij miljoenen in kleine hokjes worden opgesloten, of in hoog tempo hun leefgebied zien verdwijnen. En ik vind het belangrijk dat mensen daarom anders over dieren gaan denken.'

Maar je schrijft geen tendensromans, neem ik aan.
'Nee. Dat heeft ook geen zin. Je kunt mensen niet veranderen door hen een overtuiging door de strot te duwen. In mijn filosofische boeken als Dierentalen en De soldaat was een dolfijn schotel ik lezers daarom geen wereldbeeld voor, maar laat ik zien dat je ook op andere manieren naar dieren kunt kijken. Ik geef als het ware een aftrap om zelf te gaan denken.'

Doe je dat ook in je romans?
'Ja, maar anders. Door de ambiguïteit van het bestaan te laten zien. Het vogelhuis gaat over vogelonderzoeker Len Howard, die als eerste liet zien dat vogels individuen zijn, maar die ook minder goede dingen heeft gedaan. Zo is het leven, goed en kwaad zijn nooit eenduidig te scheiden. Dagpauwoog gaat over iemand die geweld wil gebruiken om een maatschappelijk probleem aan de kaart te zetten. Ook daarin zitten veel vragen.'

Prikkel je je lezers daadwerkelijk tot heroverweging van hun standpunten?
'Ik hoor soms dat lezers van Het vogelhuis daarna anders tegen vogels aankijken. Dat ze vogels niet langer zien als muzikaal behang, maar als wezentjes met eigen relaties en eigen projecten in het leven. Het is mooi als ze dat uit mijn boek halen. Dat maakt lezen zo relevant. Dankzij boeken kun je even in het hoofd van iemand anders verblijven. Iemand uit een ander land, iemand uit een andere sociale klasse. Of een dier.'

Zijn daarom bibliotheken relevant?
'Voor mij wel. Ik ging iedere dag naar de bibliotheek. Iedere dag haalde ik weer het maximum van drie boeken die je mee mocht nemen. De bibliotheek zat naast mijn school in Hoorn, dat maakte het makkelijk. En toen ik negen of tien was had ik alles uit en kon ik door met de boeken op de volwassenenafdeling. Mijn ouders hadden ook veel boeken, maar ik heb vooral in de bibliotheek allerlei auteurs ontdekt.'

Geldt de relevantie tegenwoordig nog steeds?
'Voor kinderen wel, denk ik. De bibliotheek stelt hele werelden aan hen ter beschikking. Dat is een enorme rijkdom. Maar toen ik een tijdje in Den Haag voor de bibliotheek werkte in de vestiging in de Schilderswijk zag ik dat die plek voor veel kinderen meer betekende dan de boeken die er lagen. Het was een plek om opgevoed te worden of om elkaar te ontmoeten. Voor hen had het sociale functie. En dat zal voor veel anderen gelden, die daar bijvoorbeeld iedere dag hun krantje komen lezen. Zeker nu mensen minder lezen en meer informatie digitaal te vinden is, is het goed dat de verschillende functies van de bibliotheek naast elkaar kunnen bestaan.'

En kom jij nog in de bibliotheek?
'Ik ben geen lid meer. Ik lees veel academische filosofie. Daarvoor log ik in bij de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Andere boeken koop ik. Dat zie ik als mijn bijdrage aan het voortbestaan van de onafhankelijke boekhandel. Ik kom eigenlijk alleen nog in de bibliotheek om er op te treden. De presentatie van Het vogelhuis was bijvoorbeeld georganiseerd door De Nieuwe Boekhandel en de vestiging van de bibliotheek die ernaast zit. En soms ga ik naar de OBA voor een afspraak.'

Is de bibliotheek ook belangrijk voor je inkomsten uit leengeld?
'Nou nee. Ik kan er nog geen maand vaste lasten van betalen. Het maakte me ook niet zoveel uit. Ik vind het leuk dat mijn boeken nu hier staan en lezers ze kunnen ontdekken op dezelfde manier als ik vroeger obscure schrijvers ontdekte. Ik zou het ook mooi vinden als mijn boeken veel langer blijven staan dan in de boekhandel, al wordt de museum- en bewaarfunctie van de bibliotheek minder belangrijk door de digitalisering.'
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl)