donderdag 22 juni 2017

Hunspell wordt herschreven: op naar een betere spellingscontrole voor een miljard mensen (Taalunie:Bericht)

Iedereen wil een perfecte spellingscontrole. Beter dan de software erachter nu kan presteren. Maar dat is niet zo eenvoudig, legt Sander van Geloven uit. De Nederlandse ICT’er kreeg onlangs subsidie om de wereldwijd gebruikte spellingscontrole Hunspell te verbeteren.

Correct gespelde woorden die de spellingscontrole afkeurt omdat hij ze niet kent. Fouten die hij laat staan omdat de spelling in een andere betekenis wél goed is. Het ontbreken van suggesties ter verbetering. Een soms onlogische volgorde van suggesties. Enzovoorts. Sander van Geloven begrijpt dat spellingscontrole een slecht imago heeft. ‘Grote Nederlandse dagbladen publiceren bijna elk jaar een stuk waarin de auteur er tegen tekeer gaat, al gaat de helft van de klachten over grammaticale fouten en niet over spelfouten.’
Maar hebben mensen enig idee hoe ingewikkeld het is om een goede spellingscontrole te krijgen? De zelfstandig ICT-consultant zeker. Hij werkt al jaren aan deze software. Onlangs kregen een Macedoniër en hij 95.000 dollar subsidie van Mozilla Open Source Support – een fonds van het gelijknamige softwarebedrijf – om een geheel nieuwe versie van Hunspell te schrijven. Geld dat volledig opgaat aan de vele, vele uren arbeid die beiden erin moeten steken.
‘Je zou bijvoorbeeld ook een tussencategorie willen. Spellingscontrole geeft alleen aan of de spelling goed of fout is – of eigenlijk: goed en let op, hier is wat mee. Met een tussencategorie kun je aangeven bij een woord als “fijt”: het is correct gespeld, want het woord voor een ontsteking aan je vingertop, maar wellicht bedoel je “feit”. Daarnaast kun je zo alternatieven aangeven die beter Nederlands zijn zoals “beeldscherm” voor “monitor” en “ontspannen” voor “chill”. Of woorden die meer of minder formeel zijn. Zo’n tussencategorie kun je niet op een zondagmiddag ontwikkelen en invoeren.’

Hongaarse wortels
De naam Hunspell zal bij weinig mensen een belletje doen rinkelen. En dat terwijl vrijwel iedereen in Nederland het gebruikt – en door nog een miljard mensen over de hele wereld. De spellingscontrole is geïntegreerd in browsers als Firefox, Safari en Chrome. In Adobe-producten. In officeproducten als LibreOffice. En nog veel meer. Eigenlijk zit Hunspell verwerkt in bijna alles wat geen Microsoftproduct is. Deze softwaregigant gebruikt zijn eigen spellingscontrole.
‘Hunspell is twintig jaar geleden ontwikkeld door de Hongaar László Németh’, vertelt Van Geloven. ‘Vandaar de naam. Hij vond de bestaande opensource spellingscontrole niet goed werken voor zijn taal en schreef een verbeterde versie. Dat bleek goed te werken voor meerdere talen. Ook voor het Nederlands. In 2010 is Németh naar Nederland gehaald om voor een paar duizend euro een aantal essentiële functies die misten voor onze taal in de spellingscontole aan te passen.’
Inmiddels worden ongeveer zeventig talen in 130 verschillende varianten door Hunspell ondersteund. ‘Voor het Nederlands zijn de eisen voor samenstellingen een van de zwaarste. Je kunt ongelofelijk veel woorden aan elkaar koppelen. Nog moeilijker dan het Duits, mede omdat wij andere klinkerbotsingen hebben en ook woorden met verbindingsstreepje: re-integratie, aspirant-lid. Németh heeft dat zeven jaar geleden gefikst. Dat de spelling van die woorden niet spaak loopt met de regels voor afbreking.’
De Stichting OpenTaal, waar Van Geloven ook bij betrokken is, levert voor de Nederlandse versie de noodzakelijke bestanden aan: woordenlijsten en regels voor vervoegingen en samenstellingen. ‘Vooral dat laatste bestand is voor het Nederlands zeer groot. Onlangs hebben we een nieuwe versie van de woordenlijst ingeleverd bij de Taalunie: 500.000 woorden groot tegen 350.000 in de vorige versie. Als die het Keurmerk Spelling heeft gekregen, komt die beschikbaar voor gebruikers.’

Beter, veiliger, sneller
Inmiddels is het tijd om Hunspell vanaf nul opnieuw op te bouwen. In al die jaren is het organisch gegroeid volgens de wetten van opensource software. Dan brengt de ene softwareontwikkelaar een paar verbeteringen aan – tot hij bijvoorbeeld door de geboorte van een kind geen tijd meer heeft. Dan zet een bedrijf er een paar ontwikkelaars op om een paar dingen te veranderen zodat de software beter geschikt is voor hun werk. De Macedoniër en Van Geloven maken er opnieuw een coherent geheel van.
Hunspell moet zo beter, veiliger en sneller worden. ‘Neem de veiligheid. Hunspell is geschreven in C++, een relatief lage softwaretaal. Het voordeel daarvan is de snelheid. Lange woorden als “goederentreinwagondeuren” kunnen dan toch snel genoeg worden gevonden. Als het langer dan een paar milliseconden duurt, stopt de computer met zoeken omdat het natuurlijk niet de bedoeling is dat je minuten wacht tot je tekst is gecontroleerd. Lange woorden worden dan onterecht afgekeurd.’
Een bijkomstigheid van een lage softwaretaal is wel dat je veilig moet ontwikkelen. ‘Juist bij gebruik in webbrowsers wil je voorkomen dat makers van malware en ransomware je software kunnen misbruiken’, zegt Van Geloven. 'Voor de huidige versie van Hunspell zijn verschillende stijlen van C en C++ gebruikt. In versie 2.0 straks alleen versie 14 van C++ – én een codestijl zonder handmatige geheugenallocaties, zodat er minder kans is op security exploits zoals buffer overflows. Enfin, dit wordt een beetje technisch.'

Betere suggesties
Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de gebruiker iets merkt van deze verbeteringen. ‘Ondanks de relatieve onbekendheid van spellingscontrole zou niemand zonder willen,’ aldus Van Geloven. ‘Niemand laat een sollicitatiebrief de deur uitgaan zonder die eerst te controleren op spelling. Ze weten daarbij dat woorden als “creëren” en “provinciën” worden verbeterd, maar zelf moeten nagaan of het “de” of “het” moet zijn. Die betrouwbaarheid moet absoluut gehandhaafd worden.’
Pas in een volgende fase willen de ontwikkelaars Hunspell ook voor de gebruiker merkbaar verbeteren – als ze daar opnieuw financiering voor weet te vinden. ‘Behalve het invoeren van een tussencategorie wil we ook links toevoegen naar taaladviessites. Spellingscontrole heeft een lerend effect: na een keer of wat dezelfde fout te hebben gemaakt weet je dat provinciën met één e is. Dat effect kan zo worden versterkt. Online is heel veel beschikbaar, maar mensen weten dat nu niet te vinden of het is te veel werk om zelf op te zoeken.’
Ook wil hij de suggesties verbeteren. ‘Soms is de beste suggestie de vierde optie. Dan staan daarboven woorden die veel lijken op het fout gespelde woord, maar nooit bedoeld kunnen zijn. De computer weet dat niet. Microsoft en Google kijken mee en verbeteren zo hun lerend algoritme. Hunspell niet, omdat wij absoluut niet met de gebruikers willen meekijken. Wij zijn afhankelijk van wat mensen ons laten weten. Er kan dus wel een systeem komen dat mensen automatisch vraagt om informatie door te geven – zonder dat wij hun documenten inzien.’

Grammaticacontrole
En dan willen gebruikers eigenlijk ook grammaticacontrole, zoals uit de reguliere klacht in dagbladen blijkt. Van Geloven: ‘Dat heb je bijvoorbeeld nodig om uitdrukkingen met spaties – “o pair” of “au pair?” – op te sporen. Hunspell kan alleen losse aaneengeschreven woorden controleren. Een oplossing daarvoor is LanguageTool, dat ook helpt om foute verwijzingen als “het hondje die” te corrigeren. Maar het detecteren van onjuist spatiegebruik staat daar nog in de kinderschoenen.’
(Eerder gepubliceerd op Taalunie:Bericht)

dinsdag 20 juni 2017

Alfred Birney doet het véél beter dan alle eerdere Libris-winnaars (Boekblad)

Een chronische blessure dwingt Libris-winnaar Alfred Birney om zijn optredens meer te doseren. Zijn uitgever De Geus gelooft echter dat het succes van De tolk van Java nog lang aanhoudt. Ook in een rustiger tempo kan Birney nog vaak acte de présence geven.

Deze week twitterde Boekhandel Broekhuis dat Birney al zijn boekhandelsoptredens moest afzeggen – waaronder bij hen in Enschede. Ook komt Birney niet naar het Drentse literatuurfestival Zomerzinnen. Gisteren kwam De Geus daarop met een officiële verklaring. 'Alfred Birney heeft een chronische blessure die hem nu parten speelt door het vele bezoeken van boekhandels en festivals en de lange dagen die daarmee gepaard gaan. Op medisch advies moet hij rust nemen en herstellen.'
Birney heeft echter niet alles afgezegd, bezweert zijn uitgever Nele Hendrickx. 'We nemen even pauze en later deze zomer staat hij er weer.' Bovendien heeft De tolk van Java echt een snaar geraakt, is haar overtuiging, waardoor het succes van de roman waarschijnlijk nog lange tijd aanraakt en Birney 'nog op heel veel plekken terecht kan'. De Geus verwacht het boek tot 'ver in het najaar' te kunnen blijven ondersteunen. 'Er staan al een aantal dingen in de steigers. Wat, kan ik nu nog niet zeggen.'
De week na de bekroning met de Libris Literatuurprijs belandde De tolk van Java op de eerste plaats van de Bestseller 60. Het hield die positie vier weken vast voor de roman deze week werd verdrongen door De dorst van Jo Nesbø. Ter vergelijking: sinds de start van De Bestseller 60 heeft nog maar een Libris-winnaar de eerste plek van de bestsellerlijst gehaald. Dat was vorig jaar Jij zegt het van Connie Palmen, die dat een week volhield. Hieronder staat een overzicht van de hoogste notering van iedere Libris-winnaar.
De Geus heeft inmiddels meer dan 50.000 exemplaren van de roman verkocht, zegt Hendrickx. 'De tolk van Java was het juiste boek op het juist moment. Tien jaar geleden had een roman over het Nederlandse koloniale verleden nog niet zo'n weerklank kunnen hebben, terwijl iedereen wel iemand in zijn omgeving kent die daardoor geraakt is. Het is een aspect van de geschiedenis dat lang onderbelicht is gebleven, maar waar nu iedereen over wil lezen. Dat geldt voor de Libris-jury die juist nu zo'n boek bekroond en dat geldt voor het lezerspubliek.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 16 jun)

Wat is de hoogste positie op de bestsellerlijst van eerdere Libris-prijswinnaars?
Jij zegt het - Connie Palmen (2016) 1e
Ik kom terug - Adriaan van Dis (2015) 2e
La Superba - Ilja Leonard Pfeijffer (2014) 3e
Dit zijn de namen -Tommy Wieringa (2013) 2e
Tonio - A.F.Th. van der Heijden (2012) 2e
De maagd Marino - Yves Petry (2011) 33e
Kleine dagen - Bernard Dewulf (2010) 20e
Godverdomse dagen op een godverdomse bol - Dimitri Verhulst (2009) 11e
Sleur is een roofdier - D. Hooijer (2008) 10e
Tirza - Arnon Grunberg (2007) 6e
Waar was je nou - K. Schippers (2006) 13e
Specht en zoon - Willem Jan Otten (2005) 12e
Een schitterend gebrek - Arthur Japin (2004) 5e
De langverwachte - Abdelkader Benali (2003) 7e


maandag 19 juni 2017

Atlas Contact organiseert een recordbrekend Murakami Weekend (Boekblad)

Atlas Contact organiseert in januari 2018 een Murakami Weekend ter gelegenheid van het verschijnen van de nieuwe roman van de Japanse Nobelprijskandidaat. Het is het grootste evenement dat ooit voor één auteur is georganiseerd.

Het weekend vindt plaats op 13 en 14 januari op de S.S. Rotterdam. Op beide dagen zijn concerten, feesten, colleges, hardloopsessies, interviews, films, workshops en meer. Het schip beidt plaats aan 2000 mensen. Er zijn 250 hotelkamers te boeken voor weekendarrangementen. De schrijver zelf is nadrukkelijk níet aanwezig. 'Zoals altijd hebben we ons best gedaan Murakami naar Nederland te halen. We hebben hem uitgenodigd, maar helaas. Hij reist heel weinig en dan meestal nog naar aanleiding van een prijs', zegt publiciteitsmedewerker Vincent Kolenbrander van Atlas Contact.
Aanleiding is De moord op Commendatore, die in februari in Japan verscheen en waarvan inmiddels 1,5 miljoen exemplaren zijn verkocht. Het boek over een 36-jarige pas gescheiden portretschilder die zich terugtrekt in een afgelegen atelier verschijnt in twee delen. Het eerste deel 'Idea verschijnt' komt uit op 1 december, het tweede deel 'Metafoor verschuift' tijdens het Murakami Weekend. Iedereen die een ticket koopt – variërend van 42,50 euro voor de zondag tot 300 euro voor een weekendarrangement voor twee personen – krijgt een exemplaar van het tweede deel, waarvan de winkelprijs 29,99 euro is.
'Bij zijn vorige roman De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren organiseerden we in januari2014 een leesclubfestival met Das Mag', vertelt Kolenbrander. 'Daar kwamen ontzettend veel mensen op af. Murakami heeft ook veel fans, zijn oeuvre is verslavend. En zijn werk bevat zó veel elementen waar je wat mee kan dat we ons al in een vroeg stadium afvroegen: wat is de overtreffende trap van een leesclubfestival? Toen kwamen we snel bij een weekend uit. Omdat dat te groot is voor ons, hebben we daarvoor een externe partner gezocht: Buro Extra van Floor Zijlstra en Pieter Eckhardt.'
Buro Extra bedacht de locatie voor het weekend. Kolenbrander: 'Zij wilden ons het schip als verrassing laten zien. Wij gingen dus naar Rotterdam zonder enig idee te hebben. Toen we het zagen waren we onmiddellijk enthousiast. We wilden bijvoorbeeld iets met een jazzcafé, omdat Murakami er zelf vroeger een uitbaatte. De SS Rotterdam ademt de sfeer die bij Murakami past en biedt alle faciliteiten  waar we naar op zoek waren, Er is een filmzaal en een groot theater, en  er kunnen dus mensen overnachten.'
Om uit de kosten te komen moet Altas Contact – bijna – alle kaartjes verkopen. 'Een uitdaging', erkent Kolenbrander, 'maar er zijn door het hele land ontzettend veel Murakami-fans en we hebben er vertrouwen in.' De uitgeverij begint daarom vroeg: sinds gisteren ofwel zeven maanden van tevoren. 'Het is nu vooral online. We zijn nog bezig met een media-partner, met wie gezamenlijk pr gaan voeren. Wie, kan ik daarom nog niet zeggen, maar dat gaat zeker lukken. Nadat het eerste deel is verschenen gaan we een grote postercampagne voeren in Rotterdam. De stad komt helemaal vol te hangen. We bekijken nog of het zinvol is om het ook in Amsterdam te doen, waar natuurlijk veel Murakami-fans wonen.'
Atlas Contact betrekt ook de boekhandel bij het Murakami Weekend. 'De boekhandel die de meeste kaartjes verkoopt krijgt van ons een gratis weekendarrangement voor twee personen. Deze actie begint volgende week. Boekhandelaren ontvangen dan van ons een uitleg over de actie, een speciale poster en een intekenlijst. Klanten kunnen online gewoon een kaartje kopen: in de ticketshop staat een veld "geattendeerd via boekhandel". Op deze manier kunnen we kijken of de lijst van de boekhandel correspondeert met de mensen die ook daadwerkelijk een kaartje kochten.'
Op het programma staan interviews met onder andere Jelle Brandt Corstius, Niña Weijers en Auke Hulst. Er is live-muziek met onder meer The Kik en Jett Rebel. Dolf Jansen geeft een hardloopworkshop. In de jazzclub treden Benjamin Herman, Jules Deelder, Wilfried de Jong en anderen op. Vanaf 22 uur draait DJ Joost van Bellen. Er is klassieke muziek van Lavinia Meijer, Ralph van Raat en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Er is een college over Japanse kunst van Menno Fitski, conservator Oost-Aziatische kunst van het Rijksmuseum. En dat is nog lang niet alles. Zie daarvoor: murakami.nl.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 15 jun)

zie ook:

zondag 18 juni 2017

Interview uitgever Joris van de Leur van De Fontein over merken bouwen en merken onderhouden (Boekblad)

Merken neerzetten, uitbouwen en vervolgens blijven koesteren. Met die strategie heeft De Fontein de afgelopen jaren mooie groeicijfers laten zien. Directeur Joris van de Leur over global summits, afgebakende schermtijd en het aantal exemplaren waarbij hij de nieuwe kinderboekenseries van de uitgeverij als een succes beschouwt.

De Fontein is bij uitstek een uitgeverij van merken. Waar de catalogi van andere uitgeverijen soms lijken op een willekeurige opeenvolging van titels en auteurs, draaien die van De Fontein om Jeff Kinney, Roald Dahl, Guinness, Jojo Moyes en Baantjer. Zelfs individuele auteurs probeert de uitgeverij vaak gebundeld als genre in de markt te zetten, zoals YA-thrillers van auteurs als Cis Meijer, Eva Burgers, Margje Woodrow en Mel Wallis de Vries die verschijnen als de ‘politie niet betreden’-reeks. Met deze aanpak draaide de uitgeverij in 2016 het beste jaar in zijn zeventigjarig bestaan – dankzij nieuwe delen in uiterst goedlopende series als Het leven van een loser en Dagboek van een Muts en succesvolle verfilmingen van Dahls De GVR en Moyes’ Voor jou (in de bioscoop onder de Engelse titel Me Before You). Directeur Joris van de Leur vertelt hoe de uitgeverij maximaal profijt uit zijn merken probeert te halen.

Hoe was het vorige maand op de kinderboekenbeurs in Bologna?
‘Je ziet wereldwijde merken steeds meer professionaliseren. Rechthebbenden roepen juist op beurzen als Bologna global summits bij elkaar. Zo was ik, voorafgaand aan de beurs, twee dagen bij een Diary of a Wimpy Kid-conferentie van Abrams, de Amerikaanse uitgever. Het leven van een loser dus. Je wisselt met uitgevers uit de hele wereld best practices uit. Dat zijn op dat moment echt vrienden. Zo zat ik naast de Turkse uitgever. Misschien is er allerlei gedoe met het referendum in Turkije, maar als we over het merk praten, zijn we allebei bezig met hetzelfde: hoe kunnen we daar in onze markten zo veel mogelijk lezers voor vinden. Heel inspirerend.’

Is de auteur daar ook bij?
‘De eerste dag was inderdaad met Jeff Kinney. Hij leidde als een soort consultant een bijeenkomst met een select aantal uitgevers. Hij vertelt wat hij aan het doen is, wat hij wil en juist niet wil, waarover hij twijfelt. En wat wij vinden dat hij zou moeten doen. Dat gaat om vragen als: Hoe ga je om met sociale media? Verfilmingen? Merchandise? Het is leuk om daarover mee te denken. De tweede dag was met Abrams en is iedereen erbij die een licentie heeft. Een behoorlijk groot gezelschap. Dan gaat het over cijfers, ambities, benchmarking, strategie.’

Kun je daarom als Nederlandse uitgever meer invloed uitoefenen op de ontwikkeling van een reeks dan wanneer je, zoals vroeger, alleen maar de rechten van een volkomen kant en klaar product koopt? Of ben je door de globalisering van een merk juist meer gebonden aan regie?
‘De invloed op de serie is marginaal. Als ik al invloed heb, gaat het om het merk. Jeff Kinney luistert absoluut goed, hij neemt alle input mee. Aan de andere kant neemt de regie toe. De tijd is voorbij dat een rechthebbende domweg zei: jij weet het het beste in Nederland, veel succes ermee. Er is meer afstemming, bijvoorbeeld over de marketingplannen. De contracten worden ook dikker. Maar er is nog genoeg ruimte voor eigen creativiteit. Neem bijvoorbeeld de verschijningsdatum. Wereldwijd komen nieuwe delen in het najaar: vóór het cadeauseizoen met kerst. Velen liften mee op een global launch. Toch publiceren wij in het voorjaar: vlak voor de zomer, dus ook voor de kinderboekenweek. Als ik dat uitleg, begrijpen ze dat. De basis is vertrouwen – en natuurlijk je performance. Ik vind de internationale samenwerking daarom vooral inspirerend. Misschien is dat anders bij merken voor volwassenen. De kinderboekenwereld is, ook internationaal, nog altijd heel lief en fatsoenlijk.’

Je merkt niets van verzakelijking? Dat de rechthebbenden, in dit geval Abrams, steeds hogere eisen stelt aan de verkoopresultaten van de Fontein?
‘Daar merken we zelf niet veel van. Maar het gebeurt, ja. Guinness is een tijdje geleden in Duitsland van uitgeverij veranderd. Dat zal daarmee te maken hebben. Zelf vergelijk ik onze verkopen graag met die in andere landen. Dat komt omdat ik graag de beste performance laat zien, ik wil graag winnen. Al weet ik dat je verkopen nooit een op een kunt vergelijken. Ik zat ooit naast de Braziliaanse uitgever van Roald Dahl. Ik vroeg hem hoeveel hij had verkocht van Sjakie en de chocoladefabriek, wat mij betreft het beste kinderboek allertijden. Hij noemde een getal. Zo weinig? reageerde ik, in een land met zoveel miljoen inwoners. Waarop hij zei: weet je wel hoeveel armoede en analfabetisme er is? Natuurlijk.’

Voor iemand die wil winnen moet het heerlijk zijn dat je van De Fontein de grootste kinderboekenuitgeverij van Nederland hebt gemaakt.
‘Het belangrijkste is natuurlijk dat je met z’n allen plezier in je werk hebt. Maar ja, ik ben niet het type uitgever dat graag zo mooi mogelijke boeken maakt. Dat is een prima uitgangspunt, maar mij gaat het er om zo veel mogelijk lezers te vinden voor onze uitgaven. Om een zo groot mogelijk publiek. Daarom positioneren wij De Fontein niet als literaire, maar als commerciële uitgeverij, hoewel we auteurs als Koos Meinderts en Peter van Gestel blijven koesteren. Ik wil zo veel mogelijk kinderen laten ervaren hoe waardevol een boek is. Voor mij zijn boeken enorm belangrijk geweest in mijn leven – en nu nog steeds. Jeroen Brouwers beschouw ik als mijn geestelijk vader. Dat belang wil ik overdragen, te beginnen bij kinderen, die vooral plezier aan lezen moeten beleven om misschien later te blijven lezen. En: papieren boeken. Hoewel wij alle titels in het jeugdfonds als e-boek en vele ook als audioboek uitbrengen, is het aandeel in de omzet daarvan maar klein en ik verwacht dat dat zo blijft. Dat komt omdat ouders de schermtijd van hun kinderen afbakenen. Zij hebben liever een boek. Voor de romans en thrillers maken e-boeken echter wel een substantieel deel van de omzet uit, hoewel folio dominant blijft.'

Je werd ruim twee jaar geleden directeur van De Fontein. Bij je benoeming zei je dat de uitgeverij weer onderscheidend moest worden. Is dat gelukt?
‘Als je kijkt naar de cijfers zeker. We hebben geprobeerd met merken onderscheidend te zijn. Door titeloverstijgend te marketen en genres te communiceren. Dat werkt goed. We zijn daardoor zichtbaarder geworden in de boekhandel, die we ook meer dan vroeger pro-actief bezoeken – juist omdat hun commitment aan een merk zo cruciaal is voor het succes ervan. We hebben acht boekhandelaren bij onze teamdag uitgenodigd. Zó inspirerend. Af en toe werken we een dag in de boekhandel. Alles om te weten wat er bij hen speelt en te ontdekken hoe we elkaar kunnen vinden. De sales-afdeling is ingedeeld naar accounts: iemand voor Bol, iemand voor Bruna, iemand voor Libris enzovoorts. Dat stelt ons in staat om meer en meer tailormade marketingacties op te zetten. Denk aan: specifiek pos-materiaal, bepaalde posters of kleurplaten, extra tattoos voor Jozua Douglas. Ook proberen we de afstand tussen boekhandel en auteur te verkleinen. We waren met auteurs op de Bruna-dag en zijn dat op de RDC-dag. En als we weten dat een van onze auteurs binnenkort in een boekhandel optreedt, bellen we die op om te vragen of en hoe wij kunnen helpen om het optreden tot een succes te maken. Heel simpel, maar effectief. Veel van ons marketingbudget gaat naar de boekhandel.’

Merken uitbouwen werkt beter dan losse titels in de markt zetten?
‘Merken hebben mijn voorkeur wel, al is het geen conditio sine qua non. Maar: wat is een merk? Veel uitgeverijen beschouwen elke auteur als een apart merk. Ook onze auteurs, van Loes Riphagen tot Niki Smit, zijn stuk voor stuk met niemand anders te vergelijken en daarom allemaal een merk op zich. Maar ja, als je met iets nieuws komt moet je wel uitpakken. Je moet echt investeren en dat maximaal ondersteunen – ook dan omdat je alleen dan de boekhandel mee krijgt. Dat lukt soms beter met een titeloverstijgende benadering dan met een losse titel. En als je een succes hebt, zoals wij op een gegeven moment met Wimpy Kid, moet je kijken: hoe bouw je dat uit? Toen ik door begon te krijgen dat die serie wel eens heel groot zou worden, ben ik uitgeverijen in New York afgegaan met de vraag: hoe spelen jullie daarop in? Daar kon ik allerlei series acquireren als Dagboek van een muts en Niek de Groot.’

En nu wil je met De Fontein een volgende stap zetten met full colour graphic novels zoals Poptropica, vertelde je eerder aan Boekblad.nl.
‘Ja. Dat is nog steeds de trend, zag ik in Bologna: graphic novels. Het is de logische emancipatie van de illustraties in de kinderboeken nu we steeds meer in een beeldcultuur leven – al draagt deze mengeling van beeld en tekst ook bij aan een betere taalbeheersing, blijkt uit onderzoek. Na het succes van Wimpy Kid en andere series is kleur de volgende stap. Voor ons is dat belangrijk omdat de fans op een gegeven moment alles hebben gelezen. Dat publiek wil je vasthouden. Met crosspromotie, leestips en noem maar op proberen we ze te verleiden de overstap te maken naar de nieuwe serie. Naast Poptropica voor de jongste lezers komen we met Hannes Hunebed voor lezers vanaf tien jaar en De tijdreizen van John Blake van Philip Pullman voor lezers vanaf twaalf jaar. Daarmee gaan we dus ook breder. Waar Het leven van een loser voor 8- tot 11-jarigen is, zetten we hiermee in op 7- tot 14-jarigen.’

Wanneer beschouwen jullie deze reeksen als een succes?
‘Met een minimum van drie- tot vierduizend, nou vooruit: vijfduizend kinderen en volwassenen. Al zou het natuurlijk leuk zijn als het zo groot wordt als Het leven van een loser of Jojo Moyes.’

Dat is nogal een contrast. De Fontein overschrijdt dit jaar de grens van twee miljoen verkochte boeken van Jeff Kinney, jullie willen die lezers vasthouden en dan zeg je tevreden te zijn met slechts vijfduizend kopers voor de nieuwe series. Daarmee zijn jullie alleen maar uit de kosten.
‘Akkoord. Als je het zo formuleert, zou je kunnen zeggen: de series zijn pas geslaagd als ze de helft van de oplage van Wimpy Kid halen. Dat kan ook een criterium zijn. Maar het succes van Jeff Kinney maak je als uitgever niet vaak mee. Het is geweldig leuk, hoor. Als ik bijvoorbeeld denk aan de premières die we hebben georganiseerd: een zaal vol kinderen die muisstil een nieuw deel beginnen te lezen. Fantastisch! Ik wens het iedereen die in de uitgeverij werkt toe om dat ten minste één keer in haar of zijn carrière mee te maken. De werkelijkheid is helaas dat een dergelijk succes zeer uitzonderlijk is. Ook voor ons. Ik heb net als velen in deze sector meer mislukkingen achter mijn naam staan dan grote successen. Het enige wat je kan doen is, op basis van je geloof in een serie, er vol voor gaan – van het testen van de serie bij de doelgroep tot het groots vermarkten – het in ieder geval een aantal delen volhouden en dan hopen dat de markt het oppikt.’

En als het niet lukt: uithuilen en opnieuw beginnen?
‘Precies. De geestenjager van Joseph Delaney is een voorbeeld van een serie die het ondanks een verfilming niet heeft gered. Op een gegeven moment moet je hem dan stoppen. Dan kun je er donder op zeggen dat dan de telefoon gaat: lezers die vragen waar het volgende deel blijft. Dat is het nadeel van series. Maar als je er almaar verlies op blíjft lijden, moet je wel stoppen. Dat was anders met Jojo Moyes. Het duurde ook tien jaar voordat zij – voor het eerst door ons gepubliceerd in 2004 – doorbrak, maar we verdienden er altijd genoeg mee om het te rechtvaardigen dat we haar bleven publiceren. Haar uitgever Jeannette Ploeger geloofde erg in haar. Terecht dus.’

Als een merk doorbreekt, kan het dan het eeuwige leven hebben?
‘Natuurlijk niet. Er zijn genoeg merken die uiteindelijk ten onder zijn gegaan. Maar sommige merken zijn inderdaad tijdloos. Neem Roald Dahl: over tien jaar komt vast weer er een nieuwe film van Mathilda of Sjakie en de chocoladefabriek en vindt hij weer nieuwe lezers. Guinness gaat ook al jaren mee. Je kunt er de klok op gelijk zetten: als jouw zoon straks negen wordt begint hij interesse te krijgen in vragen als: hoe groot is de wereld? Hoe hard gaat de snelste auto? En op zijn tiende wil hij het Guinness Book of World Records. Ook Wimpy Kid: kinderen leren erdoor relativeren en reflecteren op zichzelf. Dat is universeel, dus best mogelijk dat dat nog héél lang doorgaat.’

Moet je het merk steeds opnieuw revitaliseren zoals met Baantjer is gebeurd?
‘Dat is vooral te danken aan Jeannette Ploeger. Zij vond het een te mooi concept om mee te stoppen toen Baantjer overleed in 2010 en zij benaderde Peter Römer om nieuwe delen te gaan schrijven. Hij doet dat heel goed. Het tachtigste deel kwam eerder dit jaar meteen in de top 5 terecht. Zo blijkt dat het concept soms prevaleert boven de auteur. Maar je moet wel zorgen voor vernieuwing en verfrissing zodat het concept blijft aansluiten bij de tijd. Voortdurend polijsten, verbeteren, finetunen – dat is in essentie het werk van een uitgever van een al bewezen concept.’

En dan is de toekomst van De Fontein – met zoveel sterke merken – zekergesteld?
‘Niets is zeker. Dé voorwaarde voor toekomstbestendigheid is eerder dat je de mensen vindt die in staat zijn om voor een merk waar al van alles mee is gedaan toch weer iets origineels en onderscheidends te bedenken. Gezamenlijk proberen we steeds die beste mensen te vinden. We testen of ze het ambacht beheersen, maar kijken vooral ook naar hun persoonlijkheid. Gelukkig hebben we op dit moment buitengewoon creatieve mensen, met wie ik heel erg verguld ben.’
(Eerder gepubliceerd in Boekblad magazine, mei 2017)

zie ook:
-

zaterdag 17 juni 2017

Grunberg-app Hartenjager wordt maandag officieel gelanceerd

De literaire datinggame Hartenjager, met personages van Arnon Grunberg, wordt volgende week officieel gelanceerd. De app is al voor 2,29 euro te koop in de Android- en Apple-stores.

Het doel van Hartenjager is het veroveren van Violets hart uit Grunbergs roman Huid en haar – tot nu toe het enige personage in de app. Spelers schrijven haar een brief, krijgen binnen een paar uur een antwoord (daarop geattendeerd door een pushbericht) en kunnen zo stukje bij beetje haar liefde winnen. Wie een score van 100% heeft, krijgt de uitnodiging voor een ontmoeting met Violet. Wie of wat de spelers ontmoeten, houdt mede-bedenker en ontwerper Hanne Marckmann van Stichting Society at Play liever geheim.. Met behulp van een kladblok kunnen spelers testen welke onderwerpen bij het personage aanslaan en welke niet.
Marckmann werkte samen met Arnon Grunberg en zijn uitgeverij Nijgh & van Ditmar jaren aan de app, waarvoor ze in twee rondes in totaal 26.750 euro subsidie van het Nederlands Letterenfonds en 7.000 euro van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie ontving. Begin vorig jaar vertelde ze al in Boekblad magazine dat het idee ontstond uit Grunbergs column 'Seksrabbijn des Vaderlands' in de Volkskrant en de observatie van directeur Paulien Loerts van Singel Uitgeverijen dat literaire voorkeuren op dating sites een goede indicator zijn voor succesvolle matches.
Het personage Violet in de app is gebaseerd op Huid en haar. Wie deze roman uit 2010 heeft gelezen, erkent Marckmann, is in het voordeel. Maar haar antwoorden op brieven zijn speciaal geschreven door Grunberg. De teksten, bij elkaar zo'n 8000 woorden, kunnen iedere keer zo worden gemixt dat iedereen een antwoord op maat krijgt. 'Daarnaast zullen we, als het zo uitkomt, ook zelf extra teksten op maat schrijven. Het algoritme kan geen heel grappige, persoonlijke of sexy brieven herkennen. Zo willen we dat toch belonen.'
De spelers moeten van tevoren ook aangeven of hun tekst gepubliceerd mag worden. Wat daarmee wordt gedaan, weet Marckmann nog niet. 'Het is voor alle partijen één groot experiment. We hebben geen idee wat er allemaal binnen gaat komen. Misschien wordt de game helemaal niet gespeeld omdat iets niet werkt of niet leuk is. En misschien juist wel. Dan kunnen we de teksten publiceren op Hartenjager.nl, op sociale media of in de Volkskrant. Dat is onze mediapartner. Zij organiseren maandag een speciale lanceringsavond voor hun leden. Ook zorgen zij voor advertenties en banners op hun online kanalen en in de krant.'
Nijgh & van Ditmar steekt naast de creativiteit bij het meedenken ook arbeidstijd in de promotie van de app, waar ook zij volgende week een begin mee maakt. 'Wij zijn betrokken geweest bij de conceptontwikkeling en het marketingplan', zegt marketingmedewerker Greta Le Blansch. 'De samenwerking is ontstaan omdat Arnon erg geïnteresseerd is in de raakvlakken van gamen en literatuur en wij hier graag met hem mee naar op zoek gaan. Al met al zien we de app als promotie voor Grunberg en zijn boeken.'
De inkomsten van de app worden in de eerste instantie gestoken in het onderhoud ervan. Blijft er geld over, dan willen Marckmann, de uitgeverij en Grunberg een nieuw personage ontwikkelen. Dat kost naar haar schatting vijf- tot zesduizend euro. 'En is er dan nog geld over, dan wordt dat volgens een verdeelsleutel verdeeld tussen Arnon, onze stichting, het Letterenfonds en de uitgeverij.'
Over de vraag welk personage hierna wordt toegevoegd, wil Marckmann nog niet nadenken. Eerst maar eens zien wat Hartenjager gaat doen. 'Het ligt voor de hand om weer met Arnon samen te werken, hij is tenslotte medebedenker van de app. Voor daarna is alles mogelijk. Personages van andere schrijvers. Speciaal voor de app bedachte personages. Maar je kunt de app bijvoorbeeld ook inzetten als marketinginstrument. Dat mensen al brieven kunnen schrijven aan een personage voor het boek uit is en dat ze bij een score van 100% het boek kunnen winnen.'
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 13 jun)

zie ook;

donderdag 15 juni 2017

Marijke Schermer, 'Mensen in de zon' en 'Noodweer' (Ons erfdeel)

Een schrijver die een naam heeft gegeven aan een personage, zal die naam niet snel nog een keer gebruiken. Marijke Schermer doet dat wel. In haar debuut Mensen in de zon uit 2013 is Leo een politicus (een van de zes personen uit de vriendengroep waar de roman om draait) en Emilia zijn dochter. In Noodweer (najaar 2016) is het precies andersom. Emilia is de hoofdpersoon, Leo haar oudste zoon. Waarom?
De overeenkomsten nodigen uit om de samenhang tussen beide boeken te onderzoeken. De uitnodiging wordt versterkt door nóg een naam die in beide boeken voorkomt. In Mensen in de zon is de kunstenares Stella een van andere personages uit de vriendengroep. In Noodweer wordt één keer gerefereerd aan een kunstenares Stella, van wie Emilia en haar man ooit een kunstwerk kochten. In dit geval zou het heel goed hetzelfde personage kunnen zijn.
De samenhang in het nog bescheiden proza-oeuvre van Schermer, die al zestien toneelstukken op haar naam heeft staan, is dan ook groot. Beide romans draaien om de omgang met de waarheid. Hoe heeft een leugen invloed op je leven? Wat gebeurt er als je ontdekt dat je altijd een leugen voor waar hebt aangenomen? Op wat voor manier werkt een geheim door in het alledaagse bestaan? En wat als de persoon voor wie je iets verborgen houdt zijn eigen geheim heeft?
In Mensen in de zon staat een fataal auto-ongeluk centraal, waardoor de vriendengroep – twintigers op het punt om door te breken als kunstenaar, pianist, schrijver of wetenschapper – uit elkaar valt. Ze zijn vanuit Rome op weg naar het buitenhuis van IJsbrand, de veel oudere kunsthandelaar die tegelijkertijd mentor en spil van de groep is, als ze botsen op uitgerekend diens auto. IJsbrands partner Olivier laat daarbij het leven.
Schermer begint het verhaal op het moment dat de inmiddels hoogbejaarde IJsbrand zo’n twintig jaar later iedereen uitnodigt voor wat hij noemt een “historische reconstructie”, omdat reünie niet ambitieus genoeg klinkt. Volgende week zaterdag bij hem thuis, zegt hij. De auteur laat daarna zien – soepel switchend van het ene personage naar het andere – hoe Leo, Stella, Clara, Max en Vik daarop reageren door hen van dag tot dag te volgen.
Alle vijf reageren ze anders. De bij de kiezer populaire Leo, net staatssecretaris geworden, raakt van slag. Komt het geheim dat hij met zich meedraagt uit? Het geheim, waarvan hij ten onrechte aanneemt dat niemand het kent, dat hem ervan heeft doordrongen dat hij diep van binnen een slecht mens is. Maar hij herpakt zich door vast te houden aan alles wat hem desondanks gelukkig maakt. Zijn vrouw, zijn kinderen – ze zullen er misschien niet altijd zijn, maar ze zijn er nu.
De goedgelovige Vik, die een roman over het ongeluk publiceerde, verliest daarentegen voorgoed de grip op zijn bestaan. De uitnodiging vergroot zijn twijfels over zijn relatie en zijn schrijverschap, die alleen dankzij het succes van een als satire bedoeld zelfhulpboek nog bestaat. Even ontleent hij hernieuwde energie aan de gedachte zijn leven te funderen op de waarheid, maar aangezien hij die niet kan vaststellen, zakt hij meteen weer weg, dieper dan ooit.
En zo kun je ze alle vijf afgaan. Maar een ding hebben ze gemeen. Ze waren “mensen in de zon” – een verwijzing naar het gelijknamige schilderij van Edward Hopper – en daardoor te verblind om te zien wat zich in de schaduw bevindt. Maar ze ontdekten stuk voor stuk de verontrustende geheimen die eeuwig voortsudderen in het donker en moesten daarna voor zichzelf bepalen hoe ze daarmee omgaan. Niemand kan zich veroorloven altijd in de zon te kijken.
Ook in Noodweer zet de omgang met een dramatische gebeurtenis het drama in gang. Vlak nadat Emilia haar grote liefde Bruch heeft ontmoet, wordt ze bruut aangerand in haar eigen huis door een onbekende die ze – de situatie verkeerd inschattend – nota bene zelf had binnengelaten. Uit schaamte houdt ze de verkrachting en het week durende verblijf in het ziekenhuis voor iedereen geheim. Pas als ze helemaal is hersteld, zoekt ze opnieuw contact met Bruch.
Schermer begint dit verhaal op het moment, jaren later, dat Emilia niet langer met haar geheim kan leven. Het geluk van de liefde, al snel gezegend met kinderen, is overwoekerd door sleur. De idyllische woning in de uiterwaarden van een rivier begint leeg en kaal te voelen. Haar werk op een bureau voor statistische analyse bevredigt niet meer. En als een van de partners op kantoor zelf een aanrander blijkt, komen er te veel herinneringen boven.
Het liefst verlaat Emilia zich op onweerlegbare feiten – precies zoals Clara in Mensen in de zon aan de logica vasthoudt als reddingsboei in een zee van troebele emoties. Maar sommige waarheden zijn nu eenmaal niet op feiten gebaseerd maar subjectief, zoals blijkt uit een discussie met Bruch over wat beter is: als een stel elkaar al hun hele leven kent of als ze eerst een eigen leven hebben gehad? Op zo’n vraag is geen helder antwoord mogelijk.
Wat moet Emilia dan doen? Zonder hier de apotheose van de roman te onthullen, is duidelijk dat ook zij én Bruch worstelen met alles wat ze in de schaduw hebben proberen weg te duwen. En net als de personages uit Schermers debuut worden ze gedwongen te erkennen dat uitsluitend een leven in de zon geen mogelijkheid is – daarvoor loopt iedereen, zeker ook Emilia (vroeg overleden moeder, alcoholistische vader), vanaf zijn vroegste jeugd te veel butsen op.
Het knappe aan beide romans zit vooral in de manier waarop Schermer haar punt maakt. Mensen in de zon en Noodweer zijn allesbehalve rechtlijnige vertellingen met een onvermijdelijke conclusie. Ze blijft weg van de al te therapeutische boodschap dat een mens alleen zichzelf kan kennen en heel kan zijn als hij ook zijn donkere kant een plaats geeft. Schermer toont hoe haar personages worstelen en laat de conclusies aan de lezer.
Daarin verraadt de auteur haar achtergrond als toneelschrijfster, die alles moet laten zien met dialoog en handeling. Tegelijk is het volstrekt begrijpelijk dat ze ditmaal voor de romanvorm heeft gekozen. In beide boeken duikt ze diep in de binnenwereld van haar personages en geeft ze in haar geserreerde, zorgvuldige stijl precies weer wat ze denken en voelen – iets wat in toneel onmogelijk is. Dialoog gebruikt ze maar spaarzaam, handelingen zijn hoofdzakelijk decor.
De grote samenhang binnen haar romans, die waarschijnlijk ook in haar theateroeuvre aanwezig is, doet verlangen naar meer.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2, 2017) 

zondag 11 juni 2017

Auteur van het geschenkboek van de Spannende Boek Weken Deon Meyer: ‘De bibliotheken in Europa lijken wel kathedralen’ (Bibliotheekblad)

Deon Meyer, auteur van het geschenkboek van de Spannende Boek Weken, heeft in bibliotheken de liefde voor boeken opgedaan. Hij probeert daarom zo veel mogelijk terug te doen nu de instellingen het ook in zijn Zuid-Afrika moeilijk hebben.

Wie had ooit gedacht dat een Zuid-Afrikaanse thrillerschrijver zou worden gevraagd om het geschenkboek te schrijven van de Nederlandse Spannende Boekweken? De 58-jarige Deon Meyer zelf in ieder geval niet. ‘Ik ben niet helemaal onbekend in Nederland. Zeker 13 uur deed het goed nadat het [door Vrij Nederland] was verkozen tot thriller van het jaar. Maar ik ben absoluut geen superster. Er zijn schrijvers van wie je eerder verwacht dat die worden gevraagd voor deze unieke traditie. Het is een enorme eer dat men toch aan mij dacht.’
De auteur van De vrouw met de blauwe mantel ziet het als een kans. Het geschenkboek wordt in honderdduizenden exemplaren verspreid. Het kan niet anders of het merendeel zijn nieuwe lezers, die hopelijk zo worden gegrepen door het verhaal dat ze meer van hem willen lezen. ‘Ik ben vooral blij voor mijn uitgeverij A.W. Bruna. Nadat het met twee andere uitgeverijen niet was gelukt in Nederland – ik denk omdat men na de Mandela-hype, juist toen ik debuteerde, geen boeken wilde lezen van een blanke auteur uit Zuid-Afrika – hebben zij zich enorm voor mijn werk ingespannen. De uitgeverij verdient het mee te profiteren.’
Meyer heeft dan ook geprobeerd een zo karakteristiek mogelijk boek te schrijven. Dat begint al met de hoofdpersonen Bennie Griessel en Vaugh Cupido. De twee agenten van een elite-eenheid komen in maar liefst vijf boeken voor. Hij noemt Griessel daarom het personage die hem het meest vertrouwd is. ‘Niet mijn favoriete, hoor. Zoals niemand een favoriete kind heeft, zo zijn al mijn personages me dierbaar.’ Ook in structuur, tempo, niveau van spanning heeft hij zichzelf proberen te evenaren. ‘En misschien het belangrijkste: het niveau van entertainment.’

Hoe opmerkelijk Meyer het moge vinden om door de CPNB te worden gevraagd, Zuid-Afrika en Nederland hebben natuurlijk een bijzondere band. Ook hij voelt die. Hij kreeg de geschiedenis mee van Jan van Riebeeck die namens de VOC de eerste nederzetting in het land stichtte. Hij merkt dat Nederlanders meer dan andere Europeanen kennis van zijn land hebben. En er is natuurlijk de verwantschap in taal. ‘Ik kan de vertalingen van mijn boeken goed lezen. Het is grappig om dan – in het geschenkboek – een woord tegen te komen als “venter”, dat ik ken uit mijn jeugd maar dat we in het Afrikaans nu niet meer gebruiken.’
De auteur wilde in De vrouw met de blauwe mantel bewust een link met Nederland leggen. Niet door een thriller hier te situeren. ‘Dat zou oneerlijk zijn. Mijn boeken zijn zó Zuid-Afrikaans.’ Eerder andersom: door Nederland naar Zuid-Afrika te halen – in dit geval in de vorm van een schilderij van Carel Fabritius. ‘Ik kwam via Donna Tartts Het puttertje met hem in aanraking. Een fantastische schilder. En toen ik las hoe hij stierf en vooral wannéér hij stierf, vlak nadat Van Riebeeck zijn nederzetting had gesticht, kwam het opeens allemaal samen.’
Hoe precies? Lees daarvoor het geschenkboek. Meyers plot zit te ingenieus in elkaar om er iets van te kunnen weggeven zonder afbreuk te doen aan het leesplezier. 

Het zou mooi zijn om te kunnen beweren dat Meyers liefde voor thrillers in de bibliotheek van Klerksdorp zou zijn ontstaan. Maar zo is het niet helemaal. In de bibliotheek, een oase van cultuur in de streek, ontvlamde alleen zijn liefde voor lezen. ‘Mijn ouders waren grote lezers, maar omdat we arm waren, konden ze ons dat alleen meegeven via de bibliotheek’, herinnert hij zich. ‘Mijn vader was daarom altijd bereid om ons daarheen te brengen. Ik heb daar fantastische herinneringen aan. Ik droom soms nog van het genot daar te zijn. En als ik het plastic ruik waarmee de boeken waren gekaft! Heerlijk.’
Ook op de universiteit van Potchefstroom, waar hij Engels en geschiedenis studeerde, bleef de bibliotheek trekken – in dit geval door de letterlijk unieke collectie. ‘In mijn jeugd werden weinig boeken verboden. De eerste romans van André Brink heb ik in Klerksdorp kunnen lezen. Maar in de jaren 1970 schreven auteurs als hij echte anti-Apartheidromans die niet in Zuid-Afrika mochten verschijnen. De bibliotheek had ze wél, in een speciale afgesloten ruimte. Voor studiedoeleinden mocht je ze lezen. Ik verzon opdrachten om daar maar toestemming voor te krijgen.’
Uiteindelijk was het in de boekhandel waar hij in aanraking kwam met thrillers. ‘Ik wilde de beste boeken die ik leende niet terugbrengen. Ik ging daarom vanaf een jaar of veertien in de buurt flessen verzamelen. Voor het statiegeld. Als ik er zes had kon ik voor 40 cent een tweedehands paperback kopen bij Don’s Book Exchange, een winkeltje dat nog verder was dan de bibliotheek: veertig minuten fietsen. Juist daar ontdekte ik thrillers. Ed McBain, Ross MacDonald, John Le Carré, Frederick Forsyth. Het was het begin van een liefde die nooit meer over is gegaan.’
Meyer pleit er dan ook voor dat bibliotheken een zo breed mogelijke collectie hebben. Niet alleen literaire boeken ter verheffing van het volk maar ook boeken zoals die in de eerste plaats bedoeld zijn om te amuseren. Zoals die van hem. Anderzijds moeten bibliotheken ook niet te veel buigen voor de wens van de meerderheid – die nu eenmaal al jaren vooral spannende boeken lenen. ‘Er zijn veel soorten lezers. Dat is goed, als ze maar lezen. En er moet ook ruimte zijn voor lezers die bij genrefictie beginnen en willen doorgroeien. Die bestaan óók.’

In eigen land doet Meyer wat hij kan om Zuid-Afrikaanse bibliotheken te ondersteunen. Zeker als een bibliotheek in een achtergebleven gebied hem uitnodigt probeert de thrillerschrijver die altijd te aanvaarden. En alle auteursexemplaren van de Afrikaans- en Engelstalige uitgaven die hij over houdt, schenkt hij aan kleine bibliotheken in de Karoo. ‘Een is voor mijn moeder, een voor elk van mijn twee broers en ik hou er zelf een of twee. De rest gaat naar bibliotheken. Het zijn er maar een handjevol, maar toch.’
De collecties zijn niet meer zo goed als in zijn jeugd in de jaren 1960 en 1970, moet hij constateren. Maar hij is mild. ‘Ik kom nu in boekhandels en zie wat in bibliotheken ontbreekt. Als kind had ik geen flauw idee van wat er níet lag. En bibliotheken doen tegenwoordig zo veel meer. Ze organiseren allerlei programma’s voor kinderen om het lezen te bevorderen, maar ook om ze bijvoorbeeld in aanraking te brengen met kunst. Sommige bibliotheken leren ook volwassenen lezen. Er is nog veel ongeletterdheid in Zuid-Afrika.’
Daarbij werden in zijn jeugd alleen de bibliotheken in blanke regio’s ondersteund door de overheid, in het post-Apartheidtijdperk bibliotheken in het hele land. ‘Het is duidelijk dat we niet zo veel geld aan bibliotheken uitgeven als we zouden moeten. Als ik onze bibliotheken vergelijk met die in Engeland en Zweden, de enige landen waar ik in bibliotheken ben geweest, dan lijken die andere kathedralen. Zo mooi. Er is duidelijk veel geld beschikbaar. Aan de andere kant: Zuid-Afrika heeft grotere problemen. Laten we eerst investeren in bijvoorbeeld onderwijs.’
(Eerder gepubliceerd in Bibliotheekblad, jun 2017)

Zie ook:

vrijdag 9 juni 2017

Interview Tjeerd Langstraat: waarom hij niet bij The House of Books maar in eigen beheer uitgaf (Boekblad)

Eind april publiceerde Tjeerd Langstraat bij zijn eigen uitgeverij Jalapeño Books Eeuwig donker, de tweede thriller met rechercheur Jan Vos in de hoofdrol. Twee jaar geleden werd deze titel nog aangekondigd door The House of Books. De Rotterdamse auteur is na zijn ervaringen met de reguliere uitgeverij blij voor zichzelf te zijn begonnen.

Hoe gaat het met Eeuwig donker?
‘Op zich goed. Er zijn positieve recensies en er zijn nu een paar honderd van verkocht. Vooral via mijn eigen site en Bol. Het moeilijkste is om de fysieke boekhandel in te komen. Begrijpelijk. Mijn eerste boek – Villa Gladiola, in 2013 verschenen bij Logikos – heeft het best goed gedaan, maar ik ben nog geen gevestigde naam. Ik heb ook geen gevestigde uitgeverij achter me. Maar stapje voor stapje bestellen boekhandels. Als er media-aandacht is, wordt er de volgende dag ingekocht. Vanmorgen bestelde Verkaaik in Gouda er dertig. Dankzij een vriendin die daar woont en er naar mijn boek vroeg. Ik ga er ook signeren tijdens de Spannende Boekenweken.’

Geen gevestigde uitgeverij achter je. Maar het boek zou eerst verschijnen bij The House of Books. Om te beginnen: hoe ben je daar terecht gekomen?
‘Tijdens het Thrillerfeest in Zoetermeer kwam ik uitgever Harold de Croon van The House of Books tegen. Hij vroeg of ik aan een tweede boek bezig was. Toen niet, maar we maakten een afspraak. Ik twijfelde toch al of ik nog een boek bij Logikos wilde brengen. Ze deden daar niets aan pr. Harold vroeg ik of ik een synopsis wilde uitwerken. Dat resulteerde in een contract. The House of Books wilde inzetten op jong Nederlands thrillertalent, werd er gezegd.’

Waarom is je boek toch nooit bij hen verschenen?
‘In het begin was het contact goed. Ze regelde ook wat optredens. Tot ik ongeveer 30.000 woorden had en de tekst mailde om feedback te krijgen. Ik kreeg geen reactie. Later hoorde ik via via dat Harold was ontslagen. Er gingen ook twee redacteuren uit, waaronder de vrouw die mij zou begeleiden. Zij kwam terug van zwangerschapsverlof, wilde minder werken, maar dat kon niet en zij moest toen weg. Ook dat hoorde ik alleen via via. Heel vervelend. Tomás Kruijer werd de nieuwe uitgever. Hij begon voortvarend. Een tijdje hadden we goed contact – al was het lastig dat hij weer andere adviezen had dan Harold. Naar wie moest ik dan luisteren? Later liep het met hem ook mis.’

Waarom?
‘Laat ik eerst de hand in eigen boezem steken. Ik had geen keiharde deadline en omdat ik ook geld moet verdienen en het druk had als journalist, ging het schrijven minder snel dan gedacht. Eeuwig donker stond in de aanbiedingscatalogus van najaar 2015 en zou in januari 2016 verschijnen. Dat haalde ik niet. Uiteindelijk hadden we een deadline van 31 juli vorig jaar. Nadat ik had ingeleverd ging ik op vakantie. Toen ik daarvan terug kwam, bleek ik geen reactie te hebben gekregen. Gek. Ik vroeg ernaar en kreeg een heel vaag mailtje. Dat voelde al niet goed. Wilden ze me wippen? Later mailde Tomás dat ze mijn boek niet gingen uitgeven. Dit was niet waarop ze hadden geacquireerd, beweerde hij – terwijl er sowieso niet op manuscript was geacquireerd, maar ik alleen in het eerste gesprek een basisidee had geopperd. Ik mocht op zoek naar een andere uitgeverij en hij had deze week geen tijd om het toe te lichten. Dat was het. Ik vond het zo bizar dat ik er niet op heb gereageerd en daarna was er geen contact meer. Nooit meer.’

Heb je daarna een andere uitgeverij gezocht?
‘Ja. Ik heb een stuk of vijf uitgeverijen benaderd. De geijkte namen als De Boekerij en Karakter. Van een van hen kreeg ik een standaardafwijzing met in de aanhef alleen: ‘‘Beste” – zonder mijn naam – en in de tekst dat ze mijn ontbijtboek met recepten niet wilden. Ze waren zelfs vergeten de titel aan te passen. Dat was de druppel. Toen dacht ik: fuck it, ik ga het zelf doen. Achteraf was dat de beste beslissing, ondanks de drempels waar ik overheen moest.’

Alle afwijzingen deden je niet twijfelen aan de kwaliteit van je boek?
‘Eigenlijk niet, terwijl ik mijn eigen werk meestal maar een zesje of zeventje geef. The House of Books heeft het ook niet afgewezen op kwaliteit. Mijn debuut was genomineerd voor de Schaduwprijs en de Debuutprijs. En ik krijg veel positieve reacties op Eeuwig donker. Eerst van de meelezers, nu van recensies op Hebban en Bol. Al die vijf sterren zijn echt niet alleen van mensen die ik ken.’

Waarom bevalt het zelf uitgeven je zo?
‘Ik moet alles zelf doen en van alles zelf het wiel opnieuw uitvinden. Dat is veel werk, maar ik kan ook werken met mensen die ik zelf heb uitgekozen. Als journalist is mijn netwerk groot genoeg. Ik ken mensen voor de redactie. Ik ken de fotograaf voor het coverbeeld. Ik ben zelf geen pr-tijger, dus het is ook fijn om mensen om me heen te kunnen verzamelen die daar goed in zijn. Ik zit dan ook niet meer met hoe het is gegaan.’

Maar dankzij de schaalgrootte van The House of Books had je boek wel meteen in veel meer boekhandels kunnen liggen.
‘Zeker. Dat is dan ook het enige voordeel. Als het wordt uitgegeven door een gevestigde uitgeverij koopt Libris het bijvoorbeeld centraal in. Nu heeft het allemaal meer aanloop nodig. Donner bestelt er iedere keer twee, maar als het zo door blijft gaan, nemen ze er later wel tien tegelijk. Maar ik ben schaamteloos ambitieus. Ik denk dat ik uiteindelijk meer exemplaren kan verkopen dan wanneer het bij The House of Books was verschenen.’

Je wil met Jalapeño Books ook werk van anderen gaan uitgeven. Je hebt gelijk de smaak te pakken?
‘Ik had daar aanvankelijk helemaal niet aan gedacht. Maar als mensen horen dat je je eigen boek uitgeeft, krijg je meteen de vraag of je ook anderen wil publiceren. Waarom niet, dacht ik, leuk. Ik concentreer me nu op mijn eigen boeken – ook een heruitgave van Villa Gladiola – maar heb al twee manuscripten in overweging.’

Heb je je door je ervaringen met uitgevers gemerkt dat het makkelijk beter kan?
‘In ieder geval in de manier waarop je mensen omgaat. Die kille werkwijze van The House of Books vind ik asociaal. Ik snap heel goed dat als een auteur niet verkoopt je hem niet meer uitgeeft. Ik heb er geen enkel probleem om het contact zakelijk te houden. Maar moet dat zo? En trouwens: The House of Books heeft het niet eens geprobeerd met mij.’


The House of Books, gevraagd om een reactie, laat weten zich niet in het verhaal van Tjeerd Langstraat te herkennen.
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 2 juni)